Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9918

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200702473/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het uitbreiden van een vleeskuikenhouderij met een biogasinstallatie c.q. mestvergistingsinstallatie aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 22 februari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/603
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702473/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu", gevestigd te Hengelo, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het uitbreiden van een vleeskuikenhouderij met een biogasinstallatie c.q. mestvergistingsinstallatie aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 22 februari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 mei 2007.

Bij brief van 2 oktober 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2007, waar appellanten, van wie [appellant A] en [appellante B] in persoon en bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.H.M. van der Aa en A.J. Arends, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. D. Pool.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

   [appellant C] en [appellant D] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, voor zover het door deze appellanten is ingesteld, niet-ontvankelijk is.

2.2.    Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

   Appellanten hebben geen zienswijze naar voren gebracht over trillinghinder. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, voor zover dat betrekking heeft op trillinghinder, niet-ontvankelijk is.

   [appellant A], [appellante B], [appellant E] en [appellante F] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over bodemverontreiniging, afvalstoffen, stankhinder en luchtverontreiniging. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant A], [appellante B], [appellant E] en [appellante F] met betrekking tot deze punten, niet-ontvankelijk is.

   [appellante G] en [appellant H] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over de externe veiligheid, bodemverontreiniging en afvalstoffen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door [Appellante G] en [Appellant H] met betrekking tot deze punten, niet-ontvankelijk is.

   [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L] en [appellant M] hebben geen zienswijze naar voren gebracht over bodemverontreiniging. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L] en [appellant M] met betrekking tot dit punt, niet-ontvankelijk is.

Bevoegd gezag

2.3.    Appellanten betogen dat de technisch realiseerbare capaciteit van de inrichting ruim boven de 25.000 ton per jaar komt, zodat het college van gedeputeerde staten van Overijssel het bevoegd gezag is.

2.3.1.    Ingevolge categorie 28.4, onder a, sub 6, van bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van andere dan de aldus onder sub 1 tot en met 5 genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103  m3 of meer.  

   Ingevolge categorie 28.4, onder c, sub 1, van bijlage I van het Ivb, voor zover van belang, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor onder meer het mengen of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.106 kg per jaar of meer.

2.3.2.    De aanvraag voor de thans verleende vergunning is ingediend na het tijdstip waarop het Besluit van 15 maart 2005 tot wijziging van het Ivb in verband met het beheer van afvalstoffen (Stb. 2005, 168) in werking is getreden zodat anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2006, in zaak no. 200600330/1, over de eerdere verleende en vernietigde vergunning, het recht zoals dat geldt na het Besluit van toepassing is.

   Vast staat dat de inrichting onder meer valt onder de categorieën 28.4, onder a, sub 6 en 28.4, onder c, sub 1, van bijlage 1 van het Ivb. De daarin gestelde ondergrens voor de opslag en verwerking van afvalstoffen wordt niet overschreden. Verweerder is dan ook het bevoegd gezag. Er is geen aanleiding voor vernietiging op dit punt.

Procedure

2.4.    Volgens appellanten is de bekendmaking van het ontwerp van het besluit in strijd met artikel 3.12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De zakelijke inhoud van het besluit is niet correct weergegeven, omdat niet is aangegeven dat verweerder voornemens was de geluidvoorschriften te wijzigen, aldus appellanten.

2.4.1.    Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

   Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

2.4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling houdt de aanvraag voor een veranderingsvergunning mede een verzoek in om toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dat in het bestreden besluit is vermeld dat de geluidvoorschriften verbonden aan de revisievergunning van 2 maart 2004 zijn gewijzigd met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer is blijkens het verhandelde ter zitting een kennelijke verschrijving van verweerder geweest. Voorts is uit de stukken gebleken dat in de kennisgeving is vermeld dat verweerder voornemens is de aangevraagde veranderingsvergunning voor een biogasinstallatie te verlenen. Niet is vereist dat in de kennisgeving mede moet worden vermeld dat verweerder voornemens is de geluidvoorschriften die zijn verbonden aan de bij besluit van 2 maart 2004 verleende revisievergunning te wijzigen, nu verweerder niets anders heeft gedaan dan beslist op de aanvraag. In de kennisgeving is dan ook voldoende duidelijk gemaakt om welk voorgenomen besluit het gaat. Gelet op het vorenstaande is er geen strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    Volgens appellanten hebben diverse stukken, waaronder een akoestisch onderzoeksrapport opgesteld door DGMR Bouw B.V. van 29 september 2006 met kenmerk I.2006.0515.00.R001 en het advies van de brandweer, ten onrechte niet met het ontwerp van het besluit ter inzage gelegen, waardoor er strijd is met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, aldus appellanten.

