Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200703062/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2006 heeft de gemeenteraad van Uitgeest het bestemmingsplan "Buitengebied Assum-Weeg" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703062/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2006 heeft de gemeenteraad van Uitgeest het bestemmingsplan "Buitengebied Assum-Weeg" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 maart 2007, kenmerk 2007-9267, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellant sub 1 bij brief van 26 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2007, en appellant sub 2 bij brief van 27 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2007, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. A.J.P. Schram, [appellant sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door D. Westerwal, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Uitgeest, vertegenwoordigd door W.A.M. Admiraal, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woningen met tuinen en erven" voor zijn perceel dat is gelegen tussen [locatie 1] en [locatie 2]. Door verweerder is betoogd dat [appellant sub 1] in zijn zienswijze de aan zijn perceel gegeven tuinbestemming heeft bestreden met uitzondering van de op de plankaart ingetekende schuur. Nu het beroep van [appellant sub 1] zich voornamelijk richt tegen de aan de schuur gegeven bestemming, dient dat beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus verweerder.

   De Afdeling kan verweerder hierin niet volgen. [appellant sub 1] heeft zich van meet af aan verzet tegen de in het plan aan zijn gehele perceel toegekende bestemming. Een voorbehoud ten aanzien van de schuur heeft hij daarbij niet gemaakt. Het betoog van verweerder mist derhalve feitelijke grondslag.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het standpunt van [appellant sub 1]

2.3.    Volgens [appellant sub 1] heeft het perceel dat is gelegen tussen [locatie 1] en [locatie 2] ten onrechte geen bouwvlak voor een woning gekregen. Doordat zijn perceel niet van bebouwingsmogelijkheden is voorzien, is een reëel gebruik ten behoeve van de woonbestemming niet mogelijk, en daarmee is deze bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant sub 1]. Daarnaast betoogt hij dat verweerder ten onrechte bij de goedkeuring van het plan voorbij is gegaan aan de door hem op dit perceel uitgeoefende hoveniersactiviteiten, ten behoeve van waarvan in 2005 door middel van toepassing van artikel 19 van de WRO een bouwvergunning voor een schuur en een uitritvergunning is verleend. Deze bedrijfsactiviteit en bedrijfsbebouwing hadden positief bestemd moeten worden. Tenslotte stelt hij dat, gelet op de korte afdoening van zijn zienswijze en bedenkingen, verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder acht dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening noch in strijd met het recht. Hij stelt zich op het standpunt dat, gelet op de doelstellingen van het plan, terecht geen woonbebouwing is toegestaan op het betreffende perceel. Wat betreft de hoveniersactiviteiten ter plaatse heeft verweerder zich geconformeerd aan het standpunt van de gemeenteraad, inhoudende dat gezien de open structuur van het gebied verdichting ter plaatse en met name vestiging van een bedrijf aldaar niet gewenst is. Ter zitting is nog naar voren gebracht dat ter zake tot handhaving is overgegaan, zij het dat daarover nog een procedure gaande is.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Het plan is conserverend van aard en heeft onder meer als doel het handhaven van het karakteristieke beeld van Assum/Weeg. Beeldbepalende elementen zijn, aldus de plantoelichting, de openheid van het gebied en de doorzichten op het achterland; op open plekken met doorzichten mag dan ook niet worden gebouwd.

   Gegeven dit, niet onaanvaardbaar te achten, uitgangspunt, alsmede in aanmerking genomen dat ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] sprake is van een open gebied met doorzicht, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad gehouden was om ook aan het perceel tussen [locatie 1] en [locatie 2] een bouwvlak voor een woning toe te kennen. Dat gebruik van dit perceel overeenkomstig de bestemming "Wonen met tuinen en erven" niet mogelijk is, ziet de Afdeling, mede gelet op de ligging van het perceel naast een tweetal woningen, niet in.

