Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB7257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
200707113/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / ongewenstverklaring / gezinsleven / lichter middel

Gelet op het voorgaande, is in het door de vreemdeling in beroep aangevoerde geen grond te vinden voor het oordeel dat er bijzondere feiten of omstandigheden zijn, op basis waarvan de nadelige gevolgen van de bewaring onevenredig zijn in verhouding tot het met de bewaring te dienen doel. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bewaring in het geval van de vreemdeling een te zwaar middel is. [..] Aangezien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris het met de bewaring te dienen doel met een minder ingrijpend middel dan bewaring had kunnen bereiken, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet met een lichter middel kan worden volstaan. [..] In dit geval is de inmenging in het door de vreemdeling gestelde gezinsleven met zijn partner en broer gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde dat ermee is gediend te voorkomen dat hij zich aan de uitzetting zal onttrekken. In het in beroep aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat de staatssecretaris het belang van de openbare orde, gezien de onder 2.1.2 vermelde gronden van de bewaring, niet heeft mogen laten prevaleren boven het persoonlijk belang van de vreemdeling bij het gezinsleven met zijn partner en broer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707113/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/35942 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 8 oktober 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de opheffing van de bewaring bevolen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Met de eerste grief komt de staatssecretaris op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vreemdelingenbewaring in het geval van de vreemdeling een te zwaar middel is. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling sinds februari 1999 in Nederland verblijft, dat hij zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken en dat de ongewenstverklaring uitsluitend berust op misdrijven die hij in Afghanistan zou hebben gepleegd en niet op zijn gedrag in Nederland. Voorts heeft de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de vreemdeling er belang bij heeft zijn momenteel stilliggende eenmanszaak te kunnen voortzetten en zich in vrijheid op de procedure tegen de ongewenstverklaring te kunnen voorbereiden.

Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank met dat oordeel de betekenis van de ongewenstverklaring en de ernst van de door de vreemdeling gepleegde misdrijven miskend. Voorts betoogt hij dat, voor zover thans van belang, zij heeft miskend dat de vreemdeling nooit op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en derhalve geen rechtens te respecteren belangen aan het voeren van zijn bedrijf kan ontlenen.

2.1.1. Bij besluit van 27 juli 2007 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de vreemdeling in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard, omdat - samengevat weergegeven - er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat de vreemdeling zich in het land van herkomst schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967.

Op het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris nog niet beslist.

2.1.2. Volgens het besluit van 14 september 2007 wordt de maatregel van bewaring gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken, op de gronden dat hij geen identiteitsdocument heeft, ongewenst is verklaard, zich niet aan de vertrektermijn heeft gehouden en van het plegen van een misdrijf wordt verdacht.

2.1.3. In beroep heeft de vreemdeling deze gronden, die in onderlinge samenhang bezien het vermoeden rechtvaardigen dat hij zich aan de uitzetting zal onttrekken, niet betwist. Dat brengt met zich dat het aan de vreemdeling was om dat vermoeden te weerleggen. Daarin is hij in beroep niet geslaagd. Dat de vreemdeling zich tijdens zijn jarenlange verblijf in Nederland nooit aan het toezicht heeft onttrokken en de ongewenstverklaring niet berust op misdrijven die hij in Nederland heeft gepleegd, betekent niet dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor uitzetting beschikbaar zal zijn, zodra deze daadwerkelijk in zicht komt.

Voorts heeft de vreemdeling zijn bedrijf, een pizzeria, overgenomen, terwijl hij geen verblijfsvergunning had. Voor zover hij dat bedrijf door de bewaring voorlopig niet kan voortzetten, heeft de rechtbank de gevolgen daarvan ten onrechte niet voor zijn rekening gelaten. Verder heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij zich door de bewaring niet naar behoren op de procedure tegen de ongewenstverklaring kan voorbereiden.

Gelet op het voorgaande, is in het door de vreemdeling in beroep aangevoerde geen grond te vinden voor het oordeel dat er bijzondere feiten of omstandigheden zijn, op basis waarvan de nadelige gevolgen van de bewaring onevenredig zijn in verhouding tot het met de bewaring te dienen doel. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bewaring in het geval van de vreemdeling een te zwaar middel is.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De tweede grief behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 september 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.2.1. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat, gelet op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), geen reëel zicht op uitzetting naar Afghanistan bestaat.

Voor zover de vreemdeling heeft bedoeld dat uitzetting naar het land van herkomst tot schending van artikel 3 van het EVRM zal leiden, heeft hij miskend dat een beroep op de bescherming van deze verdragsbepaling in zijn geval dient te worden beoordeeld in het kader van de procedure tegen de ongewenstverklaring. Omdat het onderhavige beroep geen betrekking heeft op een besluit over de ongewenstverklaring, kan deze beroepsgrond derhalve niet slagen.

2.2.2. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat hij gezinsleven met zijn partner en broer hier te lande heeft en de bewaring in strijd met artikel 8 van het EVRM is.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 4 juli 2003 in zaak no. 200303002/1, JV 2003/368), kan bewaring een inmenging opleveren in het recht op respect voor het gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

In dit geval is de inmenging in het door de vreemdeling gestelde gezinsleven met zijn partner en broer gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde dat ermee is gediend te voorkomen dat hij zich aan de uitzetting zal onttrekken. In het in beroep aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat de staatssecretaris het belang van de openbare orde, gezien de onder 2.1.2 vermelde gronden van de bewaring, niet heeft mogen laten prevaleren boven het persoonlijk belang van de vreemdeling bij het gezinsleven met zijn partner en broer.

Het betoog faalt.

2.2.3. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris met een lichter middel dan bewaring had kunnen volstaan.

Aangezien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris het met de bewaring te dienen doel met een minder ingrijpend middel dan bewaring had kunnen bereiken, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet met een lichter middel kan worden volstaan.

Het betoog faalt.

2.3. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 8 oktober 2007 in zaak nr. 07/35942;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

452.

Verzonden: 31 oktober 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak