Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200607320/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Bloemendaal het bestemmingsplan "Meer en Berg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/11 met annotatie van Zijlmans
JOM 2008/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607320/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de vereniging "Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg", gevestigd te Bloemendaal,

2.    de stichting "Stichting Schapenduinen", gevestigd te Bloemendaal,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Bloemendaal het bestemmingsplan "Meer en Berg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 2 november 2004 beslist over de goedkeuring van het plan.

Bij uitspraak van 14 december 2005, in zaakno. 200410415/1 heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 2 november 2004 vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan.

Verweerder heeft bij besluit van 22 augustus 2006, kenmerk 2006-34047, opnieuw beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg bij brief van 6 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, en de Stichting Schapenduinen bij brief van 11 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. De Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 november 2006.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 maart 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad, Park Brederode Beheer B.V. en de Stichting Schapenduinen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2007, waar de Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. van den Biesen en mr. A.M. Nijboer, beiden advocaat te Amsterdam, de Stichting Schapenduinen, vertegenwoordigd door mr. A. Kamphuis en mr. A. Kaspers, beiden advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Verder zijn de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. A.H. van Zetten, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Park Brederode Beheer B.V., vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, als partijen gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    Het plan voorziet in de bouw van maximaal 350 nieuwe woningen op het terrein van het voormalige Provinciaal Ziekenhuis in Bloemendaal. Het plangebied wordt ontsloten door een bestaande weg, namelijk de Brederodelaan. In noordelijke richting gaat de Brederodelaan over in de Brederoodseweg. In zuidelijke richting, ter hoogte van de landgoederen Schapenduinen en Caprera, doorkruist de Brederodelaan natuurgebied Kennemerland-Zuid.

2.4.    Aan de vernietiging bij uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005, no. 200410415/1, ligt de volgende overweging ten grondslag:

   "Stichting Schapenduinen heeft evenwel aannemelijk gemaakt dat verweerder is uitgegaan van een te lage toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting, omdat uit de toelichting bij het bestemmingsplan kan worden afgeleid dat de verkeerstoename 1362 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Hierdoor is aannemelijk dat de effecten op het landgoed Schapenduinen, dat deel uit maakt van de SBZ, onder meer in de vorm van extra luchtverontreiniging, geluid- en lichtoverlast, te laag zijn ingeschat. In dit verband ontbreekt bovendien een kwantitatief onderzoek naar de luchtkwaliteit. Gelet hierop is niet zeker of in zoverre aan de SBZ Kennemerland-Zuid zodanige bescherming wordt geboden, dat de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora niet in het gedrang dreigt te komen. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.".

Thans staat ter beoordeling het besluit waarbij verweerder opnieuw heeft beslist over de goedkeuring van het plan. Gelet op voormelde overweging spitst het geschil zich toe op de mogelijke effecten van het verkeer over de Brederodelaan in zuidelijke richting op natuurgebied Kennemerland-Zuid.

Procedurele bezwaren

2.5.    Appellanten stellen dat de rapporten van Royal Haskoning van 18 juni 2007 en Witteveen en Bos van 18 juni 2007 in een zodanig laat stadium door de gemeenteraad en Park Brederode Beheer B.V. in de procedure zijn overgelegd dat deze bij de beoordeling van de beroepen buiten beschouwing moeten blijven.

   Dienaangaande overweegt de Afdeling dat beide rapporten zijn opgesteld in reactie op hetgeen appellanten in beroep hebben aangevoerd en zijn ingediend vóór de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn van tien dagen voor de zitting. Appellanten hebben ter zitting kunnen reageren op de rapporten. Niet aannemelijk is dat appellanten in hun processuele belangen zijn geschaad. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen beletsel om de rapporten bij de beoordeling van de beroepen te betrekken.

2.6.    De Stichting Schapenduinen betoogt dat de brief van de gemeenteraad van 1 augustus 2006 aan verweerder en het daarbij gevoegde aanvullend rapport van Lichtveld Buis en Partners van dezelfde datum over de luchtkwaliteit en de recente verkeersanalyses en een verkeerscirculatieplan van Grontmij uit 1999 die worden genoemd in die brief, ten onrechte niet aan haar zijn toegestuurd.

