Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200703140/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Beheersmaatschappij Johema B.V." (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfspand aan de Minckelersstraat 1 te Landgraaf (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703140/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Merakal B.V.", gevestigd te Landgraaf,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Praxis Doe-Het-Zelf-Center B.V.", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/699 en 06/703 van de rechtbank Maastricht van 26 maart 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Beheersmaatschappij Johema B.V." (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfspand aan de Minckelersstraat 1 te Landgraaf (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 31 januari 2006 heeft het college de door appellanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellante sub 1 bij brief, die op 3 mei 2007 bij de Raad van State is ingekomen, en appellante sub 2 bij brief, die op 4 mei 2007 bij de Raad van State is ingekomen, hoger beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 30 mei 2007. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 18 juli 2007 heeft vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2007, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. A. Tailleur en M. Bruggen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van de Schraaff, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord vergunninghoudster, in de personen van M. van Cranenbroek en

J. Aalders, bijgestaan door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op het oprichten van een bedrijf dat - gelet op het grote assortiment apparatuur, gereedschappen en andere producten ten behoeve van tuinaanleg en onderhoud - moet worden gekwalificeerd als een doe-het-zelf-bedrijf. Ter zitting van de Afdeling hebben het college en vergunninghoudster bevestigd dat de bouwvergunning is aangevraagd en verleend met het oog op de vestiging van een bouwmarkt in doe-het-zelf-artikelen.

2.2.    Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

   Ingevolge artikel 56a, tweede lid, mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d en e, van de Woningwet mag alleen en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien - zakelijk weergegeven - het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan de gemeentelijke bouwverordening, het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan, het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 is vereist en deze niet is verleend.

2.3.    Op grond van het bestemmingsplan "Industrieterrein Strijthagen uitwerking industriële doeleinden 3" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Industriële doeleinden 3".

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor niet hinderwetplichtige bedrijven en/of bedrijven die zijn opgenomen in de categorieën 1 tot en met 4 van de staat van inrichtingen welke als bijlage 1 is toegevoegd aan deze voorschriften, alsmede voor verkeersdoeleinden ten behoeve van de ontsluiting van bedrijfsterreinen met de bij de bestemming behorende voorzieningen.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder o, van artikel 5 is detailhandel niet toegestaan met uitzondering van volumineuze goederen zoals auto's, caravans, boten.

   In de staat van inrichtingen is onder SBI-code 66.15 detailhandel in bouwmaterialen, onderverdeeld in verf(waren) en doe-het-zelf opgenomen.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

   Daartoe voert appellante sub 1 in de eerste plaats aan dat het bedrijf geen inrichting is die voorkomt in de categorieën 1 tot en met 4 van de staat van inrichtingen. Voorts voldoet het bedrijf niet aan de in de staat van inrichting onder de SBI-code 66.15 vervatte definitie van detailhandel in doe-het-zelf, aldus appellante sub 1.

2.4.1.    Het college heeft zich in zijn beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het bedrijf is aan te merken als "detailhandel in doe-het-zelf". Nu dit begrip niet nader in de planvoorschriften is gedefinieerd, heeft het college daartoe aansluiting gezocht bij de definitie die het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (hierna: het HBD) voor doe-het-zelf-bedrijven hanteert.

   In hetgeen appellante sub 1 betoogt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college hierbij niet heeft mogen aansluiten. In dit verband is van belang dat de toelichting bij de in de staat van inrichtingen vervatte codes, waarnaar appellante sub 1 verwijst, dateert van na de vaststelling van het bestemmingsplan. Bovendien zijn de door het HBD gehanteerde definities voor branches van detailhandel gekoppeld aan SBI-codes.

   Voorts is niet betwist dat het bedrijf voldoet aan de door het HBD gehanteerde definitie van doe-het-zelf-bedrijven en acht van de negen productcategorieën in het assortiment zal hebben die volgens het HBD een doe-het-zelf-bedrijf karakteriseren. Dat het accent binnen het assortiment van doe-het-zelf-producten van vergunninghoudster ligt op doe-het-zelf producten ten behoeve van de tuin, betekent, anders dan appellante sub 1 betoogt, niet dan geen sprake is van een doe-het-zelf-bedrijf in vorenvermelde zin.

