Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
200608771/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op- en overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 40 met annotatie van K.J. de Graaf
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/3480
JAF 2007/82 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2009/550
JOM 2009/549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608771/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting Buur-Hofstee/Mariahoeve", gevestigd te Alkmaar,

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op- en overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 22 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 22 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 februari 2007.

Bij brief van 21 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1 en van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2007, waar appellanten sub 2 in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Benders, ing. G.M.P.F.H. Stekhuizen en ing. E.G.A.H. Weijtmans, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. H.H.C. Neelen, drs. P.A.H.M. Driessen, A.T.H.M. Liebergts en J.F.M. Driessen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

2.1.1.    Verweerder stelt dat de beroepsgronden van appellanten grotendeels niet als zienswijze naar voren zijn gebracht.

2.1.2.    De beroepsgrond van appellante sub 1 en appellanten sub 2 over het ontbreken van een milieu-effectrapport en de beroepsgrond van appellante sub 1 met betrekking tot de aan de vergunning verbonden termijn hebben geen betrekking op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld. Artikel 6:13 staat er niet aan in de weg dat deze gronden eerst in beroep worden aangevoerd. Anders dan verweerder stelt, zijn de beroepen op deze punten ontvankelijk.

   De overige beroepsgronden van appellante sub 1 hebben betrekking op hetgeen in de zienswijze is aangevoerd. Anders dan verweerder stelt, bestaat geen grond om het beroep op de door hem genoemde onderdelen niet-ontvankelijk te verklaren.

   Appellanten sub 2 hebben zienswijzen naar voren gebracht die betrekking hebben op de besluitonderdelen geur, stof en geluid. Gelet op het voorgaande bestaat er, anders dan verweerder betoogt, geen grond om het beroep, voor zover het op deze aspecten betrekking heeft, niet-ontvankelijk te verklaren.

   Appellante sub 1 betoogt verder nog dat geen sprake is van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Met betrekking tot dit aspect heeft zij echter geen zienswijze naar voren gebracht. Appellanten sub 2 betogen dat er geen sprake is van een acceptabel lozingsniveau. Hierover hebben zij geen zienswijze naar voren gebracht. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat appellanten het vorenstaande redelijkerwijs niet kan worden verweten. De beroepen van appellanten zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Milieu-effectrapportage

2.2.    Appellanten betogen dat verweerder bij zijn beoordeling van de vraag of een milieu-effectrapport moest worden gemaakt, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het door appellante sub 1 beheerde natuurgebied en landgoed "Mariahoeve" en het beekdal achter de woningen van appellanten sub 2.

2.2.1.    Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

2.2.2.    Bij besluit van 19 april 2006 heeft verweerder bepaald dat geen milieu-effectrapport is vereist.

2.2.3.    De enkele omstandigheid dat een inrichting is gelegen in de nabijheid van een natuurgebied en een beekdal heeft niet tot gevolg dat er reeds hierom bijzondere natuurwaarden zijn waarvoor als gevolg van het in werking zijn van de inrichting belangrijke nadelige gevolgen, als bedoeld in artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen optreden. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat van dergelijke bijzondere natuurwaarden sprake is. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn als bedoeld in artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer die het opstellen van een milieu-effectrapport noodzakelijk maken. Het betoog faalt.

Looptijd vergunning

2.3.    Appellante sub 1 betoogt dat verweerder de looptijd van de gehele vergunning had moeten beperken tot ten hoogste 10 jaar en deze looptijd niet slechts had mogen stellen voor een gedeelte van de activiteiten die binnen de inrichting worden verricht.

2.3.1.    Ingevolge artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voor zover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

   Ingevolge artikel 2.2 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.17, tweede lid, van de wet, aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I, onder 28.4, onder a tot en met d en onder g, 28.5 en 28.6.

2.3.2.    De inrichting betreft gedeeltelijk een inrichting voor het opslaan en het be- en verwerken van afvalstoffen in de zin van genoemde onderdelen van categorie 28.4, onder a en c, maar ziet daar niet in hoofdzaak op. Voorts is ter zitting gebleken dat dit gedeelte van de inrichting niet zodanig met de rest van de inrichting is verweven dat het niet zonder de andere activiteiten in werking kan zijn. Gelet daarop heeft verweerder niet ten onrechte uitsluitend met betrekking tot een aantal in de vergunning omschreven activiteiten toepassing gegeven aan artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De omstandigheid dat de inrichting in de nabijheid van een natuurgebied is gelegen, zoals appellante sub 1 stelt, is voor de toepassing van die bepaling niet van belang. Het betoog van appellante sub 1 treft geen doel.

