Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200702949/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven het uitwerkingsplan "2e uitwerking van het bestemmingsplan Oost II" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/838 met annotatie van mr. F. Arents
TBR 2008/53 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2008/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702949/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven het uitwerkingsplan "2e uitwerking van het bestemmingsplan Oost II" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 maart 2007, kenmerk DRM/ARW/07/1982A, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2007, en [appellanten sub 2] bij brief van 20 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, beroep ingesteld.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2007, waar [gemachtigde], in persoon, [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door drs. M.J. van Mastrigt, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.A. Looij, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven, vertegenwoordigd door J. Kok, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op verweerder de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2.    Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de WRO worden uitwerkingen en wijzigingen als in dit artikel bedoeld, geacht van het bestemmingsplan deel uit te maken, met dien verstande, dat zij, zolang en voor zover de bestemming nog niet is verwerkelijkt, kunnen worden herzien op dezelfde wijze, als waarop zij tot stand zijn gebracht. Hieruit volgt dat herziening met toepassing van artikel 11, zesde lid, van de WRO niet mogelijk is indien de in een uitwerkingsplan neergelegde bestemming is verwerkelijkt.

2.3.    Uit de stukken is gebleken dat de bestemming "Uit te werken woondoeleinden (UW)" van het bestemmingsplan "Oost II" in 1998 is uitgewerkt in het uitwerkingsplan "Woongebied Thiendenland".

   Met het aan de orde zijnde uitwerkingsplan "2e uitwerking van het bestemmingsplan Oost II" heeft het college van burgemeester en wethouders beoogd het uitwerkingsplan "Woongebied Thiendenland" gedeeltelijk te herzien.

2.4.    De plandelen waarop het uitwerkingsplan "2e uitwerking van het bestemmingsplan Oost II" ziet, zijn in het uitwerkingsplan "Woongebied Thiendenland" bestemd als "Water en groen".

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ter plaatse van de desbetreffende plandelen grasvelden zijn aangelegd, met daarop bomenrijen en struiken. Derhalve is de in het uitwerkingsplan "Woongebied Thiendenland" neergelegde bestemming verwerkelijkt. Het college was derhalve niet langer bevoegd het uitwerkingsplan vast te stellen.

2.5.    Gelet op het vorenstaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 11, zesde lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

   De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6.    Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plan. Gelet hierop behoeven de beroepen van appellanten inhoudelijk geen bespreking.

2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 20 maart 2007, kenmerk DRM/ARW/07/1982A;

III.    onthoudt goedkeuring aan het uitwerkingsplan "2e uitwerking van het bestemmingsplan Oost II";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 1] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto               w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

325-559.