Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200702764/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de aan appellante op 31 maart 2000 afgegeven verklaring van geen bezwaar tegen het vervullen van een vertrouwensfunctie ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702764/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/552 van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de aan appellante op 31 maart 2000 afgegeven verklaring van geen bezwaar tegen het vervullen van een vertrouwensfunctie ingetrokken.

Bij besluit van 7 december 2005 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 maart 2007, verzonden op 8 maart 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 juni 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. M.A. Visser, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Eckhardt, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt onder een vertrouwensfunctie verstaan: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

   Ingevolge het bepaalde onder b wordt onder een verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wvo, voor zover thans van belang, wijst de minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort, functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wvo wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.

   Ingevolge het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie, waarbij uitsluitend wordt gelet op gegevens betreffende het aldus onder a tot en met d vermelde. Onder d zijn vermeld overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

   Ingevolge artikel 9 van de Wvo is de minister bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvo, voor zover thans van belang, is de minister bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.2.    Blijkens de stukken was appellante ten tijde van het besluit van 27 juli 2005 werkzaam bij de KLM als lid van het cabinepersoneel. Deze functie is aangewezen als een vertrouwensfunctie in de zin van de Wvo. Aan appellante is bij besluit van 31 maart 2000 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. De minister heeft deze verklaring bij besluit van 27 juli 2005 ingetrokken omdat uit de informatie uit het documentatieregister van de Centrale Justitiële Documentatie nadelige gegevens over de partner van appellante bekend zijn geworden. Op grond van deze gegevens heeft de minister geoordeeld dat er onvoldoende waarborgen zijn dat de vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden door appellante getrouwelijk zal worden vervuld.

2.3.    Appellante betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister geen belangenafweging hoefde te verrichten, omdat daarbij privacygevoelige gegevens aan de orde zouden komen die niet altijd bekend zijn bij de partner van de persoon in kwestie. De rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte haar zwaarwegende belangen niet bij het besluit heeft betrokken, aldus appellante. De minister had volgens appellante alle relevante omstandigheden moeten afwegen. Voorts betoogt zij dat het besluit disproportioneel is. Tot slot betoogt appellante dat zich sinds 2000 geen omstandigheden aan haar zijde hebben voorgedaan die de intrekking van de verklaring van geen bezwaar rechtvaardigen, zodat zij erop mocht vertrouwen dat zij de verklaring zou behouden.

2.3.1.    Tot de gegevens omtrent de persoonlijke omstandigheden van een persoon als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wvo, behoren ook gegevens met betrekking tot de partner. Uit de Wvo noch de toelichting daarop volgt dat het de minister niet zou vrijstaan naar de partner op dezelfde wijze een onderzoek in te stellen als naar de betrokkene zelf. Gelet hierop kon appellante er niet op vertrouwen dat zij de verklaring van geen bezwaar zou behouden, louter omdat over haar geen nadelige gegevens bekend zijn.

   Het door de minister gevoerde beleid dat is neergelegd in de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens (hierna: de beleidsregel) is niet kennelijk onredelijk. Uit de toelichting op dit beleid volgt dat artikel 1, eerste lid, van de beleidsregel regels bevat die in het algemeen bij de beoordeling van justitiële gegevens moeten worden gevolgd. Daaruit blijkt dat in beginsel slechts naar justitiële gegevens wordt gekeken die niet ouder zijn dan acht jaar.

   Met toepassing van artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 heeft de Afdeling kennis genomen van de resultaten van het onderzoek. De door de minister gebezigde justitiële gegevens over de partner van appellante zijn niet ouder dan acht jaar en vallen ook overigens binnen de reikwijdte van de beleidsregel.

   De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister terecht een veiligheidsrisico heeft geconstateerd, omdat op een (burger)luchthaven de mogelijkheden voor het plegen van delicten waarmee financieel voordeel kan worden behaald groot zijn en niet kan worden uitgesloten dat appellante door haar partner zodanig kan worden beïnvloed dat zij daarvoor ontvankelijk wordt.

   De minister kent veel gewicht toe aan justitiële gegevens die vallen binnen de reikwijdte van het beleid, zodat hij, indien hij op grond van artikel 10 van de Wvo bevoegd is een verklaring van geen bezwaar in te trekken, in beginsel van deze bevoegdheid gebruik maakt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit rechtens onjuist is. Het uitgangspunt dat het belang van de nationale veiligheid, bij afweging van de betrokken belangen, zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult, acht de Afdeling, gelet op het bijzondere karakter van een dergelijke functie, niet onredelijk. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken, is niet gebleken.

   Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat appellante onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voorvloeiende plichten getrouwelijk zal vervullen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton , Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk     w.g. Können

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

301-384.