Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200701407/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een honden- en kattenpension. Dit besluit is op 14 februari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 1001511
JOM 2008/122
JM 2008/28 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701407/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oudewater,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een honden- en kattenpension. Dit besluit is op 14 februari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brieven van 26 februari  en 23 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op onderscheidenlijk dezelfde dag en 27 maart 2007, [appellanten sub 2] bij brief van 24 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2007, en [appellanten sub 3] bij brief van 28 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 mei 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het onderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellanten sub 1]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], het college en vergunninghouder hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2007, waar [appellanten sub 1], in persoon en vergezeld door mr. W. Kattouw, [appellanten sub 3], in persoon, [appellanten sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. Logtenberg, A. Rietveld-de Vast en ing. W.F. van Zinderen Bakker, werkzaam bij de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en vergezeld door [gemachtigde] en ir. R. Koster.

2.    Overwegingen

2.1.    [appellanten sub 1] stelt dat het akoestisch onderzoeksrapport van 15 februari 2006 opgesteld door WNP raadgevende ingenieurs (hierna: het akoestisch onderzoeksrapport) op onjuiste wijze ter inzage is gelegd bij het besluit omdat het akoestisch onderzoeksrapport niet is gewaarmerkt.

2.1.1.    In de Algemene wet bestuursrecht noch de Wet milieubeheer is een verplichting neergelegd op grond waarvan stukken die met het besluit ter inzage liggen moeten worden gewaarmerkt. Voor zover wordt aangevoerd dat het bestreden besluit hiermee niet op juiste wijze is bekendgemaakt, overweegt de Afdeling dat het hierbij zou gaan om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze beroepsgrond faalt.

2.2.    [appellanten sub 1] voert aan dat ten onrechte geen oprichtingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in plaats van een revisievergunning is aangevraagd, omdat de voor de inrichting geldende vergunning is komen te vervallen nu daar geen gebruik meer van is gemaakt. Bovendien betrof de inrichting waarvoor eerder vergunning is verleend een inrichting van geheel andere aard dan een dierenpension, aldus [appellanten sub 1].

2.2.1.    Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.2.2.    [appellanten sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de eerder bij besluit van 20 oktober 1988 vergunde inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning is voltooid en in werking is gebracht. Verder staat vast dat deze vergunning niet door het college is ingetrokken.

   Als een inrichting eenmaal is voltooid en in werking gebracht, kan ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer de vergunning niet meer van rechtswege vervallen. Dat nadien, daargelaten de juistheid hiervan, geen gebruik meer zou zijn gemaakt van de vergunning van 20 oktober 1988 betekent dan ook niet dat deze is komen te vervallen.

   Het feit dat een eerder verleende vergunning betrekking heeft op een andersoortige inrichting betekent niet dat thans een oprichtingsvergunning had moeten worden verlangd. De systematiek van de Wet milieubeheer, en in het bijzonder artikel 8.4 daarvan, verzet zich niet tegen het verlenen van een revisievergunning indien de inrichting van geheel andere aard is dan de inrichting waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft. Het bevoegd gezag dient in een dergelijk geval de aanvraag te beoordelen als ware het een oprichtingssituatie. Uit het besluit blijkt dat het college de aanvraag heeft beoordeeld als ware het een oprichtingssituatie, zodat deze beroepsgrond, nog daargelaten de vraag of moet worden gesproken van een inrichting van geheel andere aard, faalt.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    [appellanten sub 3] voert aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving en dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Tevens vrezen [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] voor waardevermindering van de woning.

2.4.1.    Deze gronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en falen reeds om die reden.

2.5.    De gronden van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] over het handhavingsbeleid en de grond van [appellanten sub 1] over het ontwerp van het besluit inzake de bestemmingsplanprocedure, hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kunnen om die reden niet slagen.

2.6.    [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] stellen dat niet wordt voldaan aan de minimum afstand van 100 meter tussen de inrichting en woningen van derden zoals is bepaald in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering".

2.6.1.    De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" bevat - zoals in die brochure ook staat aangegeven - geen normen voor de beoordeling van de aanvraag om krachtens de Wet milieubeheer een vergunning te verlenen. Hetgeen in deze brochure is vermeld, is dan ook niet van betekenis voor het onderhavige geding.

2.7.    Voor zover [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, volgt uit het stelsel van de Wet milieubeheer dat het bevoegde gezag gehouden is op de grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond faalt.

2.8.    Voor zover [appellanten sub 1] aanvoert dat de vergunning nooit zou mogen overgaan naar een ander dan de huidige vergunninghouder moet worden vastgesteld dat gelet op artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer een voor een inrichting verleende vergunning niet persoonsgebonden is, maar gebonden is aan de locatie en geldt voor een ieder die de inrichting drijft. De beroepsgrond faalt.

2.9.    [appellanten sub 1] vreest visuele hinder van de geluidwallen.

