Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200701928/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder nadere eisen, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld met betrekking tot de door appellanten gedreven [horeca-inrichting] gelegen op het perceel [locatie] te Eindhoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701928/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Eindhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder nadere eisen, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld met betrekking tot de door appellanten gedreven [horeca-inrichting] gelegen op het perceel [locatie] te Eindhoven.

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 april 2007.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar van de gemeente, en J. van der Werf, werkzaam bij de Milieudienst Regio Eindhoven, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Uit voorschrift 1.1.1 in samenhang met voorschrift 1.1.7 van de bijlage bij het Besluit volgt dat het equivalente geluidniveau, veroorzaakt door het in werking zijn van de inrichting, ter plaatse van de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 55, 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, krachtens artikel 5 van het Besluit de nadere eis gesteld dat, om aan de gestelde geluidgrenswaarden in voorschrift 1.1.1 in samenhang met voorschrift 1.1.7 van de bijlage bij het Besluit te voldoen, het geluidniveau veroorzaakt door de muziekinstallatie binnen de inrichting niet hoger mag zijn dan 87, 82 en 77 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3.    Appellanten stellen dat de aan de nadere eisen ten grondslag liggende geluidmetingen van 1 september 2003 en de hercontroles van 29 oktober 2004, 3 april 2005 en 21 januari 2006, die zijn uitgevoerd door de Milieudienst Regio Eindhoven en waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapportage van 20 november 2006, op onjuiste wijze zijn uitgevoerd. Zij voeren hiertoe aan dat ten onrechte geen metingen op drie plaatsen binnen woningen zijn verricht en dat de daar gemeten waarden ten onrechte niet energetisch gemiddeld zijn. De geluidmetingen zijn niet binnen de woningen verricht, maar ter plaatse van de gevels van woningen. Reeds daarom kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.4.    Voorts voeren appellanten aan dat ten onrechte een correctie van 10 dB(A) op de gemeten waarden is toegepast.

2.4.1.    Uit artikel 1, aanhef en onder g, van het Besluit, voor zover hier van belang, volgt dat het equivalente geluidniveau overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01" (hierna: de Handleiding) van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt vastgesteld en beoordeeld. Uit de Handleiding volgt dat indien er sprake is van muziekgeluid, het gemeten of berekende geluidniveau met 10 dB(A) moet worden verhoogd. Nu de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende geluidmetingen zien op het meten van het geluidniveau van muziekgeluid afkomstig van de inrichting, heeft verweerder terecht een toeslag van 10 dB(A) toegepast.

2.5.    Appellanten betogen dat verweerder hen ten onrechte niet heeft gecompenseerd voor de schade die zij lijden als gevolg van het realiseren van het appartementencomplex "Medina" nabij hun inrichting.

2.5.1.    Het ontstaan van vermeende schade als gevolg van het realiseren van een ruimtelijk plan heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan reeds om die reden niet slagen. De Afdeling wijst er in dit verband op dat artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een grondslag kan bieden voor de vergoeding van geleden schade als gevolg van het realiseren van een ruimtelijk plan.

2.6.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte hun verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken niet heeft ingewilligd.

2.6.1.    Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.6.2.    Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat hij er ten onrechte van is uitgegaan dat het equivalente geluidniveau veroorzaakt door de inrichting ter plaatse van de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In verband daarmee heeft hij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en daarvoor in de plaats de onder 2.2 genoemde nadere eis gesteld.

   Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat verweerder het primaire besluit naar aanleiding van het bezwaar van appellanten gedeeltelijk heeft herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid. Gelet hierop komen de door appellanten gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. Verweerder heeft het verzoek van appellanten om vergoeding van deze kosten dan ook ten onrechte afgewezen.

2.7.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt gedeeltelijk voor vernietiging in aanmerking.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voorts dient verweerder op na te melden wijze te worden veroordeeld in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken. Gelet op het voorgaande behoeft verweerder niet alsnog te beslissen op het verzoek van appellanten om vergoeding van deze kosten.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 30 januari 2007, kenmerk JZ&IV 07UIT01586, voor zover bij dit besluit het verzoek van appellanten om vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Eindhoven aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Eindhoven aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

262-492.