Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200703588/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht het uitwerkingsplan "De Bongerd" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703588/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht het uitwerkingsplan "De Bongerd" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 april 2007, no. 2007REG000935i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2007, waar appellanten, in persoon, vergezeld van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. N. Strikwerda, advocaat te Utrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. P.J.M. Verlaan en W.J. de Vries, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, vertegenwoordigd door ir. K. van der Weele, ir. H. Ebberink en drs. S.G.R. de Boer.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Standpunt van appellanten

2.2.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan, voor zover dat voorziet in de mogelijkheid om op hun percelen woningen te bouwen. Daartoe voeren zij aan dat zij, gelet op publicaties tijdens de ontwikkeling van het plangebied en toezeggingen van ambtenaren van de gemeente, ervan uit mochten gaan dat op hun grond geen woningen zouden worden gebouwd. Voorts stellen appellanten dat er geen relatie bestaat met de te realiseren bebouwing in de directe omgeving, en dat het groene lint dat door het plangebied loopt door de op hun grond voorziene woningen op ontoelaatbare wijze wordt onderbroken. Ten slotte zijn zij van mening dat hun belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.

Het bestreden besluit

2.3.     Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring verleend aan het uitwerkingsplan, waarbij hij het standpunt van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de door appellanten ingediende zienswijzen heeft onderschreven.

Het college heeft zich in zijn reactie op de door appellanten ingediende zienswijzen op het standpunt gesteld dat handhaving van de achtertuinen van appellanten tot aan de aan te leggen singel, waar in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen van uit werd gegaan, niet mogelijk bleek. Omdat de singel om ecologische redenen naar het westen moest worden verplaatst ontstond er minder te bebouwen grond aan de westzijde, en kwam meer ruimte vrij achter de percelen van appellanten. Met het oog op het realiseren van de voorgenomen aantallen woningen in de wijk zijn daarom in de vrijkomende strook op de percelen van appellanten woningen voorzien. Het college heeft overwogen dat de voorziene, vrijstaande woningen voldoen aan het gewenste stedenbouwkundige beeld van de wijk.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.    Ingevolge het bestemmingsplan "Leidsche Rijn 1999", waarvan het uitwerkingsplan deel uitmaakt, rust op de percelen van appellanten de bestemming "Gemengde doeleinden (uit te werken)". Ingevolge artikel 6 van de voorschriften bij dat plan zijn de aldus aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen. Ingevolge artikel 9 van de voorschriften, voor zover hier van belang, worden de gebieden met bestemming "Gemengde doeleinden" door burgemeester en wethouders uitgewerkt met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gekozen wijze van uitwerking in strijd is met de beschrijving in hoofdlijnen of met de overige in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels. Het bestemmingsplan staat derhalve niet in de weg aan het toekennen van een woonbestemming aan gedeelten van de percelen van appellanten.

Hoewel de overige door appellanten bedoelde stukken en brochures die zijn gepubliceerd tijdens de voorbereiding van het uitwerkingsplan geen juridisch bindend karakter hebben, komt in het bijzonder aan het Stedenbouwkundig Programma van Eisen en het Stedenbouwkundig Plan in dit geval betekenis toe voor het antwoord op de vraag of het plan ook overigens niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze betekenis is evenwel niet zodanig dat niet van deze stukken kan worden afgeweken bij de uiteindelijke inrichting van het gebied, indien daarvoor gegronde redenen bestaan. Voor zover in deze stukken geen woningen waren voorzien op de percelen van appellanten is het college daarvan bij vaststelling van het plan afgeweken om de redenen hiervoor onder 2.3 vermeld. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het standpunt van het college niet in redelijkheid heeft kunnen onderschrijven.

2.4.1.    Ter zitting is gebleken dat door gemeenteambtenaren opmerkingen  zijn gemaakt tijdens twee voorlichtingsbijeenkomsten over de voorgenomen inrichting van de wijk. Deze bijeenkomsten hadden een informatief karakter. Bij de bijeenkomsten werd nog uitgegaan van de oorspronkelijke situatie, waarin de aan te leggen singel en sloot dichter bij de woningen van appellanten waren voorzien. Zoals hiervoor is overwogen zijn de singel en de sloot in de definitieve plannen naar het westen verplaatst. Voorts geldt in het algemeen dat geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een uitwerkingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij het college van burgemeester en wethouders. Het college heeft, bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

2.4.2.    Voor verweerder bestond gezien het voorgaande geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door het college goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.5.    In de hiervoor onder 2.4 bedoelde stukken wordt op verschillende plaatsen de waarde van de bestaande linten, waartoe ook de bestaande bebouwing aan 't Zand wordt gerekend, benadrukt. Uitgangspunt is dat die bebouwing en de daarbij behorende tuinen waar mogelijk gehandhaafd blijven. Daaruit volgt echter niet dat woningbouw op de betrokken percelen in alle gevallen is uitgesloten. Van belang is veeleer, zo blijkt onder meer uit het Stedenbouwkundig Programma van Eisen, dat het bestaande karakter van de linten zo goed mogelijk wordt gehandhaafd.

2.5.1.    Op de betrokken percelen kunnen niet meer dan vier vrijstaande of twee-onder-een-kap woningen worden gebouwd, waarmee wordt aangesloten bij het karakter van de bestaande lintbebouwing ter plaatse. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de gedeelten waarvoor de bestemming "Woongebied" geldt slechts een beperkte oppervlakte beslaan van de aan 't Zand gelegen percelen. Voor de percelen en perceelsgedeelten waarop de bestemming "Gemengd wonen, bestaand lint" rust zijn toevoegingen van nieuwe woningen niet toegestaan en zijn ook overigens slechts zeer beperkte bouwmogelijkheden opgenomen, zodat de tuinen en andere groene elementen binnen die bestemming in beginsel gehandhaafd blijven.

2.5.2.    Gelet op het voorgaande onderschrijft de Afdeling de stelling van appellanten niet dat de voorgestelde bebouwing geen relatie heeft met de omgeving. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het groene lint.

2.6.    Verweerder diende na te gaan of het college, binnen het kader zoals hiervoor onder 2.1 weergegeven, na afweging van alle betrokken belangen in het plan aan de betrokken perceelsgedeelten de bestemming "Woongebied" heeft kunnen toekennen. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze afweging van belangen onvoldoende heeft plaatsgevonden. Daarbij is mede in aanmerking genomen de afstand van de grens van de bestreden plandelen tot de woningen van appellanten, alsmede het aantal en de aard van de te bouwen woningen.

2.7.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel     w.g. Oudenaarden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

12-568.