Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9916

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200703359/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van veertien woningen op het perceel [locatie] te Nuenen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703359/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3703 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van veertien woningen op het perceel [locatie] te Nuenen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2007, verzonden op 26 april 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 11 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2007, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B.A.P.M. Achterbergh, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van het college heeft gevolgd dat hij niet is aan te merken als belanghebbende. Hij voert hiertoe aan dat voor het beoordelen van zijn belanghebbendheid niet is vereist dat hij het volle eigendom van het perceel bezit. Voorts voert [appellant] aan dat het college het besluit van 31 juli 2006 onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat het destijds niet is nagegaan of hij mede-eigenaar was.

2.2.1.    Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van het besluit van 31 juli 2006 mede-eigenaar was van percelen die grenzen aan het perceel.

Nu hij als mede-eigenaar van de aan het perceel grenzende percelen kan worden getroffen in zijn belangen door verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning, heeft de rechtbank niet onderkend dat hij op zich belanghebbende is bij dat besluit. De omstandigheid dat de eigendom van de percelen is belast met een recht van vruchtgebruik, doet er niet aan af dat zijn - voornamelijk vermogensrechtelijke - belangen als eigenaar van de percelen door het besluit van 21 maart 2006 kunnen worden geraakt.

   De rechtbank is evenwel tot het juiste oordeel gekomen dat het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 21 maart 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college heeft naar aanleiding van de mededeling in het bezwaarschrift van [appellant] dat hij mede-eigenaar is van de percelen, het openbare register dat betrekking heeft op onroerende zaken geraadpleegd (het kadaster), waaruit niet bleek dat hij als zodanig was geregistreerd. Van het college kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat het verder onderzoek had moeten doen naar de eigendomssituatie van de percelen, omdat van de juistheid van de gegevens in het kadaster mag worden uitgegaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de hem door het college geboden gelegenheid om toe te lichten waarom hij belanghebbende is en evenmin gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk     w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

313-564.