Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200702172/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 18 november 2005 en 21 november 2005 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de over de tijdvakken 1 oktober 2004 tot 1 juli 2005 respectievelijk 1 juli 2005 tot 31 december 2005 krachtens de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) aan appellant toegekende huursubsidie gewijzigd van € 975,51 en € 685,08 in nihil en de uitgekeerde bedragen teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702172/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1421 van de rechtbank Leeuwarden van 15 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 november 2005 en 21 november 2005 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de over de tijdvakken 1 oktober 2004 tot 1 juli 2005 respectievelijk 1 juli 2005 tot 31 december 2005 krachtens de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) aan appellant toegekende huursubsidie gewijzigd van € 975,51 en € 685,08 in nihil en de uitgekeerde bedragen teruggevorderd.

Bij besluit van 19 mei 2006 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 april 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

Bij brieven van 30 juli 2007 en 1 augustus 2007 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Ilicic, advocaat te Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H. Ipenburg, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) zijn onder meer de artikelen 33 en 36 van de Hsw komen te vervallen en is artikel 5 van de Hsw gewijzigd. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu de subsidietijdvakken waarop voormeld besluit ziet vóór 1 januari 2006 zijn aangevangen, zijn de oude bepalingen van toepassing.

2.2.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef, van de Hsw wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten, verstaan onder rekenhuur: de huurprijs die de huurder op de peildatum per maand is verschuldigd of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte daarover gestelde regels.

    Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan, bij de toepassing van het eerste lid, het in de aanhef van dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in plaats van de verschuldigde huurprijs in aanmerking worden genomen nadat, op verzoek van de minister, de huurcommissie, dan wel de voorzitter van de huurcommissie, aan de minister en aan de huurder advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent die verklaring nadere regels worden gesteld.

   Ingevolge artikel 33, eerste lid, zoals de bepaling ten tijde van belang luidde, zijn de huurder en de medebewoners verplicht uit eigen beweging aan de Minister onmiddellijk alle inlichtingen te verstrekken, waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huursubsidie.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn de in het eerste lid bedoelde personen verplicht de in dat lid bedoelde gegevens desgevraagd te verstrekken aan burgemeester en wethouders, aan onze minister en aan de door onze minister daartoe aangewezen ambtenaren.

   Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Hsw kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend:

a. in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen;

b. als gevolg van het niet naleven van de artikelen 30a, vierde lid, of 33, tweede lid.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan aan een besluit, als bedoeld in het eerste lid, terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak:

a. als de door de huurder of de medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest,

b. als de artikelen 30a, vierde lid, of 33, tweede lid, niet worden nageleefd, of

c. als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kan, als het eerste lid toepassing vindt, de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.3.    Bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 18 november 2005 en 21 november 2005 heeft de minister de eerder aan appellant toegekende en uitbetaalde huursubsidie gewijzigd in nihil en deze bedragen teruggevorderd. Hij is hiertoe overgegaan omdat, samengevat weergegeven, geen inhoudelijke verklaring over de hoogte en de redelijkheid van de huurprijs van de voorzitter van de huurcommissie, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Hsw is verkregen. Dit is, zo stelt de minister, te wijten aan appellant omdat hij, in strijd met artikel 33 van de Hsw, niet heeft meegewerkt aan het verstrekken van de benodigde informatie.

2.4.    Appellant betoogt dat artikel 36, eerste lid, van de Hsw geen wettelijke grondslag kan vormen voor de onderhavige, in bezwaar gehandhaafde, besluiten tot herziening omdat hem eerst na toekenning van de huursubsidie het verwijt is gemaakt dat hij niet heeft meegewerkt aan de uit artikel 33, tweede lid, van de Hsw voortvloeiende verplichting tot het verschaffen van inlichtingen.

2.4.1.    Hoewel appellant eerst nadat de minister hem huursubsidie heeft toegekend, in strijd met de op hem ingevolge artikel 33, tweede lid, rustende verplichting heeft gehandeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat om die reden artikel 36, eerste lid, van de Hsw geen wettelijke grondslag kan vormen voor de thans ter beoordeling staande, in bezwaar gehandhaafde, herzieningen. Hierbij acht zij van belang de ter zitting door de minister gegeven toelichting dat in de praktijk een werkwijze wordt gevolgd, waarbij, gelet op het aanzienlijke aantal aanvragen om huursubsidie voor de beoordeling waarvan een verklaring van de huurcommissie als hier bedoeld nodig is en het ter verkrijging van die verklaring uitgevoerde onderzoek, waarmee aanmerkelijke tijd is gemoeid, de aanvragen alvast worden ingewilligd alvorens dit onderzoek door de huurcommissie wordt uitgevoerd. Zou deze, voor appellant in beginsel gunstige, werkwijze niet worden gevolgd, dan zou de periode gedurende welke hij nog geen huursubsidie uitgekeerd krijgt wellicht onaanvaardbaar lang worden.