2.5.1.    Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp ter inzage.

2.5.2.    Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder zich bij de beoordeling van geluidhinder niet heeft gebaseerd op het door DMGR Bouw B.V. opgestelde akoestisch onderzoeksrapport van 29 september 2006 met kenmerk I.2006.0515.00.R001, zodat het geen betrekking heeft op het ontwerp van het te nemen besluit. Verweerder heeft zich ten aanzien van de andere door appellanten bedoelde stukken, waaronder het advies van de brandweer, op het standpunt mogen stellen dat deze redelijkerwijs niet nodig zijn ter beoordeling van het ontwerp. Gelet hierop is het besluit niet in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Mer-beoordelingsplicht

2.6.    Appellanten betogen dat verweerder had moeten beoordelen of een milieueffectrapport opgesteld diende te worden.

2.6.1.    In onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is in categorie 18.2, voor zover van belang, als activiteit aangewezen, de oprichting van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van dierlijke of overige organische meststoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met een capaciteit van 100 ton per dag of meer.

2.6.2.    De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning ziet op de biogasinstallatie c.q. mestvergistingsinstallatie. Uit de aanvraag blijkt dat de te verwerken capaciteit mest niet meer dan 66 ton per dag bedraagt. De norm van 100 ton per dag wordt derhalve niet overschreden. Voorts is uit de stukken gebleken dat de provinciale staten van Overijssel geen provinciale milieuverordening hebben vastgesteld waarin is bepaald dat voor biogasinstallaties c.q. mestvergistingsinstallaties met een capaciteit minder dan 100 ton per dag een mer-beoordelingsplicht bestaat. Gelet op het vorenstaande bestond voor verweerder geen mer-beoordelingsplicht.

Aanvraag

2.7.    Appellanten voeren aan dat verweerder is afgeweken van de aanvraag, omdat uit voorschrift 2.1 volgt dat in geval van verschillen tussen de aanvraag en het bij de aanvraag gevoegde geluidonderzoek uitgegaan dient te worden van de beschreven situatie in het geluidonderzoek.

2.7.1.    Verweerder heeft op de aanvraag zoals die is ingediend beslist. Er is geen rechtsregel die zich verzet tegen het verbinden van een voorschrift aan de vergunning met de strekking als van voorschrift 2.1.

2.8.    Volgens appellanten voldoet de aanvraag niet aan het Ivb, omdat er informatie ontbreekt over geluid, ammoniak, nadelige effecten op de bodem en grondwater, de grens van de inrichting en luchtvervuiling. Verweerder heeft de aanvraag volgens appellanten dan ook ten onrechte in behandeling genomen.

2.8.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu, zodat hij de aanvraag in behandeling heeft mogen nemen.

2.8.2.    Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

Wijziging voorschriften onderliggende vergunning

2.9.    Appellanten betogen dat het niet mogelijk is in het kader van een veranderingsvergunning ambtshalve wijzigingen aan te brengen in de onderliggende vergunning, indien deze wijzigingen niet onmiddellijk samenhangen met de aangevraagde verandering. Volgens appellanten zijn dan ook ten onrechte allerlei voorschriften aan de vergunning verbonden die betrekking hebben op de gehele inrichting in plaats van alleen op de aangevraagde verandering. Ook biedt artikel 8.23 van de Wet milieubeheer volgens appellanten geen grondslag voor het versoepelen van de geluidgrenswaarden.