Algemeen toetsingskader

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geur

2.5.    Appellante sub 1 betoogt dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geuronderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het door haar beheerde landgoed "Mariahoeve".

2.5.1.    Vaststaat dat het landgoed op ongeveer 40 meter van de inrichting is gelegen. Appellante sub 1 zet zich in voor zieken en/of gehandicapten en stelt het landgoed in dat kader aan hen ter beschikking.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat het landgoed geen te beschermen geurgevoelig object is.

2.5.2.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de geurhinder aangesloten bij de Nederlandse emissierichtlijn lucht (Infomil 2006; hierna: de NeR) en zich bij de bepaling van de geurhinder gebaseerd op het bij de aanvraag behorende door PRA Odournet B.V. verricht geuronderzoek van mei 2006. Uit dat onderzoek kan worden opgemaakt dat ter plaatse van een klein gedeelte van het terrein van "Mariahoeve" een geuremmissie zal optreden van meer dan 6 ge/m³ als 98 percentiel. Blijkens het deskundigenbericht is daarbij echter uitgegaan van een te hoge geuremissie als gevolg van de vergisting van mest, nu deze emissie in werkelijkheid door de wijze waarop de mest wordt opgeslagen en verwerkt, niet relevant is. Gelet daarop en in aanmerking nemende dat het terrein waar volgens het onderzoek een hoge geurbelasting zal kunnen worden waargenomen slechts een klein gedeelte van het terrein van appellante sub 1 betreft en aannemelijk is dat het verblijf van bezoekers op dat gedeelte van korte duur is, is de Afdeling van oordeel, voor zover al aangenomen zou moeten worden dat het terrein een geurgevoelig object is, dat de in verband met de geurhinder aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn uit een oogpunt van het voorkomen dan wel in voldoende mate beperken van geurhinder op het landgoed. De beroepsgrond faalt.

Luchtverontreiniging

2.6.    Appellante sub 1 vreest voor hinder ten gevolge van de uitstoot van ammoniak en de depositie van stikstof op het landgoed "Mariahoeve". Appellanten sub 2 vrezen voor hun gezondheid als gevolg van de uitstoot van (gevaarlijke) stoffen en allergenen en voor stofoverlast.

2.6.1.    Verweerder heeft de emissies van stoffen getoetst aan de NeR, de Handreiking (co-)vergisting van mest en het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B. Bij de bepaling van de uitstoot van zwevende deeltjes (PM10) en van stikstofoxide (NOx) heeft verweerder zich gebaseerd op de bij de aanvraag behorende rapportages van PRA Odournet B.V. van mei 2006.

2.6.2.    Ten aanzien van de emissie van ammoniak heeft verweerder overwogen dat de ruimtelucht nog restanten NH3 kan bevatten, maar dat deze ruimtelucht wordt gebruikt als verbrandingslucht voor de biogasmotor van de WKK-installatie, waarbij NH3 grotendeels wordt omgezet in NOx en water. Omdat de emissie van NH3 lager zal zijn dan de grensmassastroom van 150 g/uur als vermeld in de NeR, heeft verweerder geen eis opgenomen voor de emissie van deze component door de biogasmotor. Voorts is het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.2 opgenomen ter beperking van eventueel vrijkomende ammoniak als gevolg van onverhoopt te beperkte capaciteit van de biogasmotor om alle afgezogen lucht, die ammoniak kan bevatten, te benutten als verbrandingslucht.

   Mede gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat de stelling van verweerder dat bij het vergisten van de mest geen relevante emissie van ammoniak zal plaatsvinden, juist is. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn uit een oogpunt van het voorkomen dan wel in voldoende mate beperken van hinder door de uitstoot van ammoniak. Het betoog van appellanten slaagt in zoverre niet.

2.6.3.    Voorts is niet aannemelijk geworden dat de ingevolge de artikelen 15 en 20, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: BLK 2005) geldende grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) niet kunnen worden nageleefd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de in voorschrift 2.7.1 bedoelde machines, die nader in de rapportage van Odournet, nr. SCMR05T6, zijn aangeduid, zijn voorzien van een roetfilter, waardoor de emissie sterk wordt gereduceerd. Deze machines zijn als zodanig in de berekeningen van Odournet betrokken. Aan de beantwoording van de door verweerder opgeworpen vraag of het terrein dat door vergunninghoudster wordt gebruikt voor agrarische doeleinden een arbeidsplaats is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het BLK 2005 wordt daarom niet toegekomen.