   In het onderhavige geval waarin verweerder na vernietiging door de Afdeling opnieuw diende te beslissen over de goedkeuring van het plan, bestond voor verweerder geen verplichting om de door appellante genoemde stukken op grond van artikel 26 van de WRO in samenhang bezien met de artikelen 23 van de WRO en 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze artikelen luidden vóór 1 juli 2005, ter inzage te leggen. Verder kan niet staande worden gehouden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht door de desbetreffende stukken niet aan appellante kenbaar te maken alvorens te beslissen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellante door verweerder in de gelegenheid is gesteld om tijdens een hoorzitting te reageren op de door de gemeenteraad naar voren gebrachte stukken aangaande de luchtkwaliteit alsmede dat de brief van 1 augustus 2006 slechts een nadere reactie van de gemeenteraad vormt op brieven die appellanten na voormelde hoorzitting aan verweerder hebben toegezonden.

2.7.    De Stichting Schapenduinen stelt dat verweerder geen eigen belangenafweging heeft gemaakt, nu slechts wordt verwezen naar stukken van de gemeenteraad.

   Geen rechtsregel staat er in de weg aan dat verweerder aansluit bij het standpunt van de gemeenteraad dan wel bij de stukken die de gemeenteraad naar voren heeft gebracht.

Materiële bezwaren

2.8.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat de toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting significante gevolgen kan hebben voor natuurgebied Kennemerland-Zuid.

   Zij betogen dat verweerder de toename van de verkeersintensiteit te laag heeft ingeschat, omdat is uitgegaan van de situatie in 2001 in plaats van de situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en omdat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de herinrichting van de Kennemerweg en de autonome groei van het aantal motorvoertuig-bewegingen. De Stichting Schapenduinen voert aan dat niet 60% maar 80% van het verkeer afkomstig uit het plangebied over de Brederodelaan in zuidelijke richting zal rijden.

   Appellanten betogen verder dat onvoldoende is onderzocht welke habitattypen en -soorten voorkomen in natuurgebied Kennemerland-Zuid in de omgeving van de Brederodelaan. De Stichting Schapenduinen noemt in dit verband een groot aantal soorten die volgens haar typerend zijn voor het desbetreffende gebied.

   Verder brengen appellanten naar voren dat de toename van de verkeersintensiteit een verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt. De Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg voert in dit verband onder meer aan, onder verwijzing naar artikel 6, vierde lid, van de richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de  beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (hierna: de Kaderrichtlijn) en bijlage VI van de richtlijn 1999/30/EG van de Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (hierna: de eerste Dochterrichtlijn), dat de rapporten over de luchtkwaliteit ten onrechte niet zijn gebaseerd op representatieve meetgegevens en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de grenswaarden voor zwaveldioxide en stikstofoxide die gelden voor de bescherming van ecosystemen en vegetaties.

   De toename van de verkeersintensiteit brengt volgens appellanten verder een toename van de depositie van stikstof te weeg. Zij achten dit onaanvaardbaar, nu de voor natuurgebied Kennemerland-Zuid geldende kritische depositiewaarde reeds wordt overschreden. Appellanten voeren ten slotte aan dat de toename van de verkeersintensiteit leidt tot een toename van de geluidhinder, lichthinder en barrièrewerking.

2.8.1.    Verweerder is van mening dat de toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting geen significante gevolgen heeft voor natuurgebied Kennemerland-Zuid. De toename van de verkeersintensiteit bedraagt volgens verweerder 812 motorvoertuig-bewegingen per etmaal in het geval dat geen rekening wordt gehouden met de effecten van de herinrichting van de Kennemerweg. De herinrichting van laatstgenoemde weg zal er volgens verweerder toe leiden dat circa 300 motorvoertuigbewegingen per etmaal zullen uitwijken naar de Brederodelaan in zuidelijke richting. Gelet op deze aantallen zijn de gevolgen voor natuurgebied Kennemerland-Zuid niet onderschat, aldus verweerder. Uit aanvullende rapporten blijkt volgens verweerder verder dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) en dat geen sprake is van een significante toename van de depositie van stikstof.

2.8.2.    Bij beschikking van 7 december 2004 van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) (Pb L 387) is natuurgebied Kennemerland-Zuid geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van deze richtlijn.

2.8.3.    Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een speciale beschermingszone, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor het gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

2.8.4.    Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 7 september 2004, zaak C-127/02, gepubliceerd in JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

2.8.5.    In het onderhavige geval is sprake van een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het natuurgebied.

Blijkens het genoemde arrest dient te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor het natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.8.6.    Voor zover de Stichting Schapenduinen in haar beroepschrift betoogt dat niet aan de Habitatrichtlijn, maar aan de op 1 oktober 2005 in werking getreden Natuurbeschermingswet 1998 moet worden getoetst, overweegt de Afdeling het volgende. Anders dan appellante stelt, is verweerder bij brief van 16 april 2004 gevraagd om een besluit te nemen over de goedkeuring van het plan. Uit artikel 60a, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 volgt dat indien een aanvraag om goedkeuring van een plan, zoals in het onderhavige geval, dateert van vóór 1 oktober 2005, deze wet, indien beroep is ingesteld, buiten toepassing blijft totdat onherroepelijk op het beroep is beslist. Aldus blijft rechtstreekse toetsing aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn aangewezen.

