Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200702419/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2004 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) de aanvraag van appellante om subsidie voor het project "Regionaal Overslag Centrum Veghel" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702419/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Regionaal Overslag Centrum Veghel B.V.", gevestigd te Veghel,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1605 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 februari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2004 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) de aanvraag van appellante om subsidie voor het project "Regionaal Overslag Centrum Veghel" afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2005 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op 23 februari 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 mei 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.B.G. van Duren, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de krachtens de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat vastgestelde Subsidieregeling openbare inland terminals (Stcrt. 2000, 210; hierna: de Soit) wordt in de regeling onder overslagterminal verstaan: samenhangend geheel van op Nederlands grondgebied gelegen voorzieningen die hoofdzakelijk zijn bestemd en worden gebruikt voor de overslag van goederen van de ene naar een andere vervoersmodaliteit.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, wordt onder intermodaal vervoer bestaan: vervoer van goederen in één en dezelfde laadeenheid door middel van meer dan één vervoersmodaliteit.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, wordt onder multimodaal vervoer verstaan: vervoer van goederen door middel van meer dan één vervoersmodaliteit.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de minister op aanvraag van een overslagbedrijf ter bevordering van het gebruik van intermodaal en multimodaal vervoer subsidie verlenen ten behoeve van initiële of uitbreidinginvesteringen van een overslagterminal. De subsidie kan worden verleend voor zowel investeringen in infrastructuur als in vaste en mobiele uitrusting die nodig is voor de overslag van goederen.

   Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder c, wordt de subsidie slechts verleend indien de opslagterminal waarop het project betrekking heeft bestemd is en gebruikt wordt voor de overslag van goederen van andere partijen dan het overslagbedrijf of, indien dit een andere onderneming is, de exploitant van de overslagterminal.

   Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, wordt de subsidie slechts verleend indien de overslagterminal waarop het project betrekking heeft in een periode van een jaar na de ingebruikneming van (uitbreiding van) de terminal uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer aantrekt.

2.2.    De minister heeft de subsidieaanvraag van appellante afgewezen op de grond dat het project niet voldoet aan de in artikel 2, derde lid, aanhef en onder c en e, van de Soit vervatte voorwaarden.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat haar project niet voldeed aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van de Soit. Daartoe voert zij aan dat de door de rechtbank in navolging van de minister gehanteerde definitie van 'nieuw vervoer', zijnde vervoer dat voorheen in het geheel niet plaatsvond en vervoer dat voorheen over de weg ging en niet overgeslagen werd, niet strookt met de tekst van deze bepaling, wat de toevoeging "en niet overgeslagen werd" betreft. De rechtbank heeft dan ook volgens appellante ten onrechte overwogen dat zij niet voldeed aan de voorwaarde dat geen lading bij andere terminals mag worden weggezogen, nu zij sinds de ingebruikname van haar terminal goederen overslaat van de firma Sligro (hierna: Sligro), welke voorheen via de overslagterminal in 's-Hertogenbosch werden overgeslagen.

2.3.1.    De Afdeling overweegt dat uit de toelichting bij de Soit blijkt dat met deze regeling is beoogd de autonome ontwikkeling van het intermodaal en multimodaal transport te versterken. In de toelichting op artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van de Soit is daartoe nader gesteld dat het beleid erop is gericht dat de totstandkoming van nieuwe of uitbreiding van bestaande terminals niet ten koste gaat van reeds bestaande terminals. Als voorwaarde voor subsidieverlening is in de Soit dan ook bepaald dat de terminal gedurende het eerste exploitatiejaar uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer aantrekt. Er mag dus geen lading van andere terminals worden weggezogen.

2.3.2.    Niet in geschil is dat uit de bij de aanvraag overgelegde intentieverklaringen blijkt dat Sligro, die evenals de overslagterminal van appellante in Veghel gevestigd is, voornemens is in het eerste exploitatiejaar goederen over te slaan bij appellante. Zoals ter zitting van de zijde van appellante is erkend, werden die goederen tot dan toe bij de terminal te 's-Hertogenbosch overgeslagen. Naar appellante heeft uiteengezet, gaat het om goederen die vanuit Antwerpen en Rotterdam over water naar de terminal in 's-Hertogenbosch werden vervoerd, waarna na overslag vervoer over de weg van 's-Hertogenbosch naar Veghel plaatsvond. Het betoog van appellante dat sprake is van nieuw vervoer omdat en voor zover deze goederen anders dan voorheen niet meer over de weg van 's-Hertogenbosch naar Veghel behoeven te worden vervoerd, maar over het water vanuit Antwerpen en Rotterdam naar Veghel worden getransporteerd, slaagt niet. Een redelijke uitleg van de in artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van de Soit opgenomen voorwaarde dat uitsluitend nieuw vervoer aangetrokken dient te worden, houdt, gelet ook op de toelichting daarop, in dat niet kan worden aanvaard dat sprake is van nieuw vervoer enkel omdat de nieuwe terminal dichter bij de vestiging van Sligro is gelegen dan de bestaande terminal in 's-Hertogenbosch, zodat vervoersbewegingen over de weg van 's-Hertogenbosch naar Veghel achterwege kunnen blijven. Het aantrekken van dit vervoer van Sligro kan niet worden aangemerkt als een autonome ontwikkeling van het intermodaal en multimodaal transport dat niet onttrokken wordt aan een bestaande terminal. De rechtbank is derhalve met juistheid tot het oordeel gekomen dat de minister de afwijzing van de subsidieaanvraag terecht heeft gehandhaafd omdat geen sprake is van het aantrekken van uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer in een periode van een jaar na de ingebruikneming van de terminal, zoals ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van de Soit, voor subsidieverlening is vereist. Het betoog faalt.

2.4.    De Afdeling overweegt voorts dat artikel 2, derde lid, van de Soit cumulatieve criteria voor subsidieverlening bevat. Gezien hetgeen is overwogen onder 2.3.2, kan het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef onder c, van de Soit, daarom onbesproken blijven.

2.5.    Verder betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te beoordelen of haar aanvraag voor subsidie op grond van de Subsidieregeling bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen (Stcrt. 2001, 48; hierna de Sbv) in aanmerking kon komen, nu de Sbv complementair is aan de Soit.

2.5.1.    Ook dit betoog faalt. Appellante heeft bij de minister een aanvraag op grond van de Soit en niet op grond van de Sbv ingediend. Dat in de toelichting op de Sbv staat dat sprake is van twee subsidieregelingen (de Sbv en de Soit) die hetzelfde beleidsdoel dienen en in zoverre complementair zijn, betekent niet dat de minister de aanvraag van appellante aan de hand van de Sbv, die zich richt op andersoortige overslagpunten dan de Soit, had moeten beoordelen, nu deze niet op grond van de Soit voor subsidie in aanmerking kwam. De rechtbank is met juistheid tot dat oordeel gekomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

71-496.