Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200704823/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder geweigerd om ontheffing te verlenen voor het verbranden van gerooid hout en snoeihout op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704823/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Neerijnen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder geweigerd om ontheffing te verlenen voor het verbranden van gerooid hout en snoeihout op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 5 juni 2007, verzonden op 7 juni 2007, heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door N.A. van de Wetering, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

   Ingevolge artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft.

2.2.    Bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing is de notitie "Resthout beheerst verbranden - beleid van de gemeenten in regio Rivierenland voor het verbranden van resthout in de open lucht" van toepassing. Op 1 juli 2006 is de in genoemde notitie opgenomen beleidsregel resthout met beleid verbranden in werking getreden. Van deze beleidsregel zijn de volgende artikelen van belang:

Artikel 2.     Gerooid hout

1. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid hout met uitzondering van stamhout met een doorsnede van meer dan 25cm;

2. Aan een ontheffing voor het verbranden van gerooid hout zijn voorschriften verbonden.

Artikel 3.         Onderhoud van cultuurlandschappen en erfbeplanting 1. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van maximaal 30 m³ snoeihout dat ontstaat bij het onderhoud van cultuurlandschappen en erfbeplanting;

2. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3, lid 1, wordt alleen verleend indien er geen hoogwaardigere verwerkingsmogelijkheid is, zoals opstapelen van houtwallen, versnipperen of verklepelen;

3. Aan een ontheffing voor het verbranden van snoeihout zijn voorschriften verbonden.

Artikel 4.        Boomziekten

1. Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van ziek hout;

2. Een ontheffing wordt alleen verleend indien er sprake is van een besmettelijke boomziekte;

3. Aan een ontheffing voor het verbranden van ziek hout zijn voorschriften verbonden.

Artikel 5.        Andere gevallen

Het college verleent in principe geen ontheffing in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2, artikel 3 en artikel 4 van deze Beleidsregel.

2.3.    Appellant stelt dat een bij pruimenbomen voorkomende besmettelijke ziekte zoals loodglans onmiddellijk verstoken van het snoeihout vereist om besmetting van andere bomen te voorkomen. Versnipperen en verklepelen van het snoeihout behoort niet tot de mogelijkheden. Appellant heeft bij het invullen van het in algemene zin gestelde aanvraagformulier op 3 september 2006 aan deze ziekte geen aandacht besteed omdat hij bij verweerder, gezien het grote aantal fruittelers in de gemeente, bekendheid met deze ziekte veronderstelde. Appellant vraagt zich tot slot af wat de zin is van het maken van bezwaar wanneer door hem in die fase aangevoerde nieuwe feiten toch niet tot heroverweging kunnen leiden.

2.3.1.    Verweerder is bij het nemen van het bestreden besluit afgeweken van het advies van de bezwarencommissie, dat ertoe strekte het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit van 4 oktober 2006 te herroepen, en heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan de beleidsregel "Resthout beheerst verbranden" en vastgesteld dat de aanvraag voor ontheffing niet aan de in deze beleidsregel opgenomen criteria voldeed. Op basis van het door appellant ingevulde aanvraagformulier was het volgens verweerder niet vanzelfsprekend dat het verzoek snoeihout betrof dat preventief verstookt had moeten worden om besmetting met loodglans te voorkomen.

2.3.2.    Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het primaire besluit plaats.

   Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing op bezwaar wordt vermeld.

   Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op de stellingen van appellant in de bezwaarschriftprocedure dat, omdat het pruimenbomen betreft, de kans op loodglans groot is en dat in dat verband er geen hoogwaardiger verwerkingsmogelijkheid dan verbranding is. Het feit dat in de aanvraag niet de achterliggende reden van het verzoek tot het verbranden van snoeihout is vermeld, laat onverlet dat verweerder, gelet op artikel 7:11 in samenhang met artikel 7:12 van de Awb, in het bestreden besluit had dienen in te gaan op hetgeen appellant in dit verband in de bezwaarschriftprocedure heeft aangevoerd. Nu verweerder dit heeft nagelaten, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met vorenbedoelde artikelen is genomen.

2.4.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Neerijnen van 5 juni 2007, kenmerk uit2007\2646;

III.    gelast dat de gemeente Neerijnen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma     w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

255-209.