Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9921

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200704817/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2005 tot afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden, alsnog gegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek nader gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704817/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/6343 van de rechtbank Breda van 5 juli 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2005 tot afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden, alsnog gegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek nader gemotiveerd.

Bij uitspraak van 5 juli 2007, verzonden op 5 juli 2007, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2007, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. F.J.J. van West de Veer, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Davidse, werkzaam bij de gemeente Roosendaal, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Het college heeft dat bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, gedaan. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, heeft [appellant] een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling van de zaak ter zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard nu hij nog wel belang bij zijn beroep had, slaagt. [appellant] heeft in het verzoek om handhavend op te treden gesteld dat in strijd met het bestemmingsplan en de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) wordt gehandeld doordat:

fietsen worden gestald op het trottoir achter het winkelpand van [winkelier] aan de [locatie] te Roosendaal (hierna: het trottoir), geluidoverlast wordt veroorzaakt bij de reparatie van bromfietsen en zwerfafval wordt verspreid. Nu vaststaat dat de stalling van fietsen op het trottoir niet is beëindigd, leidt het feit dat niet langer [winkelier] maar De Bikeshop de ter plaatse gevestigde fietsenwinkel exploiteert er niet toe dat geen belang meer bestond bij het beroep.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.3.    Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijkheid verkregen over de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bij de rechtbank bestreden besluit, zodat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De Afdeling zal daarom met toepassing van artikel 45 van de Wet op de Raad van State het bij de rechtbank bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg naar voren gebrachte beroepsgronden, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.4.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen het in strijd met de artikelen 2.1.5.1, 4.7.1, 5.1.11 en 5.2.3 van de APV en in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het trottoir voor de stalling van fietsen (hierna: het gebruik).

2.4.1.    Het in het eerste lid van artikel 2.1.5.1 van de APV vervatte verbod, is op grond van het tweede lid, onder d, van dat artikel niet van toepassing op voertuigen, waartoe op grond van artikel 1.1, onder E, van de APV ook fietsen worden gerekend. Aan artikel 4.7.1 van de APV komt geen betekenis toe, omdat het in het derde lid vervatte verbod slechts geldt op door het college op grond van het eerste lid aangewezen plaatsen en het trottoir niet als zodanig is aangewezen. Het eerste lid van artikel 5.1.11 schept slechts een bevoegdheid voor het college om plaatsen aan te wijzen en het in tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing nu de fietsen niet in een verwaarloosde toestand verkeren. Artikel 5.2.3 is evenmin van toepassing op het gebruik, nu dit geen uitstalling is als bedoeld in dat artikel. Het gebruik is dan ook niet in strijd met voornoemde artikelen van de APV, zodat het college terzake niet handhavend kon optreden.

2.4.2.    Niet in geschil is dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde hier van belang, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken.

Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.3.    Ten tijde van het nemen van het in beroep bestreden besluit op bezwaar was het ontwerp-bestemmingsplan "Kortendijk" in procedure, in welk plan het gebruik is toegestaan. Ten onrechte heeft het college aan dit enkele feit de conclusie verbonden dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het ten tijde van het nemen van het besluit van 20 december 2006 er zonder meer vanuit mocht gaan dat dit onderdeel van het ontwerp-bestemmingsplan rechtskracht zou verkrijgen, zoals bijvoorbeeld een standpunt van de provincie in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Het standpunt van het college dat concreet zicht op legalisatie bestaat, is dan ook niet draagkrachtig gemotiveerd.

2.5.    [appellant] betoogt voorts dat het college ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen het in strijd met artikel 4.1.8 van de APV veroorzaken van geluidoverlast bij de reparatie van bromfietsen en het in strijd met artikel 4.4.1 van de APV verspreiden van zwerfafval.

2.5.1.    Uit de door het college op verzoek van de Afdeling schriftelijk verstrekte inlichtingen, blijkt dat het college geen onderzoek heeft verricht naar de geluidoverlast waarvan [appellant] stelt hinder te ondervinden en dat eenmaal, vóór het indienen van het verzoek om handhavend op te treden, onderzoek is verricht naar zwerfafval. Het besluit tot afwijzing van het verzoek is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, hetgeen in het besluit op bezwaar niet is onderkend.

2.6.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar, wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigen.

2.7.    Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 juli 2007 in zaak no. 06/6343;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van 20 december 2006, kenmerk HH/2006;

V.    veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1002,66 (zegge: duizendtwee euro en zesenzestig cent), waarvan een bedrag groot € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Roosendaal aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Roosendaal aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt;

VII.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens     w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

417.