2.6.4.    Gezien de overwegingen 2.6.3 en 2.6.4 en het deskundigenrapport is niet aannemelijk dat de inrichting gezondheidsrisico's ter plaatse van de woning van appellanten sub 2 zal veroorzaken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals zij eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2003 in zaak no. 200201436/1, bij de vergunningverlening geen rekening hoeft te worden gehouden met mogelijke hinder die een omwonende ondervindt als gevolg van een bijzondere gevoeligheid voor de vergunde activiteiten. Het betoog van appellanten sub 2 slaagt in zoverre derhalve niet.

2.6.5.    Ten aanzien van de vrees voor stofoverlast overweegt de Afdeling het volgende. In voorschrift 2.6.5 is bepaald dat bij de opslag van bevochtigbare stuifgevoelige vaste stoffen (categorie S4) en bij nauwelijks stuifgevoelige vaste stoffen (categorie S5):

a. de vakken waarin de stoffen worden opgeslagen aan ten minste drie zijden dienen te zijn omgeven door keerwanden of een gelijkwaardige voorziening; de opgeslagen stoffen in deze vakken mogen niet boven deze keerwanden uitkomen, of

b. de stoffen volledig dienen te zijn afgedekt en te zijn beschermd tegen opwaaien, of

c. de stoffen dienen te worden bevochtigd met water en dust-foam.

   Volgens het deskundigenrapport volstaat in ieder geval het enkel afdekken van de stoffen, waartoe het voorschrift de mogelijkheid biedt, niet om stofoverlast tegen te gaan. Verweerder heeft dit ter zitting erkend. Verweerder heeft zich daarom niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 2.6.5 toereikende bescherming biedt tegen stofhinder. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Het beroep van appellanten sub 2 treft in zoverre doel.

Geluid

2.7.    Appellanten vrezen voor geluidhinder. Appellante sub 1 betoogt dat verweerder bij de beoordeling van de geluidhinder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het landgoed "Mariahoeve". Voorts betoogt zij dat verweerder de te ondervinden hinder van het wegverkeer op een afstand van meer dan 300 m ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten en dat van onjuiste gegevens met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan. Ook richt het betoog zich tegen voorschrift 8.1.1.

   Appellanten sub 2 kunnen zich niet verenigen met de in de voorschriften 3.1.1 en 3.3.1 opgenomen geluidgrenswaarden voor hun woning aan [locatie 2], omdat in de daaraan ten grondslag gelegde geluidonderzoeken de geluidbelasting ter plaatse van hun woning niet goed is gemeten. Bovendien heeft verweerder volgens hen bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hun perceel in een stiltegebied ligt. Voorts betogen zij dat verweerder heeft miskend dat het houden van veilingen, in verband waarmee in voorschrift 3.1.2 een overschrijding van de in voorschrift 3.1.1 opgenomen grenswaarden is vergund, in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast richten zij zich tegen de in voorschrift 3.5.2 voorgeschreven waarneemhoogte. Ook zijn zij van mening dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met tonaal geluid. Zij betogen verder dat niet wordt voldaan aan voorschrift 1.1.1, waarin is voorgeschreven dat de inrichting slechts in werking mag zijn van 7.00 - 19.00 uur. Voorts wordt volgens appellanten sub 2 niet voldaan aan de volgens hen in de aanvraag weergegeven geluidbelasting van maximaal 8 uur per dag.

2.7.1.    Het perceel van appellanten sub 2 bevindt zich niet in een stiltegebied in de zin van de Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant. Het betoog mist feitelijke grondslag.

2.7.2.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder voorschriften aan de vergunning verbonden. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidhinder de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. Voor de beoordeling van de geluidhinder die wordt veroorzaakt door verkeersbewegingen van en naar de inrichting heeft verweerder aangesloten bij de circulaire inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire). Voor de bepaling van de geluidbelasting heeft verweerder zich gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde onderzoek van K&M akoestisch adviseurs van 11 november 2005 en op een aanvullend onderzoek van verweerder van 26 januari 2006 wat de woningen aan de Biesputten betreft. Voor de bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid heeft verweerder aangesloten bij een rapport van januari 2000.