   Ten aanzien van het bezwaar van [appellant sub 1] tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.6.    Ten aanzien van het betoog dat de bedrijfsactiviteiten en bedrijfsbebouwing van [appellant sub 1] positief bestemd hadden moeten worden, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant sub 1] heeft het perceel in 2004 gekocht en in gebruik genomen ten behoeve van zijn hoveniersbedrijf. Op 18 juli 2005 is met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van de schuur. Bij de aanvraag voor de bouwvergunning is door [appellant sub 1] vermeld dat deze schuur gebruikt wordt voor agrarische doeleinden en dat deze na de verbouwing ook als zodanig gebruikt zou worden.

   Het plandeel had onder het aan het plan voorafgaande bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied, klasse I". De hoveniersactiviteiten van [appellant sub 1] passen niet binnen deze bestemming. In het oude bestemmingsplan is een gebruiksverbod opgenomen ten aanzien van met de bestemming strijdig gebruik van bouwwerken en onbebouwde grond. Dientengevolge hoefde met de hoveniersactiviteiten niet zonder meer rekening te worden gehouden bij de planvaststelling. Gelet op het hiervoor overwogene en het belang dat de raad hecht aan handhaving van het karakter van de omgeving kan niet staande worden gehouden dat verweerder het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten dan wel dat in de belangen van [appellant sub 1] om de bestemming van het perceel om te zetten in de door hem gewenste niet-agrarische bedrijfbestemming, aanleiding had moeten worden gevonden om af te wijken van het gevoerde gemeentelijk en provinciaal beleid. Het betoog van [appellant sub 1] faalt.    

Het standpunt van [appellant sub 2]  

2.7.    [appellant sub 2] voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuinen" voor het perceel ten oosten van [locatie 3]. Volgens [appellant sub 2] heeft verweerder ten onrechte daarbij miskend dat deze bestemming uitsluit dat ter plaatse woningen mogen worden gebouwd. Hij voert hiertoe aan dat het aan dit perceel toekennen van een woonbestemming past binnen het beleid van de provincie inzake Intensiveren, Combineren en Transformeren (hierna: het ICT-beleid). Daarnaast stelt hij dat het belang van open doorzichten ter plaatse is vervallen door de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk "Waldijk".

Het standpunt van het gemeentebestuur en verweerder

2.8.        Het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest heeft uiteengezet dat ten aanzien van Assum, een eeuwenoude landelijke buurtschap met verspreide woning- en boerderijbebouwing, een terughoudend beleid met betrekking tot woningbouw wordt gevoerd, met name aan de noordzijde. Om de openheid en het karakter van Assum te handhaven en te accentueren, is een strook van 50 meter breed tussen Assum en de nieuwbouwwijk "Waldijk" vrij van bebouwing gehouden en is de bestaande bebouwing aan de noordzijde van Assum positief bestemd, maar zijn geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen. Binnen de gemeente Uitgeest wordt conform het ICT-beleid op diverse locaties gebouwd op zogenoemde inbreidinglocaties, maar per geval wordt bezien of bebouwing gewenst is. Op de onderhavige locatie is dat, gezien de ligging, niet wenselijk. Verweerder heeft bij dat standpunt aansluiting gezocht.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel ten oosten van [locatie 3]. In het plan is aan dit perceel de bestemming "Tuinen" toegekend. Voor een gedeelte van dit perceel is de aanduiding "Buitenbak" opgenomen. Ten noorden van dit perceel is de nieuwbouwwijk "Waldijk" in ontwikkeling.

   De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met de weigering van het gemeentebestuur om op het perceel van [appellant sub 2] woningbouw mogelijk te maken. Niet valt in te zien dat de belangen van [appellant sub 2] bij bebouwing van zijn perceel zwaarder moeten wegen dan het door het gemeentebestuur en verweerder nagestreefde behoud van het karakter van Assum en de nog resterende openheid ten opzichte van en afstand tot de nieuwbouwwijk "Waldijk". Evenmin valt in te zien dat de afweging om ter plaatse niet over te gaan tot inbreiding, strijdig is met het ICT-beleid.

Conclusie    

2.10.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn mitsdien ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting     w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

45-486.