Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200701874/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door appellant verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet justitiële gegevens
Wet justitiële gegevens 28
Wet justitiële gegevens 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 2192
JB 2008/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701874/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4883 van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door appellant verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Bij besluit van 12 september 2005 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 mei 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.J. Suijkerbuijk, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van een aanvraag om een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ter uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur.

2.2.    Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg), is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

   Ingevolge artikel 35, eerste lid, van deze wet, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

   Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit), voor zover van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige chauffeurspas.

   Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit wordt, voor zover van belang, bij de aanvraag om een chauffeurspas overgelegd een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg.

2.3.    Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de "Circulaire Beleidsregels 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen" (hierna: de Circulaire), vastgesteld bij besluit van de minister van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

   Volgens de Circulaire kan de afgifte van de VOG worden geweigerd, indien de aanvrager in de vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing voorkomt in de justitiële documentatie en de aangetroffen antecedenten, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of opdracht waarvoor de verklaring wordt gevraagd.

   Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering (kunnen) vormen voor de afgifte van de VOG, zijn in bijlage A van de Circulaire een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen neergelegd, aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.

   Wat betreft het screeningsprofiel voor een taxichauffeur, vermeldt die bijlage dat een taxichauffeur belast is met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In hun functie komt het vaak voor dat er een "één op één relatie" is, waarbij sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Chauffeurs in (straat)taxivervoer gaan daarnaast met contante en girale waarden om, zo vermeldt bijlage A voorts.

2.4.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister de aanvraag om een VOG geweigerd omdat, kort weergegeven, uit het Justitieel Documentatieregister onder meer blijkt dat appellant is veroordeeld wegens gewelds- en drugsdelicten die volgens de minister, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van zijn werkzaamheden als taxichauffeur in de weg staan.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zijn aanvraag om een VOG ten onrechte heeft geweigerd. Hij voert daartoe aan dat hij aldus dubbel wordt gestraft voor de in het Justitieel Documentatieregister opgenomen strafbare feiten, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM), dat het weigeren van een VOG in zijn geval zodanige verstrekkende gevolgen heeft dat die weigering gelijk gesteld moet worden met het opleggen van een verbod om het beroep van taxichauffeur uit te oefenen, dat een dergelijk verbod uitsluitend door de rechter opgelegd kan worden en ten slotte dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de gerelateerde documentatie risico's oplevert met betrekking tot het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen.

2.6.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen weigeren omdat de uit het Justitieel Documentatieregister blijkende veroordelingen van appellant wegens geweldsdelicten, gelet op de screeningsprofielen in de Circulaire relevant zijn en, indien herhaald, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg zullen staan.

   De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het betoog van appellant dat de strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met zijn functioneren als taxichauffeur, niet maakt dat deze niet relevant zijn. Het gaat er om of strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat daarvan in dit geval sprake is, reeds omdat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan verschillende geweldsdelicten, ter zake nog in een proeftijd liep en zich recentelijk opnieuw schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten.

   In de omstandigheid dat appellant door de strafrechter is veroordeeld voor verschillende andere strafbare feiten die de minister ook aan de weigering ten grondslag heeft gelegd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Daarbij wordt voorop gesteld dat, zoals de minister terecht stelt, de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument is dat een preventief doel dient en dat dit, anders dan het vonnis van de strafrechter, niet het opleggen van een sanctie inhoudt. Van een dubbele bestraffing in strijd met artikel 6 EVRM, zoals appellant betoogt, is derhalve geen sprake. Opgemerkt zij in dat verband dat de minister vanuit zijn eigen taak en verantwoordelijkheid, met behulp van zijn eigen instrumentarium, dient te beoordelen of er een risico voor de samenleving bestaat indien iemand het beroep van taxichauffeur wil uitoefenen en dat die taak en verantwoordelijkheid los van die van de strafrechter staan. Tot slot wijst de Afdeling erop dat aan appellant, naast de strafbare feiten waarvoor hij door de strafrechter is veroordeeld, ook andere uit het Justitieel Documentatieregister gebleken strafbare feiten door de minister zijn tegengeworpen.  

   In de door appellant gestelde onevenredige gevolgen van de weigering, heeft de rechtbank evenmin grond hoeven vinden voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gevolg van het niet verkrijgen van een VOG, namelijk het niet kunnen uitoefenen van het werk als taxichauffeur, besloten ligt in het Besluit, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever hier welbewust voor heeft gekozen. Voorts beperkt de Circulaire de strafbare feiten die aan de aanvrager van een VOG worden tegengeworpen, tot die welke zich vier jaar voorafgaande aan de toetsing van de aanvraag hebben voorgedaan. Appellant heeft door het plegen van de strafbare feiten gedurende die periode het risico genomen dat hij zijn beroepsuitoefening als taxichauffeur niet zou kunnen voortzetten.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Scheerhout

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

318.