2.9.1.    De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.10.    [appellanten sub 1], [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] vrezen geluidhinder van de inrichting als gevolg van met name hondengeblaf. In beroep voeren zij hiertoe concreet het volgende aan. In het kader van de toereikendheid voeren [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] aan dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het piekgeluid te hoog zijn. [appellanten sub 1], [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] voeren voorts aan dat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Volgens [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] is het akoestisch onderzoeksrapport, dat bij de aanvraag is gevoegd en deel uitmaakt van het besluit, ten onrechte in opdracht van vergunninghouder en niet in opdracht van het college uitgevoerd. Hierdoor is er volgens hen geen sprake van een onafhankelijk onderzoek. Verder voeren [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] aan dat het akoestisch onderzoeksrapport op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Volgens hen is het gehanteerde bronvermogen voor blaffende honden en de blaftijd onjuist. Volgens [appellanten sub 1] is de straffactor voor tonaal/impulsvormig geluid eveneens onjuist toegepast nu deze alleen is toegepast op het geblaf van honden. Voorts zijn de luiken in de gevel van de stallen en het blaffen van honden bij aankomst en vertrek en in de ontvangstruimte ten onrechte niet in beschouwing genomen, aldus [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2]. Ook betwijfelen zij of de uitgangspunten die in het akoestisch onderzoeksrapport gehanteerd zijn voor de isolatiewaarden van daken en wanden juist zijn en of met de te plaatsen geluidschermen daadwerkelijk aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Tot slot is volgens [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] de bevoorrading ten onrechte niet beperkt tot de openingstijden van de inrichting.

2.10.1.    Voor de beoordeling van geluidhinder heeft het college de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   Wat de feitelijke geluidbelasting van de inrichting betreft is het college uitgegaan van het akoestisch onderzoeksrapport. Volgens het akoestisch onderzoeksrapport zijn de in de voorschriften opgenomen grenswaarden naleefbaar.

2.10.2.    De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college heeft de gestelde grenswaarden dan ook in redelijkheid toereikend kunnen achten.

   Het enkele feit dat het akoestisch onderzoeksrapport is opgesteld in opdracht van vergunninghouder geeft geen indicatie voor gebrek aan objectiviteit. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college voornoemd rapport in zoverre ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Voor zover [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] vrezen voor geluidoverlast in hun tuin, overweegt de Afdeling, zoals eerder is overwogen in haar uitspraak van 1 december 2004, in zaak no. 200307297/1 (M en R 2005/5, nr. 51), dat een tuin geen geluidgevoelig object is dat in aanmerking komt voor bescherming tegen geluidhinder.

   In het akoestisch onderzoeksrapport is uitgegaan van een bronvermogen van blaffende honden van 107,2 dB(A) en een blaftijd van 5 %. Gezien de aangevraagde - en vergunde - bedrijfsvoering acht de Afdeling aannemelijk dat het in het akoestisch onderzoeksrapport gehanteerde bronvermogen en de blaftijd representatief zijn voor deze inrichting. Wat de straffactor betreft leidt het toepassen van de strafcorrectie van 5 dB(A), voor zover dat in dit geval al zou moeten, op de - naast het hondengeblaf - overige geluidbronnen volgens een door verweerder uitgevoerde berekening niet tot een hogere geluidbelasting dan de gestelde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode. Volgens een eveneens door verweerder uitgevoerde berekening kan, voor zover bij aankomst en vertrek geblaf van honden aan de orde is, aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. Volgens het akoestisch onderzoeksrapport wordt met het plaatsen van geluidschermen voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Van onjuistheid van deze conclusies is niet gebleken. Voorts is niet gebleken dat geblaf van honden in de ontvangstruimte tot overschrijding van de gestelde geluidgrenswaarden leidt. Voor zover de gehanteerde absorptiewaarden van de geluidschermen en de isolatiewaarden van daken en wanden worden betwijfeld moet worden vastgesteld dat deze als zodanig zijn aangevraagd en vergund. Dit betreft een kwestie van handhaving. Het plaatsen van luiken in de gevel van de stallen is niet aangevraagd en vergund, zodat dit niet bij het akoestisch onderzoek betrokken hoefde te worden. Wat de bevoorrading betreft, blijkt uit het akoestisch onderzoeksrapport dat de vergunde met de bevoorrading gepaard gaande vervoersbewegingen, ook buiten de openingstijden, niet leiden tot overschrijding van de gestelde geluidgrenswaarden.

   Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. De beroepsgronden falen derhalve.

2.11.    [appellanten sub 3] vreest voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting.

2.11.1.    Volgens het akoestisch onderzoeksrapport voldoet de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting, voor zover dit aan de inrichting kan worden toegerekend, aan de door verweerder tot uitgangspunt genomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Van onjuistheid van deze conclusie is niet gebleken. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting niet behoeft te worden gevreesd. Deze beroepsgrond faalt.

2.12.    De beroepen zijn ongegrond.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen     w.g. Van Leeuwen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

373-541.