Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200704461/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het voertuig van

[appellant] met [kenteken] doen verwijderen van de [locatie] te Rotterdam en heeft het meegedeeld dat de kosten hiervan voor rekening van [appellant] komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704461/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/5163 van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het voertuig van

[appellant] met [kenteken] doen verwijderen van de [locatie] te Rotterdam en heeft het meegedeeld dat de kosten hiervan voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 30 november 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2007, verzonden op 24 mei 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2007, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door

mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) behoort tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

   Ingevolge artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen.

   Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder e, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990) mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren langs een gele onderbroken streep.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit wegslepen van voertuigen zijn de soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994: wegen en weggedeelten waar door middel van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder e, van het RVV 1990 wordt aangegeven dat het verboden is te parkeren.

2.2.    Het college heeft het voertuig doen verwijderen van de [locatie] te Rotterdam omdat het in strijd met het bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder e, van het RVV 1990 stond geparkeerd langs een gele onderbroken streep en verwijdering van het voertuig noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen, aangezien het voertuig stond geparkeerd op een put waar Eneco werkzaamheden moest verrichten.

2.3.    [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door wegwerkzaamheden ter plaatse een zeer onduidelijke situatie is ontstaan en dat gedurende het jaar 2006 door de gemeente een willekeurig en diffuus handhavingsbeleid is gevoerd. De officieren van justitie in Rotterdam en Utrecht hebben de administratieve sancties, opgelegd naar aanleiding van parkeerovertredingen ter plaatse, in beroep vernietigd. Op basis van deze vernietigingen mocht [appellant] er zijns inziens van uitgaan dat parkeren langs het betwiste gedeelte van de gele onderbroken streep wel degelijk was toegestaan.

2.3.1.    Niet in geschil is dat het voertuig van [appellant] op 11 september 2006 stond geparkeerd langs een gele onderbroken streep. Daarmee staat vast dat [appellant] het bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder e, van het RVV 1990 heeft overtreden. Omdat het voertuig tevens stond geparkeerd op een in het aangewezen weggedeelte aanwezige put waar Eneco werkzaamheden moest verrichten, was verwijdering van het voertuig noodzakelijk. Derhalve was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bestuursdwangbevoegdheid zoals vermeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994.

2.3.2.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat van een gedoogsituatie ten tijde van het wegslepen van het voertuig op 11 september 2006 niet is gebleken. Aan de omstandigheid dat officieren van justitie zijn overgegaan tot vernietiging van een aantal opgelegde beschikkingen, waaronder een eerdere aan [appellant] opgelegde sanctie vanwege foutparkeren op dezelfde locatie, kon [appellant], zoals ook de rechtbank heeft overwogen, geen in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat foutparkeren werd gedoogd. Gelet op de ter plaatse zichtbaar aanwezige gele onderbroken streep wist [appellant], althans behoorde hij te weten, dat hij daar niet mocht parkeren. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de kosten voor het verwijderen van het voertuig op [appellant] heeft mogen verhalen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

419.