2.8.7.    Natuurgebied Kennemerland-Zuid is aangemeld bij de Commissie, omdat in dit gebied de habitattypen embryonale wandelende duinen, wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria ('witte duinen'), vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie ('grijze duinen'), Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea), duinen met Hippophaë rhamnoides, duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae), beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied alsmede vochtige duinvalleien voorkomen. Voorts is natuurgebied Kennemerland-Zuid aangemeld bij de Commissie, omdat in dit gebied de habitatsoorten nauwe korfslak en groenknolorchis voorkomen.

   Voor zover Stichting Schapenduinen betoogt dat de wijngaardslak, een aantal soorten korstmossen, de watervleermuis, de franjestaart, de boommarter, de zandhagedis, de rugstreeppad en de hazelworm eveneens vallen onder de gebiedsbescherming van de Habitatrichtlijn, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 28 februari 2007, no. 200506917/1 (www.raadvanstate.nl), dat bij de toepassing van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dient te worden uitgegaan van de kwalificerende waarden waarvoor een natuurgebied is aangemeld en de daarbij behorende instandhoudingsdoelstellingen. Nu natuurgebied Kennemerland-Zuid niet is aangemeld voor de hiervoor genoemde typen en soorten, treft het betoog van appellante geen doel.

   Voor zover appellanten aanvoeren dat blijkens het ontwerp-besluit tot aanwijzing van natuurgebied Kennemerland-Zuid tot speciale beschermingszone tevens de gevlekte witsnuitlibel moet worden beschouwd als (complementaire) habitatsoort, overweegt de Afdeling dat dit ontwerp-besluit dateert van na het nemen van het bestreden besluit, zodat verweerder deze omstandigheid - wat daarvan ook zij - niet bij zijn besluitvorming kon betrekken.

2.8.8.    Uit de stukken, waaronder het rapport van Royal Haskoning van 18 juni 2007, komt naar voren dat in het aan de orde zijnde gedeelte van natuurgebied Kennemerland-Zuid dat in zuidelijke richting wordt doorsneden door de Brederodelaan de habitattypen duinen met Hippophaë rhamnoides alsmede beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied voorkomen. Verder is niet uit te sluiten dat ter plaatse een deelpopulatie van habitatsoort nauwe korfslak voorkomt. De Afdeling ziet in de door de Stichting Schapenduinen overgelegde rapporten van Els en Linde van 3 april en 22 juni 2007 onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat ter plaatse nog andere kwalificerende habitattypen en -soorten voorkomen.

2.8.9.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de toename van de verkeersintensiteit als peiljaar 2001 gehanteerd. Vast staat dat in 2001 het Provinciaal Ziekenhuis was gesloten en een deel van de gebouwen werd hergebruikt. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd, ondanks enige wijzigingen in de loop der jaren, een deel van de gebouwen nog steeds gebruikt. Appellanten hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aan het plangebied toe te rekenen verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting ten tijde van het nemen van het bestreden besluit verschilde van deze in 2001.

   Bij zijn beoordeling heeft verweerder tevens betrokken dat de bewoners van de nieuw te bouwen woningen meer op Bloemendaal dan op Santpoort-Zuid zullen zijn gericht, maar dat, gelet op de omgeving van het plangebied, niet aannemelijk is dat meer dan 60% van het verkeer uit het plangebied over de Brederodelaan in zuidelijke richting zal rijden. Daarbij heeft verweerder gewezen op de aanwezigheid van voorzieningen in Santpoort-Zuid en de ligging van de snelweg A208 nabij het plangebied.

   Bij zijn beoordeling heeft verweerder de aanname gehanteerd dat de uitvoering van het plan een toename met 5 respectievelijk 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal per te realiseren huur- respectievelijk koopwoning zal meebrengen. De autonome groei van het autoverkeer is volgens verweerder in deze aantallen verdisconteerd. Dit wordt bevestigd in het uitgebrachte deskundigenbericht. Appellanten hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder de gevolgen van de herinrichting van de Kennemerweg onjuist heeft ingeschat.

   Gezien het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder is uitgegaan van een te lage toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting.

2.8.10.    Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet ter bepaling van de werking van een richtlijn een onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en een incorrecte implementatie van die richtlijn. In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de particulieren via de door de betrokken lidstaat getroffen uitvoeringsmaatregelen.

