Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200703830/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan appellante wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 1.800,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/1959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703830/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Vomar Voordeelmarkt B.V.", gevestigd te IJmuiden,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06 -12355 van de rechtbank Haarlem van 20 april 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan appellante wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 1.800,00.

Bij besluit van 7 november 2006 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 april 2007, verzonden op 24 april 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij faxbericht van 1 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 juli 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. S.A.P. van den Berg advocaat te Den Haag en [adjunct-directeur] van de Raad Nederlandse Detailhandel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F.C. Kleine Deters, werkzaam bij de Voedsel en Waren autoriteit, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

   Ingevolge de tweede volzin van dit artikellid wordt onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin eveneens begrepen het verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk is bestemd voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

   Ingevolge artikel 20, vierde lid, eerste volzin van de DHW blijft de vaststelling, bedoeld in het tweede lid, achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

   Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de DHW kan de minister ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen een boete opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.

   Ingevolge artikel 2 van het Besluit bestuurlijke boete DHW (hierna: het Besluit DHW) bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag voor in de bijlage omschreven overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de DHW, de boete die kan worden opgelegd.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit DHW in verbinding met de bijlage bij het Besluit DHW, voor zover hier van belang, bedraagt de boete voor de rechtspersoon die op de dag waarop artikel 20, tweede lid, van de DHW is overtreden vijftig of meer werknemers telde, € 1.800,00.

2.2.    Het hoger beroep richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat de aan het boetebesluit ten grondslag liggende feiten voor appellante voldoende kenbaar en verifieerbaar zijn. Zij voert, kort samengevat, aan dat de in het proces-verbaal opgemaakte bevindingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 5 december 2007 in zaak nos. 200702146/1 en 200702139/1, is de Afdeling, gelet op artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de DHW, van oordeel dat uitgangspunt van de aan de orde zijnde regeling is dat de leeftijd moet worden vastgesteld voordat tot bedrijfsmatig of anders dan om niet tot verstrekking van alcoholhoudende drank mag worden overgegaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan, ingevolge het vierde lid, eerste volzin, worden gemaakt, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. Het woord onmiskenbaar houdt, blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997-1998, 25 969, nr. 3, blz. 28), in dat overduidelijk moet zijn dat die persoon de vereiste leeftijd heeft bereikt.

   Voor het antwoord op de vraag of artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de DHW is overtreden, mag het bestuursorgaan zich baseren op ter zake opgemaakte processen-verbaal van de controleambtenaren. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van het op ambtseed/belofte opgemaakte proces-verbaal. Dit sluit betwisting daarvan in rechte niet uit.

   In het op 8 februari 2006 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal heeft de controleambtenaar vermeld dat hij op 15 oktober 2005 in een inpandige slijterij van appellante zag en hoorde dat aan een jongen een fles sterke drank werd verstrekt zonder dat zijn leeftijd werd vastgesteld en dat hij zag dat deze jongen niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Hij maakte dit onder meer op uit uiterlijke kenmerken zoals lichaamsbouw, gelaat, kleding en gedrag van deze jongen.

   De Afdeling is van oordeel dat in het proces-verbaal aldus duidelijk is vastgelegd wat de controleambtenaar heeft waargenomen en dat hij de overtreding van artikel 20, tweede lid, van de DHW heeft vastgesteld. Voorts is in het proces-verbaal op voldoende wijze aangegeven waarop de constatering van de controleambtenaar dat de jongen niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar had bereikt, is gebaseerd. De juistheid van die constatering wordt bevestigd door het feit dat de vrouw werkzaam achter de toonbank, alvorens de fles sterke drank af te rekenen, het nodig heeft geacht te vragen om het legitimatiebewijs van de jongen. Niet betwist is dat de jongen zich niet kon legitimeren. Dat een andere later in de slijterij binnengekomen jongen zich wel kon legitimeren en volgens de verklaring van de vrouw achter de toonbank 19 jaar oud bleek te zijn, doet aan dit alles niet af, nu niet is bestreden dat de fles sterke drank niet door deze laatste is afgerekend en meegenomen maar door de eerste jongen. Indien, zoals door de medewerkster is verklaard, de fles sterke drank aan de tweede jongen is verstrekt, geldt dat ingevolge artikel 20, tweede lid, tweede volzin, van de DHW onder verstrekken eveneens is begrepen het verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk is bestemd voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

   In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister in dit geval de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal in twijfel had moeten trekken en het niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen.

   Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat door appellante in strijd met artikel 20, tweede lid, van de DHW aan de jongen sterke drank is verstrekt zonder dat zijn leeftijd is vastgesteld, terwijl hij niet onmiskenbaar 18 jaar of ouder was.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Ten aanzien van het verzoek van de minister om veroordeling van appellante in de proceskosten is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van onredelijk gebruik van het procesrecht. Voor een proceskostenveroordeling bestaat derhalve geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

290.