Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200703298/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venhuizen (thans: Drechterland; hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de verbouw en uitbreiding van een café met woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/897
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703298/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Drechterland,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nrs. WW44 06/1542 en 06/1701 van de rechtbank Alkmaar van 23 maart 2007 in het geding tussen:

[verweerder sub 1], [verweerder sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.  Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venhuizen (thans: Drechterland; hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de verbouw en uitbreiding van een café met woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 april 2006, voor zover thans van belang, heeft het college het daartegen door [verweerder sub 2] en anderen (hierna: [verweerder sub 2] e.a.) en [verweerder sub 1] gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard, ontheffing verleend en de vrijstelling en bouwvergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 maart 2007, verzonden op 30 maart 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de daartegen door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] e.a. ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2006 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 10 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juni 2007 hebben [verweerder sub 2] e.a. een reactie ingediend.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft [verweerder sub 1] dat gedaan.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken van het college ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2007, waar het college, vertegenwoordigd door T.J.M. Rood, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn daar [verweerder sub 1], bijgestaan door mr. C. Lubben, [verweerder sub 2] e.a., vertegenwoordigd door [verweerder sub 2], en mr. J.J. de Boer, advocaat te Hoorn en [vergunninghouder], gehoord.

2.  Overwegingen

2.1.  Op het perceel bevindt zich een gebouw met daarin een woning, een café en een zaal. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een aanbouw aan de zij- en achterkant van dit gebouw met daarin onder meer een entree, een garderobe, een biertank, toiletten, een berging, een kleedkamer en een podium. Voorts wordt volgens het plan een keuken geplaatst en de muur tussen het café en de zaalruimte door een schuifwand vervangen. De krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vrijstelling is nodig om bouwvergunning voor het realiseren van het platte dak van de aanbouw te kunnen verlenen.

 Niet in geschil is dat het bouwplan om voor vergunningverlening in aanmerking te kunnen komen in dertig parkeerplaatsen moet voorzien, waarvan drie voor personeel en zevenentwintig voor bezoekers. Ten behoeve van deze 27 parkeerplaatsen, die niet op het perceel kunnen worden gerealiseerd, heeft het college ontheffing van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Venhuizen (hierna: de bouwverordening) verleend.

2.2.  Ingevolge die bepaling moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

 Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kan het college daarvan ontheffing verlenen.

2.3.  Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de parkeerplaatsen op het eigen terrein niet meegerekend mogen worden nu die niet geschikt zijn, omdat niet vrij in- en uitgereden kan worden, heeft miskend dat deze parkeerplaatsen bedoeld zijn voor het personeel en voorts heeft miskend dat de uitgevoerde steekproef voor het oordeel dat in de omgeving van het café in voldoende parkeerruimte kan worden voorzien voldoende grondslag biedt.

2.4.  Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat met de drie parkeerplaatsen op eigen terrein van het café geen rekening mocht houden, omdat die ongeschikt zijn. Op het perceel resteert na uitvoering van het bouwplan een strook grond, waarop, naar niet in geschil is, ruimte is voor het parkeren van drie auto's. Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat deze strook door het personeel daarvoor ook in feite kan worden benut. Voor het parkeren van drie auto's van het personeel was dan ook geen ontheffing nodig.

 Voorts heeft het college onderzocht of buiten het eigen terrein in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Uit een door een ambtenaar van de gemeente naar het parkeerplaatsgebruik ter plaatse uitgevoerd onderzoek mocht het college afleiden dat in de omgeving van het café ten minste zevenentwintig parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor bezoekers. Dit onderzoek is verricht op dagen en tijdstippen waarop gewoonlijk veel bewoners in de omgeving thuis zijn en de feestzaal van het café niet in gebruik was. Het in beroep aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek niet op zodanige wijze is verricht, dat de bevindingen ervan aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mochten worden. Het uitgangspunt van het college dat uit de omstandigheid dat aan de Torenweg geen parkeerverbod geldt, mag worden afgeleid dat de verkeersveiligheid zich niet tegen parkeren aldaar verzet, is niet onjuist. In hetgeen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] e.a. in beroep hebben aangevoerd, is voorts geen grond te vinden voor het oordeel dat het college in dit geval niet in redelijkheid zonder nader onderzoek aan dat uitgangspunt heeft kunnen vasthouden. Het in beroep aangevoerde geeft evenmin grond voor het oordeel dat het college er niet van uit heeft mogen gaan dat bezoekers bereid zullen zijn om de 130 m tussen het perceel en de parkeerplaatsen te voet af te leggen.

2.5.  Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] e.a. ingestelde beroepen tegen het besluit van 25 april 2006 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.6.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.  Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.  verklaart het hoger beroep gegrond;

II.  vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 maart 2007 in de zaken nrs. WW44 06/1542 en 06/1701;

III.  verklaart de bij de rechtbank Alkmaar in die zaken door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] en anderen ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb  w.g. Van Heusden

Voorzitter  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

163-430.