Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200701273/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te Putten. Dit besluit is op 12 januari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701273/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Putten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te Putten. Dit besluit is op 12 januari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2007. Blijkens laatstgenoemde brief is het beroep ingetrokken voor zover het is ingesteld door [maatschap].

Bij brief van 27 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 augustus 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. K. van der Woud, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting is het beroep ingetrokken voor zover het is ingesteld door [een van de appellanten], behalve voor het onderdeel geluid.

2.2.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte geen beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn) heeft gemaakt van de effecten van de inrichting op het in de nabijheid van de inrichting gelegen gebied "De Veluwe". Dit gebied is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn.

2.2.1.    Het gebied van communautair belang valt in de omgeving van de inrichting samen met het bij besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/305, door de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de Richtlijn 79/409/EEG (hierna: de Vogelrichtlijn) aangewezen gebied "De Veluwe". Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195), geldt een dergelijke aanwijzing als besluit als bedoeld in artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998.

2.2.2.    Waar, zoals hier, artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 toepassing vindt omdat krachtens artikel 10a van deze wet een speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn is aangewezen, terwijl een met deze beschermingszone samenvallend gebied van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn niet is aangewezen, dient artikel 19d Habitatrichtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Deze interpretatie houdt in dat bij de toepassing van artikel 19d zowel de instandhoudingsdoelstelling van de speciale beschermingszone als die van het gebied van communautair belang moet worden betrokken.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 augustus 2007 in zaak no. 200701498/1 brengt dit mee dat de werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn de particulieren bereikt via toepassing van het richtlijnconform geïnterpreteerde artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. Een rechtstreeks beroep op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in de huidige procedure omtrent de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is gelet hierop niet aan de orde.

   De beroepsgrond treft dan ook geen doel.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellanten stellen dat de inrichting een gpbv-installatie is als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer nu er meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg zijn. Derhalve heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het BREF Intensieve veehouderij bij de beoordeling of in de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast, aldus appellanten.

2.4.1.    Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten, samen met de bijlage bij deze regeling, voor zover hier van belang, moet met het in tabel 1 van de bijlage genoemde BREF Intensieve veehouderij rekening worden gehouden, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installatie betreft.

   Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet onder een gpbv-installatie worden verstaan: installatie als bedoeld in bijlage 1 van de Richtlijn 96/61/EEG (hierna: de IPPC-richtlijn).

   Ingevolge bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder b, van de IPPC-richtlijn geldt voor installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij een drempelwaarde van meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg.

2.4.2.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor 1.965 vleesvarkens van meer dan 30 kg, 195 vleesvarkens tot 30 kg en 544 biggen.

   Aangezien het aantal in de inrichting te houden dieren bepalend is voor de mate van verontreiniging en, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 mei 2005 in zaak no. 200404617/1 (www.raadvanstate.nl), een methode ontbreekt voor het bepalen van het aantal in de inrichting aanwezige dierplaatsen, moet bij de vraag of een veehouderij een gpbv-installatie is worden uitgegaan van het aantal aangevraagde of vergunde dieren en niet van het aantal dierplaatsen. Nu op grond van de vergunning minder dan 2.000 vleesvarkens van meer dan 30 kg in de inrichting mogen worden gehouden, is de inrichting geen gpbv-installatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Anders dan appellanten kennelijk betogen volgt uit artikel 1, tweede lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten dan ook niet dat met het BREF intensieve veehouderij rekening moest worden gehouden. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.    Appellanten voeren aan dat de omgeving van de inrichting niet voldoende wordt beschermd tegen geluidhinder nu het afvoeren van mest 8 keer per jaar is uitgezonderd van de in voorschriften 5.1 en 5.2 gestelde geluidgrenswaarden. Bovendien zijn de voorschriften die zien op de ontheffing onzorgvuldig geformuleerd, aldus appellanten.

2.5.1.    Verweerder heeft de Nota industrielawaai gemeente Putten (hierna: de nota) gehanteerd bij de invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid in het kader van geluid veroorzaakt door inrichtingen als de onderhavige.

   Uit de nota volgt dat verweerder een ontheffing kan verlenen om maximaal 12 maal per jaar bijzondere activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan is toegestaan ingevolge de geluidgrenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Verweerder dient daarbij volgens de nota na te gaan in hoeverre de hinder moet worden beperkt en op welke wijze. Dit kan door minder ontheffingen te verlenen, maximale geluidgrenswaarden op te leggen of de duur van de ontheffing te beperken.

2.5.2.    Uit voorschrift 5.9 volgt dat het afvoeren van mest niet vaker dan 8 maal per jaar mag plaatsvinden. Uit voorschrift 5.10 volgt dat de in voorschriften 5.1 en 5.2 gestelde geluidgrenswaarden niet van toepassing zijn op het afvoeren van mest. Hoewel in voorschrift 5.10 de verwijzing naar voorschrift 5.9 gedeeltelijk is weggevallen, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk waar het voorschrift op ziet.

   De Afdeling overweegt voorts dat in het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek staat vermeld dat 8 maal per jaar drijfmest wordt afgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt verder welke activiteiten daarmee gepaard gaan. Nu de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, is vastgelegd welke activiteiten mogen plaatsvinden tijdens het afvoeren van mest. Blijkens het akoestisch onderzoek bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij geluidgevoelige bestemmingen tijdens deze activiteit 31 tot 34 dB(A). Verweerder heeft zich, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze geluidbelasting niet zodanig is dat het 8 keer per jaar afvoeren van mest niet zou kunnen worden toegestaan.

2.6.    Appellanten kunnen zich verder niet met voorschrift 5.3 verenigen. In dit voorschrift zijn, kort weergegeven, geluidgrenswaarden gesteld voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie, te weten het vullen van de silo en het laden van varkens. Appellanten voeren aan dat de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) geen aanknopingspunten biedt voor de in voorschrift 5.3 gemaakte uitzondering. Verder betogen zij dat de redactie van voorschrift 5.3 onjuist is en dat het voorschrift niet naleefbaar is.

2.6.1.    Voor zover appellanten wijzen op de Handreiking, merkt de Afdeling op dat verweerder de nota heeft gehanteerd en niet de Handreiking. Appellanten hebben niet bestreden dat de nota de mogelijkheid biedt voor het stellen van aparte geluidgrenswaarden voor het vullen van de silo en het laden van varkens, zoals in voorschrift 5.3 is gebeurd. Het betoog van appellanten slaagt in zoverre niet.

   Verweerder heeft erkend dat voorschrift 5.3 tekstuele gebreken bevat. Voorts heeft hij ter zitting gesteld dat de daarin opgenomen  geluidgrenswaarden niet juist zijn vastgesteld. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Deze beroepsgrond treft doel.

2.7.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het voorschrift 5.3 betreft. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten van 14 december 2006, kenmerk BM/2006/12990, voor zover het voorschrift 5.3 betreft;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Putten op binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Putten tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Putten aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Putten aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

262-492.