2.9.1.    Zoals reeds in 2.4.2 is overwogen zijn de aan de revisievergunning van 2 maart 2004 verbonden geluidvoorschriften met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Verweerder heeft de gestelde grenswaarden ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau gewijzigd. In hetgeen appellanten hebben betoogd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat artikel 8.24 van de Wet milieubeheer geen grondslag kan bieden om de aan de revisievergunning verbonden geluidvoorschriften te wijzigen, nu uit de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de uitbreiding van de inrichting met een biogasinstallatie c.q. mestvergistingsinstallatie gevolgen heeft voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau. Gelet hierop hangen voornoemde wijzigingen onmiddellijk samen met de aangevraagde verandering. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

Type vergunning

2.10.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte niet krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft besloten dat een revisievergunning als geregeld in dit artikel dient te worden aangevraagd. Hiertoe voeren zij aan dat de voorschriften niet meer actueel zijn en de verandering van de inrichting zodanig grote gevolgen heeft voor de inrichting als geheel.

2.10.1.    De Afdeling overweegt dat gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verweerder beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlangen van een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd. Hierbij dient het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand in relatie tot een toereikende normering afgewogen te worden tegen andere belangen, waaronder die van appellante. Niet is gebleken dat bij verlening van de onderhavige veranderingsvergunning een zodanig onoverzichtelijk vergunningbestand ontstaat dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunningaanvraag te behandelen. Voorts kan voldoende onderscheid gemaakt worden tussen het niet veranderde gedeelte van de inrichting en het veranderde gedeelte. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

Omvang inrichting

2.11.    Appellanten stellen dat de bedrijven gelegen aan de [locatie 1] te [plaats] en de [locatie 2] te [plaats] één inrichting vormen. Volgens hen heeft verweerder ten onrechte alleen het onderdeel van de inrichting dat is gelegen aan de [locatie 1] te [plaats] en niet het onderdeel dat is gelegen aan de [locatie 2] te [plaats] beoordeeld.

2.11.1.    Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de

Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.11.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afstand tussen de twee bedrijven meer dan 2.000 meter bedraagt. Gezien deze afstand kan niet worden gesproken van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kan er naar het oordeel van de Afdeling niet gesproken worden van één inrichting.

Besluit luchtkwaliteit

2.12.    Appellanten betogen dat de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit) opgenomen grenswaarden niet in acht zijn genomen. Volgens appellanten zijn te weinig maatregelen genomen om de verspreiding van zwevende deeltjes tegen te gaan. Tevens zijn de berekeningen, die in het bij de aanvraag gevoegde onderzoeksrapport naar de luchtkwaliteit zijn uitgevoerd, niet conform het Besluit. Volgens appellanten is voorts de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) ten onrechte niet als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van dit aspect.

2.12.1.    In artikel 7, eerste lid, van het Besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen.

   In artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, in afwijking van dat lid, mede kunnen worden uitgeoefend indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

   Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a en b, van het Besluit geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie en een grenswaarde van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.12.2.    Uit het bij de aanvraag gevoegde onderzoeksrapport naar de luchtkwaliteit blijkt dat de grenswaarden in acht worden genomen. Niet aannemelijk is geworden dat deze bevindingen onjuist zijn. De NeR biedt geen toetsingskader voor de luchtkwaliteit in de omgeving van de inrichting. Hiervoor zijn in het Besluit grenswaarden gesteld.

Geluid

2.13.    Appellanten vrezen geluidhinder. Zij stellen dat het in opdracht van verweerder opgestelde onderzoeksrapport naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid van DGMR Bouw B.V. van 29 september 2006 met kenmerk I.2006.0515.00.R002 (hierna: het DGMR onderzoeksrapport) niet conform de eisen van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai IL HR-15-01 is uitgevoerd. Hiertoe voeren appellanten, onder verwijzing naar een namens appellanten door Buijvoets Bouw- en Geluidadvisering opgesteld akoestisch onderzoeksrapport van 3 oktober 2007 aan, dat het door DGMR Bouw B.V. gemeten referentieniveau te hoog is, omdat het geluid van de ventilatoren van de inrichting is meegenomen. De gestelde geluidgrenswaarden zijn volgens appellanten te hoog. Voorts zijn in het DGMR onderzoeksrapport de Boswinkelsweg 6 en Haaksbergerweg 13 ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus appellanten. Daarnaast kan volgens appellanten niet aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan.