   De rechtbank is derhalve met juistheid tot de conclusie gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf een inrichting is die voorkomt in de categorieën 1 tot en met 4 van de bij het bestemmingsplan behorende staat van inrichtingen. Nu hiervan sprake is, behoeft het betoog van appellante sub 1 dat het bedrijf hinderwetplichtig is, geen bespreking.

2.4.2.    Voor zover appellante sub 2 betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich in de door haar bestreden beslissing op bezwaar ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf kan worden aangemerkt als een warenhuis in de zin van de staat van inrichtingen, ziet zij eraan voorbij dat dit een subsidiair ingenomen standpunt van het college betreft. Nu uit het onder 2.4.1 overwogene volgt dat het college zich met juistheid op het primaire standpunt heeft gesteld, behoeft het betoog ten aanzien van het subsidiair ingenomen standpunt geen bespreking.

2.4.3.    Voorts betogen appellanten dat het voorgenomen gebruik in strijd is met artikel 5, tweede lid, aanhef en onder o, van de planvoorschriften, nu het niet gaat om detailhandel in volumineuze goederen. Appellanten verwijzen daartoe naar een door Goudappel Coffeng B.V. opgestelde inventarisatie van het assortiment van het bedrijf van 23 april 2007, volgens welke het aandeel niet-volumineuze goederen op het totaal van het assortiment 10 % bedraagt.

2.4.3.1.    Het betoog slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich in zijn beslissing op bezwaar, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2005, in zaak no. 200407372/1 (www.raadvanstate.nl), terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf dient te worden aangemerkt als detailhandel in volumineuze goederen, omdat het assortiment naar haar aard en omvang voor de uitstalling een relatief groot oppervlak nodig heeft.

   Derhalve heeft de rechtbank evenzeer met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voorgenomen gebruik in overeenstemming is met artikel 5, tweede lid, aanhef en onder o, van de planvoorschriften. In dit verband is van belang dat het college uit de bouwaanvraag mocht begrijpen dat deze zag op de oprichting van een bedrijf voor detailhandel in volumineuze goederen. Dat de aanvraag niet van een inrichtingsplan vergezeld ging, geeft geen grond voor een ander oordeel, nu ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet bij de beoordeling van een bouwaanvraag slechts de stedenbouwkundige aspecten van de gemeentelijke bouwverordening ter toets staan. Voorts bedraagt volgens de door Goudappel Coffeng B.V. opgestelde inventarisatie het aandeel volumineuze goederen op het totaal van het assortiment van het bedrijf 90% en zal, zoals vergunninghouder ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd, in de onderhavige vestiging van het bedrijf een basisassortiment in volumineuze goederen worden gevoerd. Appellanten hebben niet betwist dat volumineuze goederen deel uitmaken van het assortiment van het bedrijf. De enkele stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat in een reguliere bouwmarkt, onderscheidenlijk een doe-het-zelf-bedrijf, slechts voor een zeer beperkt gedeelte een assortiment wordt gevoerd dat als volumineus kan worden aangemerkt, is daartoe onvoldoende.

2.5.    Tot slot betoogt appellante sub 2 dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen bouwvergunning kon verlenen omdat realisering naar haar mening een verdere duurzame ontwrichting van de bestaande distributiestructuur tot gevolg zal hebben.

2.5.1.    Zoals onder 2.2 overwogen, dient het college, gelet op artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, uitsluitend te beoordelen of zich voor de bouwvergunning een van de in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van die wet opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dit niet het geval is, moet de bouwvergunning worden verleend. Nu hetgeen door appellante sub 2 is betoogd geen weigeringsgrond als bedoeld in voormeld artikel is, faalt haar betoog.

   Voor zover appellante sub 2 in dit verband nog wijst op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, in zaak no. 200405920/1 (BR 2006, p. 1077), kan dat haar niet baten, reeds omdat in die uitspraak geen besluit tot verlening van een bouwvergunning op grond van artikel 44 van de Woningwet, maar een besluit tot goedkeuring van een bestemmingsplan ter toetsing voorlag.

2.6.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump     w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

328-476.