Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200706440/1 en 200706440/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan Swagro Bouw B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een appartementengebouw op het perceel Dolderstraat 1 tot en met 11D (oneven; tevens bekend als Nobelweg 3) te Wageningen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706440/1 en 200706440/2.

Datum uitspraak: 25 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Wageningen,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/2144 van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan Swagro Bouw B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een appartementengebouw op het perceel Dolderstraat 1 tot en met 11D (oneven; tevens bekend als Nobelweg 3) te Wageningen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 6 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2007, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 9 oktober 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2007, waar appellanten, in de personen van [twee van de appellanten], en het college, vertegenwoordigd door ing. H. de Jong, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], rechtsopvolgster van Swagro Bouw B.V., vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede, en [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat, nu partijen op die mogelijkheid in de uitnodiging voor de zitting is gewezen, ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Het bouwplan, dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan "Bovenbuurt 1976", voorziet in de bouw van een appartementengebouw met zes bouwlagen bij een kruispunt. De bedoeling is dat uiteindelijk drie appartementengebouwen bij het kruispunt worden opgericht. Om verwezenlijking van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat hen door de verantwoordelijke wethouder is toegezegd dat de uitwerking van de plannen voor het perceel in overleg met hen als bewoners zou gebeuren, hetgeen niet is gebeurd.

2.3.1.    Blijkens het verslag van de openbare vergadering van de commissie voor ruimtelijke ordening, grondzaken en milieu van 9 mei 2001 heeft een wethouder, als voorzitter van die commissie, te kennen gegeven dat de in de "Stedenbouwkundige Studie Nobelweg e.o." van 18 oktober 2000 neergelegde variant 2 zal worden uitgewerkt in overleg met de bewoners. Van een inhoudelijke toezegging betreffende het onderhavige bouwplan is geen sprake. Ten hoogste kan worden gesproken van een toezegging met betrekking tot een procedurele inspanning die ziet op de uitwerking van plannen die het college voor het perceel en zijn omgeving had. Die uitwerking is thans niet meer aan de orde, aangezien, zoals het college ter zitting heeft aangegeven, de planvorming voor het perceel door een projectontwikkelaar ter hand is genomen. Nu voorts, gelet op het door het gemeentebestuur en vergunninghoudster ingenomen standpunt met betrekking tot de ontwikkeling van het perceel, niet aannemelijk is dat overleg met appellanten zou hebben geleid tot een bouwplan met minder dan zes bouwlagen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het besluit op bezwaar te vernietigen vanwege het achterwege blijven van dat overleg. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking, dat appellanten hun standpunt over de onwenselijkheid van dit bouwplan zowel voor als na de vergunningverlening naar voren hebben gebracht.

   Het betoog faalt.

2.4.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.4.1.    In de "Ruimtelijke onderbouwing 'Nobelweg 3'" wordt vermeld dat er vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanleiding bestaat om de bij het kruispunt beoogde appartementengebouwen niet tot vier lagen te beperken. Het aantal van vier lagen komt overeen met de hoogte van de bestaande bebouwing in de omgeving van het perceel. Hierdoor zal nieuwbouw in vier lagen zich manifesteren als een voortzetting van de bestaande bebouwing, waardoor in de structuur van de wijk de Dolderstraat in hiërarchie ondergeschikt lijkt aan de Nobelweg. Om dit te voorkomen bestaat, aldus de ruimtelijke onderbouwing, aanleiding het kruispunt waaraan het bouwplan ligt als een zelfstandig ruimtelijk element (entiteit) boven beide wegen uit te tillen met bebouwing met een vergelijkbare "footprint" en eenduidige hoogte. Van een accent is volgens de ruimtelijke onderbouwing al sprake bij een hoogte van 1,5 maal de hoogte van de aangrenzende bebouwing. Om het kruispunt als een entiteit te ervaren moet de hogere bebouwing op minimaal drie hoeken worden gerealiseerd. Bij één of twee hogere gebouwen is er sprake van incidenten, waarvoor de structuur van de wijk geen aanleiding geeft.

2.4.2.    Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat het college met deze motivering, gelet op de beslissingsruimte die het college ten deze toekomt, voldoende is ingegaan op de hoogte van het bouwplan in relatie tot de omgeving. Zij heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat, zoals appellanten betogen, in de "Stedenbouwkundige Studie Nobelweg e.o." wordt uitgegaan van gebouwen met maximaal vier bouwlagen, leidt niet tot een ander oordeel. Die studie heeft immers slechts een globaal karakter en het college heeft in de "Ruimtelijke onderbouwing 'Nobelweg 3'" afdoende gemotiveerd waarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanleiding bestaat om het bouwplan niet tot vier lagen te beperken. De stelling van appellanten dat met name financiële redenen ten grondslag liggen aan de beslissing om een appartementengebouw met zes bouwlagen te realiseren, doet, wat daar ook van zij, aan de draagkracht van de door het college gegeven motivering niet af en leidt derhalve evenmin tot een ander oordeel.

   Het betoog slaagt niet.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Roessel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2007

457.