Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9435

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200701673/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een stalen damwand ter vervanging van een bestaande damwand, op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701673/1.

Datum uitspraak:  5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/1432 en 06/1430 en 06/1431 van de rechtbank Zwolle van 25 januari 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een stalen damwand ter vervanging van een bestaande damwand, op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van eveneens 22 december 2005 heeft het college aan vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een stalen damwand ter vervanging van een bestaande damwand, op het perceel.

Bij besluiten van 10 mei 2006 heeft het college de door appellanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 januari 2007, verzonden op 31 januari 2007, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn op 24 september 2007 nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2007, waar [appellant A] en [appellant B] en het college vertegenwoordigd door mr. M.A. Boender en ir. E de Vos, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door H. Krans.

2.    Overwegingen

2.1.    De bouwvergunningen hebben betrekking op het plaatsen in twee delen van een stalen damwand op het perceel, in de Koeluchterhank, aan de linkeroever van de IJssel. Op het tijdstip waarop de vergunningen zijn aangevraagd was de damwand reeds geplaatst. De damwand is deels gelegen binnen gronden waarop, ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uiterwaarden", de bestemming "Woonschepenhaven" rust en deels binnen gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden". Voor beide gronden geldt tevens de dubbelbestemming "Waterstaatkundige doeleinden".

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bouwvergunningen heeft verleend in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat het daadwerkelijk beoogd gebruik in strijd met het bestemmingsplan is.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 13 juli 2005 in zaak no. 200409527/1 (www.raadvanstate.nl), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk na uitvoering van de werkzaamheden overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin het bestemmingsplan voorziet.

2.3.1.    Uit de aanvragen om bouwvergunning blijkt dat de bouwvergunningen zijn verzocht om een woonboot aan te meren en ter voorkoming van afkalving van de oever. Niet aannemelijk is geworden dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat geen gebruik is beoogd dat in strijd is met de op het perceel rustende bestemmingen.

2.3.2.    De rechtbank heeft met betrekking tot het deel van de damwand dat is gelegen binnen de bestemming "Woonschepenhaven" terecht geoordeeld dat het bouwwerk wat vorm noch functie betreft in strijd is met artikel 14, onderdeel A, van de planvoorschriften, dat bepaalt dat de gronden op de kaart aangewezen voor "Woonschepenhaven" bestemd zijn voor ligplaatsen voor woonboten, met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en erven. De omstandigheid dat aan vergunninghoudster geen ligplaatsvergunning is verleend speelt bij de toetsing aan het bestemmingsplan geen rol. Ook ten aanzien van het deel van de damwand dat is gelegen binnen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde" heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de damwand binnen de dubbelbestemming "Waterstaatkundige doeleinden" past aangezien deze dient ter voorkoming van afkalving van de oever. Anders dan appellanten betogen volgt uit de planvoorschriften niet dat daadwerkelijk sprake van afkalving dient te zijn voordat een damwand kan worden geplaatst.

2.4.    Appellanten betogen dat nooit is gereageerd op de brief van [appellant A] aan de welstandscommissie het Oversticht (hierna de welstandscommissie), zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen tegenadvies hebben ingebracht. In deze brief heeft [appellant A] aandacht gevraagd voor de ligging van het perceel in een landschappelijk waardevol gebied. Hoewel, zoals door het college ter zitting is erkend, de brief als zodanig niet bij de besluitvorming is betrokken, is niet gebleken dat de welstandscommissie bij de totstandkoming van haar advies geen rekening heeft gehouden met de natuurlijke en landschappelijk waarden van het perceel. Voorts staat vast dat appellanten geen deskundig tegenadvies hebben ingebracht. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college bij zijn besluitvorming op het advies van de welstandscommissie mocht afgaan.

2.5.    De door appellanten aan de Afdeling tijdig voor de zitting toegezonden nadere informatie, heeft onder meer betrekking op het besluit van 10 augustus 2007 waarbij het college vergunninghoudster heeft gelast onder het opleggen van een dwangsom werkzaamheden op het perceel - te weten het ophogen van het terrein zonder daartoe vereiste aanlegvergunning van de Minister van verkeer en Waterstaat - te staken en gestaakt te houden tot een aanlegvergunning is verleend. Deze informatie heeft betrekking op een ander besluit dan de bouwvergunningen en kan daarom niet bij de beoordeling van deze zaak betrokken worden.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos     w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

17-567.