2.13.1.     Naar het oordeel van de Afdeling is het niet aannemelijk geworden dat het DGMR onderzoeksrapport niet conform de eisen van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai IL-HR-15-01 is uitgevoerd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking het door verweerder ter zitting verklaarde dat ten tijde van de door Buijvoets Bouw- en Geluidadvisering uitgevoerde meting van 5 april 2007, waarbij het hoogst gemeten referentieniveau is vastgesteld, de in de inrichting gehouden kuikens een leeftijd hadden van 16 dagen, dat bij een dergelijke leeftijd slechts circa 20 van de 53 ventilatoren in werking zijn en dat voorts uit gegevens van het KNMI is gebleken dat de minimum buitentemperatuur op 5 april 2007 zodanig laag was dat het onmogelijk is dat de computergestuurde klimaatregelapparatuur de ventilatoren sneller zou laten draaien dan het ingestelde zeer lage toerental. Voorts blijkt uit het DGMR onderzoeksrapport dat de woningen Boswinkelsweg 6 en Haaksbergerweg 13 wel in het DGMR onderzoeksrapport in beschouwing zijn genomen.

2.13.2.    Voor de beoordeling van geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Niet in geschil is dat de omgeving van de inrichting is aan te merken als een landelijke omgeving waarbij richtwaarden behoren van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft zich in voorschrift 2.2 wat betreft de grenswaarden voor de avond- en nachtperiode aangesloten bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Volgens de Handreiking is voor bestaande inrichtingen een overschrijding van de richtwaarden tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid mogelijk. Het referentieniveau bedraagt ingevolge het DGMR onderzoeksrapport in de avond- en nachtperiode respectievelijk 37 en 35 dB(A). De in vergunningvoorschrift 2.2 opgenomen grenswaarden komen overeen met het gemeten referentieniveau van het omgevingsgeluid. Wat betreft het maximale geluidniveau zijn de in vergunningvoorschrift 2.3. gestelde grenswaarden niet hoger dan de in de Handreiking aanvaardbare grenswaarden van 70, 65, 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de vergunningvoorschriften 2.2 en 2.3 neergelegde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

2.13.3.    Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft, is verweerder uitgegaan van het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoeksrapport opgesteld door Adviesbureau van der Boom van 13 oktober 2006 met kenmerk 05-141r4. Op basis van de uitkomsten van dit rapport heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde grenswaarden kan worden voldaan.

   De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de in de vergunningvoorschriften 2.2 en 2.3 opgenomen grenswaarden niet naleefbaar zijn.

Overige gronden

2.14.    Appellanten hebben de gronden inzake de handhaafbaarheid, bodem, stankhinder, externe veiligheid, beste beschikbare technieken, landelijk afvalbeheersplan, dierziekten en het Besluit financiële zekerheid milieubeheer onvoldoende geconcretiseerd of gemotiveerd. De Afdeling ziet in hetgeen hierover is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op deze punten onrechtmatig zou zijn.

2.15.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant C] en [appellant D], van alle appellanten voor zover het de grond inzake trillinghinder betreft, van [appellant A], [appellante B], [appellant E] en [appellante F] voor zover het de gronden inzake bodemverontreiniging, afvalstoffen, stankhinder en luchtverontreiniging betreft, van [appellante G] en [appellant H] voor zover het de gronden inzake de externe veiligheid, bodemverontreiniging en afvalstoffen betreft en van [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L] en [appellant M] voor zover het de grond inzake bodemverontreiniging betreft, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton     w.g. Van Leeuwen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

373-541.