   Slechts indien een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode, niet, niet-tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald (arrest 8/81, Becker, Jur. 1992, p. 59 e.v. op p. 70-71). Hetzelfde geldt indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd (arrest C-62/00, Marks & Spencer, Jur. 2002, p. I-6325 e.v. op p. 6358-6359, ov. 26-27).

   Volgens vaste jurisprudentie van het Hof dienen de rechterlijke instanties van de lidstaten de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht voortvloeit (arrest C-312/93, Peterbroeck, Jur. 1995, p. I-4599 e.v. op p. 4620, ov. 12).

   Uit het vorenstaande blijkt, dat de vraag naar de rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn alleen kan rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd.

2.8.11.    Ter zitting heeft de Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg met betrekking tot de verwijzing in haar beroepschrift naar artikel 6, vierde lid, van de Kaderrichtlijn en bijlage VI van de eerste Dochterrichtlijn gesteld dat er gebreken kleven aan de uitvoering van de nationale maatregelen waarin voormelde richtlijnbepalingen zijn geïmplementeerd. Nu appellante deze stelling niet nader heeft toegelicht, is niet aannemelijk geworden dat het met de hiervoor vermelde richtlijnen beoogde resultaat in dit geval niet wordt bereikt. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat in dit geval moet worden uitgegaan van de rechtstreekse werking van artikel 6, vierde lid, van de Kaderrichtlijn en bijlage VI van de eerste Dochterrichtlijn.

2.8.12.    Uit de rapporten van Lichtveld Buis en Partners van 25 januari en 1 augustus 2006 volgt dat wordt voldaan aan de in het Blk 2005 opgenomen grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) voor de bescherming van de gezondheid van de mens. De in artikel 13 en 19 van het Blk 2005 opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide en stikstofoxide voor de bescherming van ecosystemen dan wel vegetatie zijn niet van toepassing, reeds omdat natuurgebied Kennemerland-Zuid niet voldoet aan het in voormelde artikelen gestelde vereiste van een oppervlakte van ten minste 1.000 km2. Voor zover de Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg heeft aangevoerd dat de uitkomsten van beide rapporten van Lichtveld Buis en Partners niet identiek zijn, overweegt de Afdeling dat de verschillen in uitkomsten verband houden met de omstandigheid dat in het ene rapport versie 4.0 en in het andere rapport versie 5.0 van het model CAR II is gebruikt.

2.8.13.    In de rapporten van Royal Haskoning van 9 februari en 18 juni 2007 wordt ingegaan op de eventuele toename van de depositie van stikstof op natuurgebied Kennemerland-Zuid. In laatstgenoemd rapport wordt vermeld dat geen modellen beschikbaar zijn om de toename van de depositie van stikstof in een geval als het onderhavige te berekenen. Desondanks bevat dit rapport een cijfermatige inschatting waaruit volgt dat wat betreft de depositie van stikstof geen significante negatieve gevolgen te verwachten zijn. Daarbij is uitgegaan van het worstcasescenario dat de depositie van alle stikstof in de directe omgeving van de Brederodelaan plaatsvindt.

2.8.14.    Verder volgt uit onder meer het rapport van Royal Haskoning van 24 januari 2006 dat de toename van de verkeersintensiteit wat betreft de aspecten geluidhinder, lichthinder en barrièrewerking geen significante negatieve gevolgen heeft. Deze conclusie wordt bevestigd in het uitgebrachte deskundigenbericht waarbij is uitgegaan van het worstcasescenario dat het plan leidt tot een toename van 1.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

2.8.15.     Gezien het vorenstaande, en gelet op de ter plaatse voorkomende onder 2.8.8 vermelde kwalificerende waarden en de daarbij behorende instandhoudingsdoelstellingen, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting geen significante gevolgen heeft voor natuurgebied Kennemerland-Zuid. Geconcludeerd moet daarom worden de Habitatrichtlijn in zoverre niet aan het plan in de weg staat.

2.9.    Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het plan niet uitvoerbaar is, nu geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) kan worden verleend.

2.9.1.    De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.9.2.    Ter zitting is gebleken dat op het moment dat verweerder zijn beslissing nam een ontheffing op grond van de Ffw was verleend ten behoeve van de herinrichting van het plangebied. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat verweerder er op voorhand van had moeten uitgaan dat dit besluit in rechte geen stand zal kunnen houden. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.10.     Appellanten hebben zich in hun beroepschriften ten aanzien van een aantal bezwaren beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van eerder in de onderhavige procedure naar voren gebrachte stukken waaronder de bedenkingen. In de overwegingen van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben in hun beroepschriften noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.11.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.12.    De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Kegge

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

399.