Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200705144/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 september 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) medegedeeld geen besluit te kunnen nemen op het verzoek van [appellant] om hem, als nagelaten betrekking van een gewezen militair van het voormalig Koninklijk Nederlands Indisch Leger (hierna: KNIL), sociale voorzieningen toe te kennen zoals die golden voor militair personeel op 26 december 1949 en 24 juli 1950.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705144/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/455 en 06/6048 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij brief van 29 september 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) medegedeeld geen besluit te kunnen nemen op het verzoek van [appellant] om hem, als nagelaten betrekking van een gewezen militair van het voormalig Koninklijk Nederlands Indisch Leger (hierna: KNIL), sociale voorzieningen toe te kennen zoals die golden voor militair personeel op 26 december 1949 en 24 juli 1950.

Bij besluit van 15 november 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2007, verzonden op 6 maart 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, aldaar ingekomen op 13 april 2007, bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2007.

Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2007 heeft [appellant] bij de Raad een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Bij brief van 21 mei 2007 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 16 juli 2007 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bij brief bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2007, heeft de Raad het hoger beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening van [appellant] doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007 heeft [appellant] zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorzienig ingetrokken.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2007, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.A. van Rhijn, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter ingevolge de Militaire Ambtenarenwet 1931 (hierna: de MAW) niet bevoegd was op zijn beroep te beslissen, faalt. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juni 2006 (www.rechtspraak.nl - LJN nr.: AX8683), is vastgesteld  dat de appellanten in die zaak ter zake van het verzoek om realisatie van sociale voorzieningen of betalingen voor het militair personeel van het KNIL, geen toegang konden krijgen tot de met rechtspraak op grond van artikel 4 van de MAW belaste rechter, zijnde de rechtbank 's-Gravenhage, omdat zij, dan wel hun vaders of grootvaders als KNIL-militair niet in Nederlandse openbare militaire dienst werkzaam zijn geweest als bedoeld in artikel 1 van de MAW. Dit betekent dat, nu de grootvader van [appellant] KNIL-militair was, de voorzieningenrechter zich terecht bevoegd heeft geacht kennis te nemen van het beroep. Het betoog van [appellant] gebaseerd op artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 93, onder b, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat de minister geen gemeenschappelijk orgaan of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van laatstgenoemde wet is.

2.2.    De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

[appellant] heeft bij de minister reeds eerder een verzoek van gelijke strekking ingediend. De minister heeft [appellant] ook naar aanleiding van dat verzoek medegedeeld geen besluit te kunnen nemen op het verzoek.

Het daartegen gerichte bezwaar is door de minister niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 24 april 2006 het beroep van [appellant] tegen dat besluit op bezwaar ongegrond verklaard.

Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2003 in zaak nr. 200206882/1; AB 2003, 315), kan buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. De in de wet gegeven bepalingen voor het instellen van beroep verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen een besluit op een verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen een eerder besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in beoordelingsvrijheid, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode openstaat.

   Hieruit vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit, primair dient te onderzoeken of aan dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

   De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat [appellant] geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen en heeft het beroep dan ook terecht en op goede gronden ongegrond verklaard.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens     w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

417.