2.5.    Appellant betwist voorts dat uit zijn afwezigheid tijdens de twee huisbezoeken van de huurcommissie de conclusie kan worden getrokken dat hij heeft geweigerd mee te werken aan het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en in strijd met artikel 33, tweede lid, van de Hsw heeft gehandeld. In dat verband wijst hij er op dat tijdens het tweede bezoek van de huurcommissie een vriend van hem in zijn woning aanwezig was die de deur heeft opengedaan.

2.5.1.    Vast staat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dat appellant bij brief van 27 juli 2005 op de hoogte is gesteld van het bezoek van de huurcommissie van 10 augustus 2005, dat hij op laatstgenoemde datum niet thuis was, dat hij bij brief van 16 augustus 2005 op de hoogte is gesteld dat de huurcommissie hem op 9 september 2005 zou komen bezoeken, op welke datum hij wederom niet thuis was. Appellant heeft niet weersproken dat hij van de aangekondigde bezoeken op de hoogte was. Blijkens de verklaring van de huurcommissie van 30 september 2005, voor zover thans van belang, heeft de voorzitter geen inhoudelijke verklaring verstrekt omdat geen onderzoek aan de woning heeft kunnen plaatsvinden aangezien de huurder niet thuis getroffen werd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat tijdens het tweede bezoek van de huurcommissie onderzoek in de woning mogelijk was. De door hem in hoger beroep overgelegde getuigenverklaring van [getuige] van 30 juli 2007 is daartoe niet voldoende. Daargelaten of met deze verklaring is aangetoond dat [getuige] ook daadwerkelijk in de woning aanwezig was ten tijde van het tweede bezoek door de huurcommissie, blijkt hieruit niet dat appellant hem toestemming heeft verleend om in zijn afwezigheid de woning door derden te laten betreden en te onderzoeken. De minister heeft dan ook mogen uitgaan van de juistheid van de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie en heeft hieraan terecht het oordeel verbonden dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Hsw rustende inlichtingenplicht. Voor zover appellant nog heeft gesteld dat de minister niet mocht overgaan tot terugvordering omdat artikel 33, tweede lid, van de Hsw geen wettelijke grondslag biedt in verband waarmee terugvordering kan plaatsvinden, faalt dit reeds omdat dit artikellid uitdrukkelijk staat vermeld in artikel 36, eerste en tweede lid, onder b, van de Hsw.    

2.6.    Appellant voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat in de brieven van 27 juli 2005 en 16 augustus 2005, waarin het huisbezoek door de huurcommissie werd aangekondigd, niet staat vermeld dat het niet op tijd kunnen verstrekken van de verklaring van de huurcommissie tot gevolg kan hebben dat reeds betaalde huursubsidie kan worden teruggevorderd.

2.6.1.    Daargelaten dat in die brieven wordt gewezen op de mogelijkheid dat indien het geplande onderzoek van de huurcommissie niet kan plaatsvinden, dit consequenties kan hebben voor de aanvraag, is aan het slot van het aanvraagformulier van 24 september 2004 vermeld dat appellant akkoord gaat met het opvragen en controleren van zijn gegevens, dat als blijkt dat te veel huursubsidie is ontvangen, hij het te veel ontvangen bedrag zal terugbetalen dan wel dat hij verrekening toestaat, en dat hij er mee instemt dat de huurcommissie een uitspraak zal doen over de redelijkheid van de huurprijs. Reeds uit die mededeling had appellant kunnen en moeten afleiden dat de mogelijkheid bestond dat de huurcommissie op verzoek van de minister een onderzoek zou doen naar de redelijkheid van de huurprijs en dat hij bij het niet meewerken daaraan het risico liep dat hij reeds ontvangen huursubsidiebedragen zou moeten terugbetalen.

2.7.    Voor zover appellant zich erop beroept dat uit het bij de rechtbank bestreden besluit niet valt af te leiden dat de minister een belangenafweging heeft gemaakt bij zijn besluit tot terugvordering, faalt dit beroep omdat uit dit besluit blijkt dat de minister deze wel degelijk heeft gemaakt. De financiële situatie van appellant hoefde de minister naar het oordeel van de Afdeling daarbij niet als een zodanig bijzondere omstandigheid aan te merken dat hij op grond daarvan niet in redelijkheid had mogen overgaan tot terugvordering.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Scheerhout

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

318.