Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200702615/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2006 heeft verweerder aan appellante twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder op grond van de Wet milieubeheer verleende vergunning drijven van een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 40 met annotatie van Redactie
M en R 2008, 12K
Milieurecht Totaal 2007/2087
JB 2008/27
JOM 2008/140
JOM 2008/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702615/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2006 heeft verweerder aan appellante twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder op grond van de Wet milieubeheer verleende vergunning drijven van een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder beslist op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door W.A.W. van de Borne en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door S. de Groot, A.W. Adriaanse en W.A.J.M. Michels, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de Stichting Leefbaar De Heen, vertegenwoordigd door prof. dr. C.A.M. Schepers en het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen, vertegenwoordigd door C. Franken.

2.    Overwegingen

2.1.    Vaststaat dat de varkenshouderij ten tijde van het nemen van de besluiten van 3 november 2006 en 6 maart 2007 in werking was zonder dat een daarvoor krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning gold. Gelet hierop werd artikel 8.1 van de Wet milieubeheer overtreden, zodat verweerder bevoegd was om ter zake handhavend op te treden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.1.    Appellante betoogt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhaving. In dit verband voert zij aan dat er een concreet uitzicht op legalisatie bestaat en dat handhaving in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

2.2.2.    De Voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 21 juni 2007, in zaak no. 200702615/2, naar aanleiding van een verzoek van appellante om ten aanzien van het thans bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, overwogen dat ten tijde van het bestreden besluit geen concreet uitzicht op legalisatie bestond en dat niet is gebleken van mededelingen of gedragingen van de zijde van verweerder waaraan appellante het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat niet tot handhaving zou worden overgegaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans een ander standpunt in te nemen en verwijst voor de motivering van dat standpunt naar genoemde uitspraak.

2.3.    Verder betoogt appellante dat de termijnen gedurende welke zij de lasten kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (hierna: de begunstigingstermijnen) ten onrechte zijn begonnen in een periode dat het bestreden besluit was geschorst.

2.3.1.    In het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat het dwangsombesluit van 3 november 2006 gehandhaafd blijft, met dien verstande dat - kort weergegeven - in afwijking van de in dat primaire besluit opgenomen begunstigingstermijnen binnen zes weken na de verzenddatum van de beslissing op bezwaar de aanvoer van varkens moet worden beëindigd en binnen vier maanden na deze verzenddatum de inrichting dient te worden gesloten.

2.3.2.    Bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 10 januari 2007, in zaak no. 200608216/1 is het besluit van 3 november 2006 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist. Bij de eerdergenoemde uitspraak van 21 juni 2007 heeft de Voorzitter het verzoek van appellante om het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot de beslissing op bezwaar afgewezen, zodat het besluit van 3 november 2006 tot 21 juni 2007 was geschorst.

2.3.3.    Blijkens het bestreden besluit achtte verweerder het aangewezen de begunstigingstermijnen voor de bij het primaire besluit opgelegde lasten te wijzigen. De aanvangsdatum van de aldus vastgestelde begunstigingstermijnen - en wat de begunstigingstermijn van zes weken betreft ook de afloopdatum - vallen echter in de periode waarin het primaire besluit waarbij de lasten zijn opgelegd was geschorst als gevolg van de uitspraak van de Voorzitter van 10 januari 2007.

   Uit artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een begunstigingstermijn betrekking moet hebben op een periode waarin uitvoering moet worden gegeven aan een last. Het is immers ingevolge dit artikellid de termijn waarbinnen een last kan worden uitgevoerd zonder verbeurte van een dwangsom. Nu bij het bestreden besluit begunstigingstermijnen zijn gesteld waarvan er één geheel en de ander deels betrekking heeft op een periode waarin het besluit waarbij de lasten zijn opgelegd vanwege de uitspraak van de Voorzitter van 10 januari 2007 niet in werking was, zodat aan geen last uitvoering behoefde te worden gegeven, is dit besluit in strijd met artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt gedeeltelijk voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De Afdeling ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 6 maart 2007, kenmerk 1266324/SdG, voor zover het de in dit besluit gestelde begunstigingstermijnen betreft;

III.    draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen op het bezwaar en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 3 november 2006 van meet af aan is geschorst tot zes weken na verzending van het nieuw te nemen besluit op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek uitspraak is gedaan;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,33 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma     w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

262-517.