Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200701998/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Veldhoven het bestemmingsplan "Kromstraat, herziening I, herinrichting De Plaatse rondom de Gender" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701998/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Veldhoven het bestemmingsplan "Kromstraat, herziening I, herinrichting De Plaatse rondom de Gender" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 januari 2007, no. 1214025, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2007, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Veldhoven, vertegenwoordigd door R. Smits, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele bezwaren

2.2.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hiertoe voert hij onder meer aan dat de termijn bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor vaststelling van het plan is overschreden, waardoor het plan niet rechtsgeldig is vastgesteld. Volgens appellant heeft verweerder ten onrechte na de termijnoverschrijding geen toepassing gegeven aan artikel 40b van de WRO door over te gaan tot herziening van het bestemmingsplan "Kromstraat".

2.2.1.    De Afdeling overweegt dat het plan mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30 van de WRO. Ingevolge artikel 40b, eerste lid, tweede volzin, van de WRO, voor zover hier van belang, blijft de gemeenteraad na een onthouding van goedkeuring aan een bestemmingsplan ook na het verstrijken van de termijn tot herziening van een plan als bedoeld in artikel 30 van de WRO nog bevoegd tot herziening, zolang geen kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van een door gedeputeerde staten vastgestelde herziening van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. Aangezien deze terinzagelegging niet heeft plaatsgevonden, was de gemeenteraad nog bevoegd tot vaststelling van het plan en was verweerder gehouden een besluit omtrent goedkeuring van het plan te nemen. Deze stelling slaagt niet.

2.3.    Appellant stelt voorts dat verweerder ten onrechte geen mogelijkheid heeft geboden de door appellant ingebrachte bedenkingen toe te lichten.

2.3.1.    Ten aanzien van deze stelling overweegt de Afdeling dat noch de WRO noch enige andere wettelijke bepaling een verplichting legt op verweerder om appellant in staat te stellen om zijn schriftelijk ingebrachte bedenkingen mondeling toe te lichten. Deze stelling slaagt niet.

2.4.    Appellant betoogt verder dat bij de digitalisering van bestaande bestemmingsplannen bepaalde bestemmingen rondom het nu voorliggende plan zijn aangepast, zonder dat daarvan publicatie heeft plaatsgevonden.

2.4.1.    De Afdeling overweegt dat dit betoog geen betrekking heeft op het onderhavige plan, en dat het derhalve in deze procedure niet aan de orde kan komen. Dit betoog slaagt niet.

2.5.    Appellant stelt voorts dat het plan dat aan de orde was in de procedure met betrekking tot zijn verzoek om een voorlopige voorziening voorzag in de bouw van twee woonhuizen en een appartementencomplex, terwijl het plan dat ter inzage heeft gelegen twee appartementencomplexen omvatte. Appellant verwijst in dit verband naar de bekendmaking van de gedeeltelijke goedkeuring van het plan. Hij betoogt dat het thans voorliggende plan niet de juiste procedure heeft doorlopen.

2.5.1.    De Afdeling overweegt dat zowel de plankaart als de voorschriften door de gemeenteraad van Veldhoven en door verweerder zijn gewaarmerkt. Het plan maakt op de gronden met de bestemming "Wonen" de bouw mogelijk van een appartementencomplex bestaande uit twee bouwdelen van respectievelijk twee en drie bouwlagen, waarin in totaal maximaal vijf appartementen kunnen worden gerealiseerd. De bouw van eengezinswoningen is ter plaatse niet toegestaan. Aan het feit dat in de bekendmaking van de gedeeltelijke goedkeuring van het plan door verweerder wordt gesproken over de bouw van twee appartementencomplexen komt in dit verband geen betekenis toe, nu op grond van het vorenstaande kan worden aangenomen dat daarmee wordt gedoeld op de twee bouwdelen van het in het plan voorziene appartementencomplex. Gelet daarop is niet aannemelijk geworden dat het plan niet de juiste procedure heeft doorlopen. Dit betoog slaagt niet.

Standpunt van appellant

2.6.    Appellant betoogt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2001, no. 200000117/1, betreffende het bestemmingsplan "Kromstraat", alsmede uit het beleidsplan "De gérende Gender" volgt dat in het plangebied geen woningbouw is toegestaan, maar slechts een poortgebouw met een commerciële functie. Dat het thans voorliggende plan opnieuw woningbouw ten zuiden van de Gender mogelijk maakt is daarmee niet in overeenstemming. Met de bebouwing die het plan mogelijk maakt wordt de belevingswaarde van de dorpskern op onaanvaardbare wijze geschaad. De toegestane bebouwing met een maximale nokhoogte van 13 meter past niet bij het gebouw op het naastgelegen perceel.

