Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200700545/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2005 heeft de bestuurscommissie van de Openbare Scholengemeenschap Sevenwolden (hierna: de bestuurscommissie) de toentertijd minderjarige zoon van [appellanten], [zoon] van school verwijderd.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700545/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/890 van de rechtbank Leeuwarden van 7 december 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

de bestuurscommissie van de Openbare Scholengemeenschap Sevenwolden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2005 heeft de bestuurscommissie van de Openbare Scholengemeenschap Sevenwolden (hierna: de bestuurscommissie) de toentertijd minderjarige zoon van [appellanten], [zoon] van school verwijderd.

Bij besluit van 15 februari 2006 heeft de bestuurscommissie het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2006, verzonden op 8 december 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de bestuurscommissie van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2007, waar [appellanten] en [zoon], in persoon en bijgestaan door mr. C.H. van Beek, juridisch adviseur, en de bestuurscommissie, vertegenwoordigd door mr. H. van der Heide, advocaat te Utrecht, en S.A.J. Haverkamp en G. Buitinck, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO), voor zover hier van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor elke soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorschriften omtrent verwijdering worden vastgesteld.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag besluiten tot definitieve verwijdering van een leerling nadat deze en, indien de leerling nog niet de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, ook diens ouders, voogden of verzorgers, in de gelegenheid is onderscheidenlijk zijn gesteld hierover te worden gehoord.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Inrichtingsbesluit WVO worden de besluiten tot weigering van de toelating van een kandidaat-leerling of tot definitieve verwijdering van een leerling schriftelijk en met opgave van redenen aan de leerling en, indien deze nog niet de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt, ook aan diens ouders, voogden of verzorgers, bekendgemaakt, waarbij tevens de inhoud van het tweede lid wordt vermeld.

2.1.1.    Volgens artikel 17, aanhef, van het Leerlingenstatuut van OSG Sevenwolden (hierna: het Leerlingenstatuut) dient de basis van handelen van iedereen in de OSG Sevenwolden te zijn respect voor de ander, zowel waar het gaat om geestelijk en lichamelijk welbevinden als om de bezittingen. Daaruit volgt vanzelfsprekend dat ten opzichte van anderen geen overlast mag worden veroorzaakt, dat pesten, intimideren en dergelijke, op welke wijze ook, niet kan.

   Volgens artikel 19, eerste lid, van het Leerlingenstatuut kunnen tegen handelingen van de leerlingen in strijd met de voorschriften die binnen de school gelden disciplinaire maatregelen worden getroffen.

   Volgens het tweede lid van dit artikel moet er een zeker verband bestaan tussen de aard van de opgelegde straf en de overtreding waarvoor deze straf wordt opgelegd. Ook moet er een redelijke verhouding bestaan tussen de zwaarte van de straf en de overtreding.

   Volgens het derde lid van dit artikel kunnen de volgende straffen aan leerlingen worden opgelegd:

•    […]

•    definitieve verwijdering.

Volgens artikel 21, negende lid, van het Leerlingenstatuut zijn algemene gronden voor definitieve verwijdering

•    bij herhaling de voorschriften van de school overtreden;

•    zich schuldig maken aan ernstig wangedrag.

2.2.    Appellanten betogen in hoofdzaak dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de bestuurscommissie alleen [zoon] van school heeft verwijderd, terwijl ook andere leerlingen van de school zich schuldig hebben gemaakt aan dezelfde gedragingen en [zoon], anders dan de bestuurscommissie meent, niet de leider van deze groep jongeren was. Aldus heeft de bestuurscommissie [zoon] niet gelijk behandeld.

2.2.1.    In aanmerking genomen de door [appellanten] niet betwiste en inmiddels bij vonnis van 14 december 2006 van de kinderrechter in het arrondissement Leeuwarden bewezen verklaarde gedragingen van [zoon] die waren gericht tegen docenten en/of medewerkers van de Openbare Scholengemeenschap Sevenwolden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat bestuurscommissie zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [zoon] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag als bedoeld in artikel 21, negende lid, van het Leerlingenstatuut.

2.2.2.    De bestuurscommissie heeft [zoon] vanwege voormelde feiten van de Openbare Scholengemeenschap Sevenwolden verwijderd in het licht van aanvaringen in het verleden tussen [zoon] en zijn voormalige mentor [naam mentor]. Ter zitting heeft de bestuurscommissie nader toegelicht dat met alle jongeren die wangedrag hebben getoond en die op dezelfde locatie van de scholengemeenschap zaten gesprekken zijn gevoerd. De jongeren die les hebben gehad van [naam mentor] zijn bestraft, juist omdat het wangedrag jegens haar aldus aan de school en haar personeel was gerelateerd. De bestuurscommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat [zoon], vanwege de eerdere aanvaringen tussen hem en [naam mentor], zich in het bijzonder rekenschap diende te geven van de mogelijke impact van zijn wangedrag en heeft hem om die reden als enige van de jongeren van school verwijderd en ten aanzien van de anderen volstaan met een berisping.

2.2.3.    Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 6 december 2005, dat is opgemaakt op basis van gesprekken die kort na de inverzekeringstelling van [zoon] hebben plaatsgevonden, blijkt dat [zoon] heeft verklaard dat hij al geruime tijd niet op goede voet stond met zijn voormalige mentor [naam mentor], omdat zij ervoor heeft gezorgd dat hij van de Havo is afgegaan. Voorts heeft hij verklaard dat het feit dat hij en zijn mentor niet door één deur konden heeft bijgedragen aan de telefoonterreur. Blijkens hetzelfde rapport heeft [appellant B] aan de raad verklaard dat wat het delict betreft het om oud zeer gaat van twee jaar geleden. De bestuurscommissie heeft, deze verklaringen in aanmerking genomen, aannemelijk kunnen achten dat bij [zoon] wrok of rancune jegens mevrouw Droog mede een rol hebben gespeeld en heeft [zoon] om die reden zijn wangedragingen zwaarder mogen aanrekenen dan zij die wangedragingen aan de andere jongeren heeft aangerekend, zodat het betoog van [appellanten] dat de bestuurscommissie [zoon] ten onrechte en in strijd met het gelijkheidsbeginsel zwaarder heeft gestraft dan de overige jongens niet slaagt. Nu [zoon] bovendien, nadat hem bekend was gemaakt dat hij van school was verwijderd, zich schuldig heeft gemaakt aan onbetamelijk taalgebruik jegens een medewerkster van de kantine, bestond ten tijde van de beslissing op bezwaar te minder reden om terug te komen van deze verwijdering.

2.2.4.    De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de bestuurscommissie in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid [zoon] van school te verwijderen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak     w.g. Poot

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

362.