Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6811

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200700483/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 19 juni 2002 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd aan appellanten een Nederlands paspoort te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700483/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], te Ghana,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3049 van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 19 juni 2002 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd aan appellanten een Nederlands paspoort te verstrekken.

Bij besluit van 12 mei 2005 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2006, verzonden op 5 december 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de wederpartij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2007, waar uitsluitend appellanten, vertegenwoordigd door mr. S.S. Jangali, zijn verschenen.

Ter zitting is door appellanten een nader stuk in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen van die wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

   

   Ingevolge artikel 199 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek is vader van een kind de man:

a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren is gehuwd;

b. […]

c. die het kind heeft erkend;

   Ingevolge artikel 204, eerste lid, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, is de erkenning nietig indien zij is gedaan terwijl er twee ouders zijn.

2.2.    Aan de weigering om aan appellanten een Nederlands paspoort te verstrekken heeft de minister ten grondslag gelegd dat zij niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Daartoe heeft de minister in het bestreden besluit aangevoerd, dat appellanten in een familierechtelijke betrekking staan tot hun biologische [vader], die, evenals hun moeder, de Ghanese nationaliteit bezat toen appellanten in Ghana werden geboren. Volgens de minister zijn tussen [vader] en appellanten familierechtelijke betrekkingen ontstaan, omdat [vader] ten tijde van de geboorte van appellanten met hun moeder was gehuwd. Het bestaan van familierechtelijke betrekkingen leidt de minister voorts daaruit af dat appellanten de naam van [vader] hebben gedragen, [vader] hen heeft ingeschreven op school en hun schoolgeld heeft betaald en hij heeft verklaard enige jaren voor appellanten te hebben gezorgd na het vertrek van hun moeder naar Nederland. Door deze familierechtelijke betrekkingen tussen [vader] en appellanten, is de erkenning van appellanten door de Nederlandse [partner] van hun moeder nietig, zodat zij niet door erkenning de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, aldus de minister.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. Zij stellen, samengevat weergegeven, dat zij met [vader] geen familierechtelijke betrekkingen hebben die aan erkenning door [partner moeder] in de weg zouden staan. Appellanten voeren hiertoe aan dat de minister er in het bestreden besluit ten onrechte van is uitgegaan dat hun moeder met [vader] gehuwd is geweest. Ter toelichting van dit standpunt hebben appellanten onder meer verklaringen van latere datum dan 12 mei 2005 overgelegd, welke verklaringen afkomstig zijn van drie familieleden van hun moeder, drie familieleden van [vader] en van [vader] zelf. Uit deze, ten overstaan van een notaris afgelegde verklaringen komt naar voren dat tussen [vader] en de moeder van appellanten nooit een huwelijk is gesloten. Daarnaast hebben appellanten gewezen op het besluit "Vaststelling algemene ambtsberichten inzake legalisatie en verificatie van documenten" (Stcrt. van. 24 december 2002, no. 248). Zij voeren aan dat uit dit besluit en uit de Ghanese "Customary Marriage and Divorce (Registration) Law, 1985", volgt dat binnen drie maanden na sluiting van een huwelijk naar gewoonterecht, een aanvraag om registratie van dit huwelijk diende te worden gedaan, wil het geldig zijn. Registratie van een huwelijk tussen [vader] en hun moeder heeft nooit plaatsgevonden, aldus appellanten.

   Voorts stellen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat er ook overigens geen omstandigheden zijn op grond waarvan de minister heeft mogen aannemen dat zij familierechtelijke betrekkingen hebben met [vader]. Zij bestrijden het standpunt van de minister dat zij na het vertrek van hun moeder naar Nederland bij [vader] hebben gewoond en dat hij hen financieel heeft onderhouden. Bovendien kunnen deze en de overige door de minister in het bestreden besluit genoemde omstandigheden naar Ghanees recht niet tot het ontstaan van een familierechtelijke betrekking leiden, nu een dergelijke betrekking onder dit recht slechts ontstaat door een huwelijk tussen beide ouders of door adoptie, aldus appellanten. Volgens appellanten heeft de minister zich dan ook niet op het standpunt mogen stellen dat de erkenning van appellanten door [partner moeder] nietig is.

2.3.1.    Na het nemen van de beslissing op bezwaar van 12 mei 2005 heeft de minister op geen van de stellingen van appellanten of de door hen ter motivering hiervan in beroep en hoger beroep overgelegde documenten inhoudelijk gereageerd. De minister heeft derhalve niet laten blijken welk belang hij hecht aan vorengenoemde verklaringen, waarin - anders dan [vader] eerder, op 6 juni 2001 heeft verklaard - uitdrukkelijk wordt ontkend dat [vader] met de moeder van appellanten gehuwd is geweest. Gelet op deze verklaringen en op de omstandigheid dat, zoals door appellanten onweersproken is gesteld, in Ghana geen huwelijk tussen [vader] en de moeder van appellanten is geregistreerd, is onvoldoende aannemelijk geworden dat [vader] ten tijde van de geboorte van appellanten met hun moeder was gehuwd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

   Voorts is niet duidelijk of de overige in het besluit van 12 mei 2005 genoemde omstandigheden waarin de minister een bevestiging ziet van het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen [vader] en appellanten, op zichzelf beschouwd voldoende grond bieden voor het oordeel dat tussen [vader] en appellanten zodanige familierechtelijke betrekkingen bestaan dat de geldigheid van de erkenning van appellanten door [partner] hierdoor wordt aangetast.

   Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van de minister van 12 mei 2005 in rechte kan standhouden, nu dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.5.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2006 in zaak no. AWB 05/3049;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 12 mei 2005, kenmerk 0649/02-NP en 0724/02-NP;

V.    draagt de minister van Buitenlandse Zaken op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

VI.    veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007.

176-546.