   Het plan biedt voorts onvoldoende zekerheid ten aanzien van de toegestane bouwmogelijkheden, omdat in het plan twee tekeningen zijn opgenomen die verschillen in de aard van de bebouwing die wordt toegestaan.

   Verder stelt appellant dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de door hem aangevoerde bedenkingen met betrekking tot de parkeerproblematiek. Daarnaast is hij van mening dat de gebiedsuitbreiding voor een meanderende Gender in strijd is met de wens van de omwonenden om de bestaande muziekkiosk op De Plaatse op te knappen.

   Voorts acht appellant het onderzoek naar de natuurwaarden in het plangebied onvoldoende zorgvuldig, omdat op 21 december is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van salamanders, terwijl deze dieren dan in winterslaap zijn. Appellant is verder van mening dat de gemeente onvoldoende onderhoud heeft verricht aan enkele monumentale bomen in het plangebied en hij heeft bezwaren tegen de zijns inziens gebrekkige werking van een bergbezinkbassin.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    De Afdeling stelt vast dat de gronden in het plangebied grotendeels bestemd zijn voor "Groenvoorzieningen", deels met de dubbelbestemming "Waterstaatkundige doeleinden". De bestemming "Groenvoorzieningen" is onder andere gericht op groen- en natuurontwikkeling en biedt de mogelijkheid de Gender te laten meanderen. Een klein gedeelte van de gronden aan de zuidoostzijde van het plangebied, aan de zijde van de Dorpstraat, is bestemd voor "Wonen" en "Verkeers- en verblijfsdoeleinden".

2.8.    In haar uitspraak van 3 oktober 2001, no. 200000117/1, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

   "2.5.4. Verder blijkt uit de aanduidingen op de plankaart dat op het terrein     twee halfvrijstaande woningen, drie meergezinswoningen (appartementengebouwen) en zes aaneengebouwde woningen zijn voorzien. De nokhoogte van deze woningen bedraagt volgens de planvoorschriften ten hoogste 10 meter. Voorts voorziet het plan in de mogelijkheid een bedrijfspand op te richten met een nokhoogte van ten hoogste 12 meter. Daarnaast heeft een deel van het terrein de bestemming "Verkeersdoeleinden" gekregen.

   2.5.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het in het geding zijnde gebied thans een natuurlijke inrichting heeft waaraan door de omgeving een hoge belevingswaarde wordt toegekend. Gelet op hetgeen ter plaatse mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de in het plan voorgestelde bebouwing de situatie ter plaatse fundamenteel wijzigt en dat de voorgestane stedelijke inrichting ten koste gaat van het huidige karakter van het gebied. De argumenten die zijn aangevoerd voor woningbouw op deze plek -  in het raadsbesluit wordt gesproken van de vorming van een vierde pleinwand, het vergroten van de sociale veiligheid, het vergroten van het draagvlak en de financiële uitvoerbaarheid - hebben de Afdeling er niet van kunnen overtuigen dat verweerders aan de voorziene nieuwbouw meer belang hadden moeten toekennen dan aan het behoud van de natuurlijke loop van de Gender en de daarmee samenhangende belevingswaarde voor het dorpscentrum.

   2.5.6. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening."

2.8.1.    Anders dan appellant stelt, kan uit voornoemde uitspraak niet worden afgeleid dat op grond van het beleidsplan "De gérende Gender" in het plangebied geen mogelijkheid voor woningbouw ten zuiden van de Gender mocht worden opgenomen, en dat verweerder slechts de bouw van een poortgebouw in redelijkheid niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening zou kunnen achten. Uit de hierboven aangehaalde overwegingen blijkt dat deze betrekking hebben op de bebouwing zoals die was voorzien in het bestemmingsplan "Kromstraat", zoals dat op 9 maart 1999 door de gemeenteraad van Veldhoven is vastgesteld. Vergeleken met de bebouwing die in dat plan was toegestaan, is onder andere de mogelijkheid voor de bouw van zes aaneengebouwde woningen komen te vervallen. Op het grootste deel van het plangebied rust nu de bestemming "Groenvoorzieningen", volgens welke bestemming woningbouw niet is toegestaan. Woningbouw is slechts mogelijk in een betrekkelijk klein deel van het plangebied, nabij de Dorpstraat, dat bestemd is voor "Wonen". Met de volgens het plan toegestane maximale nokhoogte van 13 meter voor het bouwdeel dat het dichtst bij de Dorpstraat ligt heeft de gemeenteraad in planologische zin aangesloten bij de bouwmogelijkheden voor de aanwezige horecabebouwing aan de Dorpstraat, die is gelegen naast de gronden met de bestemming "Wonen". Voor die bebouwing geldt ingevolge het voor dat perceel geldende bestemmingsplan "Kromstraat" een maximale toegestane nokhoogte van 12 meter. Of de feitelijke hoogte van de daar aanwezige bebouwing lager is, zoals appellant stelt, is daarbij - wat daar van zij - niet relevant.

   Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het plan de bebouwing afdoende wordt ingepast in het gebied en dat het plan in zoverre niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belevingswaarde van het dorpscentrum.

2.8.2.    Met betrekking tot de gestelde onduidelijkheid omtrent de aard van de toegestane bebouwing verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor onder 2.5.1 werd overwogen. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat voldoende duidelijk is welke bouwmogelijkheden het plan biedt. Hierbij is in aanmerking genomen dat uitsluitend de plankaart en de voorschriften juridisch bindende betekenis hebben. De schetsen die in de plantoelichting zijn opgenomen zijn niet bepalend voor de bouwmogelijkheden die het plan biedt, maar hebben slechts een indicatieve betekenis.

2.8.3.    Met betrekking tot de stelling van appellant dat de gebiedsuitbreiding voor een meanderende Gender in strijd is met de wens van de omwonenden om de kiosk op De Plaatse op te knappen en opnieuw te gebruiken, overweegt de Afdeling het volgende. Ingevolge het plan rust op een strook van ongeveer 2 tot ongeveer 4 meter breed aan de zuidkant van De Plaatse de bestemming "Groenvoorzieningen" met de dubbelbestemming "Waterstaatkundige voorzieningen". Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toekennen van deze bestemming aan dit deel van De Plaatse ertoe zal leiden dat het opknappen of het gebruik van de op het plein aanwezige kiosk wordt belemmerd. Overigens wordt in de toelichting bij het plan opgemerkt dat de kiosk gehandhaafd blijft, maar beter zal worden ingepast in de herinrichting. Het grootste deel van De Plaatse, waaronder het deel waar de muziekkiosk staat, ligt buiten het plangebied. Hetgeen appellant verder heeft aangevoerd over dit deel van De Plaatse kan in deze procedure niet aan de orde komen.

2.8.4.    Met betrekking tot de door appellant gestelde parkeerproblematiek overweegt de Afdeling dat het plan voor de voorziene appartementen  voldoende parkeermogelijkheden op eigen terrein biedt, en dat er daarom geen grond bestaat voor de verwachting dat de voorziene appartementen  parkeerproblemen voor de omgeving zullen opleveren. Bovendien blijkt uit de plantoelichting dat op De Plaatse voldoende parkeervoorzieningen aanwezig zijn voor de in de directe omgeving aanwezige functies, en dat het aantal parkeerplaatsen op De Plaatse bij herinrichting niet zal afnemen.

2.8.5.    Met betrekking tot het verrichte onderzoek naar de aanwezige natuurwaarden overweegt de Afdeling het volgende. Of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling op grond van de Flora- en faunawet geldt, dan wel een ontheffing op grond van die wet nodig is en, zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, kan aan de orde komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

   Deze situatie doet zich hier niet voor. Met betrekking tot de in het gebied aanwezige natuurwaarden wordt in het bestemmingsplan verwezen naar de "Quick scan flora en fauna, locatie De Plaatse rondom De Gender, gemeente Veldhoven" van IJzerman & Van Spréw v.o.f., van 11 januari 2006. Dit rapport bevat de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna in het plangebied. Uit het rapport blijkt dat het plangebied in beginsel geschikt is als leefgebied voor de alpenwatersalamander, maar dat het gebied waarschijnlijk geen belangrijke kernpopulatie van deze soort zal kunnen herbergen vanwege de geïsoleerde ligging. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de alpenwatersalamander daadwerkelijk in het plangebied voorkomt. Voorts heeft hij geen feiten of omstandigheden aangedragen die aannemelijk maken dat, voor zover een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet vereist zou zijn, deze in dit geval niet zou kunnen worden verleend.

2.9.    Het overige door appellant aangevoerde is niet planologisch-juridisch van aard of heeft geen betrekking op de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, zodat de Afdeling hieraan voorbij moet gaan.

2.10.    De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel     w.g. Oudenaarden

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

12-568.