2.7.3.    In Hoofdstuk 4 van de Handreiking worden voor verschillende typen omgevingen richtwaarden aanbevolen voor het equivalente geluidniveau. Verweerder heeft de inrichting aangemerkt als een bestaande inrichting. Voor bestaande inrichtingen als de onderhavige is volgens de Handreiking overschrijding van de richtwaarden mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum van 55 dB(A) etmaalwaarde kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

   Verweerder heeft de Handreiking bij het vaststellen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aldus toegepast dat hij aansluiting heeft gezocht bij het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Verweerder heeft zich bij de bepaling van het referentieniveau gebaseerd op metingen die in 2000 zijn verricht ten behoeve van het vaststellen van het referentieniveau ter plaatse van de woningen aan de Pastoor P. Thijssenlaan 39, 74, 76, 78 en 80 en op metingen die in 2005 zijn verricht ten behoeve van het vaststellen van de geluidimmissie ter plaatse van de woningen aan de Biesputten. Gelet op de nadere memorie van verweerder van 6 september 2007, waarin is gesteld dat de inrichting ruimschoots meer dan 5% van de tijd niet hoorbaar is, te weten 4 uur gedurende de dagperiode, is de Afdeling niet aannemelijk geworden dat het referentieniveau niet op de juiste wijze zou zijn bepaald.

   Gezien de kosten van het realiseren van een geluidwal heeft verweerder ter plaatse van een aantal woningen een overschrijding van het heersende referentieniveau in de avond- en nachtperiode mogelijk geacht. Daarbij heeft verweerder tevens betrokken dat bij de dichtstbijzijnde woningen de in de Handreiking genoemde grenswaarde van 50 dB(A) op de gevel en de binnenwaarde van 35 dB(A) niet worden overschreden.

   In hetgeen appellanten sub 1 en sub 2 hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in voorschrift 3.1.1 niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

   De in voorschrift 3.1.2 van de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft ook deze geluidgrenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.7.4.    Wat de geluidhinder voor de bezoekers van het landgoed "de Mariahoeve" betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens bijlage 5 van het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek van 15 november 2005 bedraagt de geluidbelasting slechts op een klein gedeelte van het terrein "Mariahoeve" meer dan 45 dB(A). Gelet daarop en op de omstandigheid dat aannemelijk is dat op dat gedeelte van het terrein sprake zal zijn van slechts kortdurend verblijf van bezoekers kan, zo al moet worden aangenomen dat het terrein een geluidgevoelig object is, niet worden geoordeeld dat ter plaatse sprake is van ontoelaatbare geluidhinder. Het betoog van appellante sub 1 slaagt daarom in zoverre niet.

2.7.5.    In voorschrift 3.3.1 zijn voor een aantal beoordelingspunten grenswaarden gesteld voor het equivalente geluidniveau veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak no. 200604950/1 kunnen de gevolgen voor het milieu van af- en aanrijdend (vracht)verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit laatste is het geval op het moment dat het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarvan sprake is op een afstand van 300 meter van de inrichting. De hinder die van verkeer op een afstand van meer dan 300 meter wordt ondervonden kan derhalve niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend.

   Er bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de hinder als gevolg van de te verwachten verkeersbewegingen tot op een afstand van 300 meter zich niet in redelijkheid op de in de aanvraag neergelegde gegevens heeft kunnen baseren. Niet is aannemelijk gemaakt dat deze gegevens een onderschatting van de werkelijke situatie geven. Het betoog van appellanten sub 1 en sub 2 geeft derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 3.3.1 niet toereikend is uit een oogpunt van het voorkomen dan wel in voldoende mate beperken van hinder veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting.

   Verder heeft verweerder in redelijkheid voorschrift 8.1.1, waarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat vergunninghoudster uiterlijk één jaar na het in werking treden van de vergunning een plan dient voor te leggen waarin is aangegeven op welke wijze door haar toedoen het aantal vervoersbewegingen van en naar de inrichting kan worden gereduceerd, aan de vergunning kunnen verbinden. Het betreft een voorschrift als bedoeld in artikel 8.13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de gevraagde vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen zonder te beschikken over dit plan. De enkele omstandigheid dat het een na het moment van het bestreden besluit te ondernemen actie betreft, is daarvoor niet voldoende.

