Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200702139/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2005 heeft appellant aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dirck III B.V. (hierna: Dirck) wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 1.800,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 11 met annotatie van L.J.J. Rogier
Module Horeca 2007/773
ABkort 2008/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702139/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, gevestigd te 's-Gravenhage,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/4853 van de rechtbank Haarlem van 20 februari 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Dirck III B.V.",

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2005 heeft appellant aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dirck III B.V. (hierna: Dirck) wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 1.800,00.

Bij besluit van 20 april 2006 heeft appellant het door Dirck daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2007, verzonden op 22 februari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het besluit van appellant van 16 september 2005 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 april 2007 heeft Dirck van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.F.C. Kleine Deters, werkzaam bij de Voedsel en Waren autoriteit, is verschenen.

Voorts is als belanghebbende gehoord Dirck, vertegenwoordigd door mr. drs. S.A.P. van den Berg, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

   Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, van dit artikel blijft de vaststelling, bedoeld in het tweede lid, achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

   Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de DHW kan de minister ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen een boete opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.

   Ingevolge artikel 2 van het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet (hierna: het Besluit DHW) bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag voor in de bijlage omschreven overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de DHW, de hoogte van de boete die opgelegd kan worden.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit DHW in samenhang met de bijlage bij het Besluit DHW bedraagt de boete voor de rechtspersoon die op de dag waarop artikel 20, tweede lid, van de DHW is overtreden vijftig of meer werknemers telde: € 1.800,00.

2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat de in het proces-verbaal opgemaakte bevindingen, zeker als het, zoals in het onderhavige geval, niet gaat om waarnemingen maar om inschattingen, deugdelijk moeten zijn gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het proces-verbaal daar in dit geval niet aan met betrekking tot de bevinding dat niet is voldaan aan het onmiskenbaarheidsvereiste. Nu artikel 20, vierde lid, van de DHW dit vereiste als uitgangspunt hanteert en niet de vaststelling van de leeftijd, kan het gegeven dat de jongen en het meisje aan de controleambtenaren hebben verklaard 17 en 16 jaar oud te zijn, in deze geen rol spelen.

2.3.    Appellant heeft onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis betoogd dat de rechtbank hiermee de bedoeling van de wetgever heeft miskend, waardoor het besluit is getoetst aan een onjuist toetsingskader. De aangevallen uitspraak is onzorgvuldig waar de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het proces-verbaal niet is gemotiveerd waarop de schatting van de leeftijd is gebaseerd, aldus appellant. Volgens appellant gaat de rechtbank ten onrechte voorbij aan het feit dat de twee betreffende klanten hebben verklaard 17 en 16 jaar oud te zijn. Ten slotte is appellant van mening dat de rechtbank op een onjuiste rechtsgrond het besluit op bezwaar heeft vernietigd.

2.3.1.    De Afdeling is, gelet op artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de DHW, van oordeel dat uitgangspunt van de aan de orde zijnde regeling is dat de leeftijd moet worden vastgesteld voordat tot bedrijfsmatig of anders dan om niet tot verstrekking van sterke drank mag worden overgegaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan, ingevolge het vierde lid, eerste volzin, worden gemaakt indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. Het woord onmiskenbaar houdt, blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997-1998, 25 969, nr. 3, blz. 28) in dat overduidelijk moet zijn dat die persoon de vereiste leeftijd heeft bereikt.

   Voor het antwoord op de vraag of artikel 20, tweede lid, van de DHW is overtreden mag het bestuursorgaan zich baseren op ter zake opgemaakte processen-verbaal van de controleambtenaren. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van het op ambtseed/belofte opgemaakte proces-verbaal. Dit sluit betwisting daarvan in rechte niet uit.

   In het op 27 juni 2005 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal hebben de controleambtenaren vermeld dat zij op 15 april 2005 in een slijterij van Dirck zagen en hoorden dat aan een jongen en een meisje een gesloten fles sterke drank werd verstrekt zonder dat hun leeftijd werd vastgesteld en dat zij zagen dat deze jongen en meisje niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt. Zij maakten dit onder meer op uit uiterlijke kenmerken als het gedrag, de kleding, het uiterlijk en het gelaat van de jongen en het meisje. Desgevraagd heeft de jongen hen een legitimatiebewijs laten zien waaruit bleek dat hij 17 jaar oud was en verklaarde het meisje 16 jaar oud te zijn.

   De Afdeling is van oordeel dat in het proces-verbaal aldus duidelijk is vastgelegd wat de controleambtenaren hebben waargenomen en dat zij de overtreding van artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de DHW hebben vastgesteld. Voorts is in het proces-verbaal op voldoende wijze aangegeven waarop de constatering van de controleambtenaren dat de jongen en het meisje niet onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt is gebaseerd. De juistheid hiervan wordt bevestigd door het legitimatiebewijs van de jongen en de verklaring van het meisje over hun leeftijd en is door Dirck niet betwist. Voorts heeft Dirck niet betwist dat hun leeftijd niet is vastgesteld voordat hen sterke drank werd verstrekt. De Afdeling kan de rechtbank niet volgen in haar overwegingen dat het proces-verbaal tekortschiet en onvoldoende ingang biedt om de bevindingen te betwisten. Anders dan door Dirck betoogd, acht de Afdeling vermelding in het proces-verbaal van de identiteitsgegevens of een foto van de jongen en het meisje daarvoor niet noodzakelijk.

   In hetgeen Dirck heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat appellant in dit geval de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal in twijfel had moeten trekken en het niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen.

   Voor zover Dirck met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verwezen naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 13 maart 2007, in zaak no. AWB 06/418, 11100, is de Afdeling van oordeel dat deze grond niet kan slagen, reeds omdat Dirck, in tegenstelling tot de betrokkene in de uitspraak waarnaar wordt verwezen, de juistheid en betrouwbaarheid van de bevindingen, waaraan de waarnemingen van de controleambtenaren ten grondslag liggen, niet heeft betwist.

   Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat door Dirck in strijd met artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de DHW aan de jongen en het meisje sterke drank is verstrekt zonder dat hun leeftijd is vastgesteld, terwijl zij niet onmiskenbaar 18 jaar oud waren.

2.3.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling een oordeel geven over de resterende beroepsgrond die door Dirck in eerste aanleg is aangevoerd.

2.4.    Dirck heeft met een beroep op afwezigheid van alle schuld aangevoerd dat haar, gelet op de uitgebreide instructies die zij aan het winkelpersoneel heeft gegeven, geen enkel verwijt treft.

2.4.1.    Afwezigheid van alle schuld kan slechts worden aangenomen indien redelijkerwijs aan de betrokkene geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het bewezen verklaarde. De door Dirck getroffen maatregelen, inhoudende onder meer dat het winkelpersoneel aan de hand van een DVD-campagne wordt geïnstrueerd, zijn kennelijk onvoldoende nu haar personeel het uitgangspunt van artikel 20, tweede lid, eerste volzin, van de DHW in het onderhavige geval heeft genegeerd. De situatie dat aan Dirck geen enkel verwijt kan worden gemaakt, doet zich dan ook niet voor.

2.4.2.    Op grond van het vorenoverwogene moet het beroep tegen het besluit van 20 april 2006 van appellant alsnog ongegrond worden verklaard.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 februari 2007 in zaak no. AWB 06/4853;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens     w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

290.