Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200609372/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2005 heeft appellant (hierna: de Minister) geweigerd de aanvraag van [aanvrager] om wijziging van de geslachtsnaam van haar minderjarige [zoon] in "[aanvrager]" voor inwilliging in aanmerking te doen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609372/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/578 van de rechtbank Leeuwarden van 16 november 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2005 heeft appellant (hierna: de Minister) geweigerd de aanvraag van [aanvrager] om wijziging van de geslachtsnaam van haar minderjarige [zoon] in "[aanvrager]" voor inwilliging in aanmerking te doen komen.

Bij besluit van 17 februari 2006 heeft de Minister het door [aanvrager] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten de aanvraag van [aanvrager] voor inwilliging in aanmerking te doen komen.

Bij uitspraak van 16 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaarschrift van [aanvrager] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief van 22 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 februari 2007 heeft de Minister verzocht om geheimhouding krachtens artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van een aantal passages uit de dossierstukken. Op 11 mei 2007 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling beslist dat beperking van de kennisneming van de desbetreffende passages gerechtvaardigd is.

Bij brief van 15 mei 2007 heeft [wederpartij] de Afdeling toestemming verleend om mede op basis van de geheime stukken uitspraak te doen.

Bij brief van 28 juni 2007 heeft [aanvrager] de Afdeling toestemming verleend om mede op basis van de geheime stukken uitspraak te doen.

Bij brief van 5 september 2007 heeft [aanvrager] een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2007, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.S. Tenge, ambtenaar op het departement, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

   Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

   Ingevolge het tweede lid is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

   Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, wordt het verzoek afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij:

1°. de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, waarbij onder misdrijf wordt begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf;

2°. de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, van het gezag over het kind is ontzet;

of

3°. verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

2.2.    Bij besluit op bezwaar heeft de Minister de aanvraag van [aanvrager] voor inwilliging in aanmerking doen komen omdat ten tijde van dat besluit naar zijn oordeel was voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 3°, van het Besluit.

2.3.    In hoger beroep betwist de Minister het oordeel van de rechtbank dat de termijn van verzorging en opvoeding, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, gelezen in samenhang met het tweede lid (hierna: de verzorgingstermijn), uitdrukkelijk is gekoppeld aan de datum van het verzoek tot naamswijziging. De Minister betoogt dat bij de berekening van de verzorgingstermijn moet worden uitgegaan van de datum van het besluit op bezwaar. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank de bepaling te letterlijk heeft genomen en dat haar uitleg leidt tot onwenselijke besluitvorming en inefficiënte procesvoering. Ter zitting van de Afdeling heeft de Minister betoogd dat de in het tweede lid van artikel 3 genoemde termijn van vijf jaar een vaste termijn is waarvan het verloop in de tijd kan verschuiven, waardoor de ervoor gelegen periode langer wordt en het als vast gegeven deel van die periode waarover van samenleving in gezinsverband als bedoeld in het vierde lid van artikel 3, aanhef en onder d, aanhef en onder 3, van het Besluit sprake was in de tijd verhoudingsgewijs steeds geringer wordt. Het verloop van tijd kan derhalve met zich brengen dat alsnog wordt voldaan aan het vereiste, neergelegd in laatstgenoemde bepaling. De Minister is van oordeel dat hierbij het tijdsverloop tot het besluit op bezwaar bij de situering van de verzorgingstermijn mag worden betrokken en heeft dienovereenkomstig voorkomen dat aanvraagster opnieuw een aanvraag moest indienen, die wel gehonoreerd zou moeten worden.

2.4.    Het betoog van de Minister dat het einde van de verzorgingstermijn gekoppeld moet worden aan de datum van het besluit op bezwaar en dat vanaf die datum van een termijn van vijf jaar moest worden uitgegaan, slaagt niet. De rechtbank heeft juist geoordeeld dat naar de duidelijke tekst van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit het einde van die termijn uitdrukkelijk is gekoppeld aan de datum van het verzoek.

   Voor zover de Minister betoogt dat door verloop van tijd de periode voorafgaand aan de zijns inziens vaste verzorgingstermijn van vijf jaar langer wordt, overweegt de Afdeling dat de Minister hierbij uitgaat van een onjuiste uitleg van het Besluit. Anders dan de Minister veronderstelt is de verzorgingstermijn, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Besluit, geen vaste termijn van vijf jaren maar is sprake van een termijn van ten minste vijf jaren. Dit betekent dat het tijdstip van de aanvang van deze termijn niet alleen vast ligt, maar ook dat de duur van de periode voorafgaand aan deze termijn, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, van het Besluit, niet verandert door het verloop van tijd.

   Deze uitleg strookt met de strekking van de wijziging die artikel 3 van het Besluit heeft ondergaan bij de wijziging bij Besluit van 21 februari 2004 (Stb. 100). Blijkens de toelichting is toen gekozen voor een stelsel waarin geslachtsnaamwijziging van minderjarigen jonger dan 12 jaar tegen de wil van één der ouders slechts wordt toegestaan in een beperkt aantal scherp omschreven gevallen.

   Het hoger beroep van de Minister is dan ook niet gegrond.

   De aangevallen uitspraak moet derhalve worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij rust.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.     bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) een griffierecht van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007.

176-512.