2.7.6.    Uit de omstandigheid dat de puinrecyclingsinstallatie en de shovel/graafmachine volgens het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van 15 november 2005 gedurende 8 uur per dag tussen 7.00 en 19.00 uur in bedrijf zijn, kan niet worden afgeleid dat in de inrichting gedurende 4 uur per dag geen geluidbelasting mag worden veroorzaakt. Hierin is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn uit een oogpunt van het voorkomen dan wel in voldoende mate beperken van geluidhinder. Het betoog van appellanten sub 2 treft in zoverre geen doel.

2.7.7.    In voorschrift 3.5.2 is bepaald, voor zover hier van belang, dat de waarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus in de dagperiode gelden op een waarneemhoogte van 1,50 meter en in de avond- en nachtperiode op een waarneemhoogte van 4,50 meter boven het maaiveld ter plaatse van het immissiepunt.

   In paragraaf 5.6 van de Handreiking wordt aanbevolen om bij een standaard eengezinswoning in de dagperiode op een hoogte van 1,50 meter boven het maaiveld te meten. Voor de avond- en nachtperiode wordt een hoogte van 5 meter aanbevolen, ter bescherming van slaapruimten. Bij bungalows, zoals de woning van appellanten sub 2, kan volgens de Handreiking worden volstaan met een beoordelingshoogte van 1,50 meter in zowel de dag-, avond- als nachtperiode.

   Gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat op een hoogte van 1,50 meter over het algemeen genomen minder geluidbelasting wordt gemeten, dan op een hoogte van 4,50 meter. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat voorschrift 3.5.2 uit een oogpunt van het voorkomen dan wel in voldoende mate beperken van geluidhinder ter plaatse van de woning van appellanten sub 2 niet toereikend is. Het betoog van appellanten sub 2 treft geen doel.

2.7.8.    Met betrekking tot het betoog van appellanten sub 2 dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met tonaal geluid, overweegt de Afdeling het volgende.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er geen machines aangevraagd en vergund die tonaal geluid veroorzaken. Voorts is door vergunninghoudster gesteld dat er organisatorische maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat vrachtwagens achteruit dienen te rijden.    

Bovendien is in voorschrift 3.4.6 bepaald, voor zover hier van belang, dat akoestische signaleringen zodanig dienen te zijn afgesteld dat er geen bijdrage is aan de in voorschrift 3.1.1 opgenomen waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

   Gelet op het vorenstaande mag tonaal geluid binnen de inrichting niet voorkomen. Indien de inrichting niet overeenkomstig de aanvraag en de aan de vergunning verbonden voorschriften in werking is, zal dit door middel van handhavend optreden kunnen worden afgedwongen. Op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning heeft dit geen betrekking. Dat geldt evenzeer voor het betoog dat voorschrift 1.1.1, waarin is bepaald dat de inrichting slechts in werking mag zijn van 7.00 tot 19.00 uur, niet wordt nageleefd. Het betoog van appellanten sub 2 treft daarom in zoverre geen doel.

   Voorts heeft het betoog van appellanten sub 2 dat in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan veilingen worden georganiseerd geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en slaagt daarom evenmin.

Externe veiligheid

2.8.    Appellante sub 1 betoogt tevergeefs dat verweerder bij de beoordeling van het aspect externe veiligheid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het terrein van "Mariahoeve", dat op een afstand van 40 meter van de inrichting is gesitueerd.

   Volgens verweerder ligt de 10-6-risicocontour bij de inrichting op minder dan 35 meter afstand. Niet aannemelijk is geworden dat dit standpunt onjuist is. Verweerder heeft zich daarom in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de aanvraag en in de voorschriften opgenomen maatregelen die zien op de externe veiligheid toereikend zijn ter bescherming van de omgeving.

Conclusie

2.9.    Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 1 deels niet-ontvankelijk is en voor het overige ongegrond. Het beroep van appellante sub 2 is deels niet-ontvankelijk, deels gegrond en voor het overige ongegrond.

2.10.    Ten aanzien van appellante sub 1 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van appellanten sub 2 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk voor zover het betreft de grond inzake het doelmatig beheer van afvalstoffen;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het betreft de grond inzake het lozingsniveau;

III.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 deels gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 9 november 2006, kenmerk 1238895, voor zover dit voorschrift 2.6.5 betreft;

V.    draagt verweerder op binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 voor het overige ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 36,73 (zegge: zesendertig euro en drieënzeventig cent); het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd     w.g. Heijerman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

255-378.