Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200701582/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft de gemeenteraad van Castricum het bestemmingsplan "Dorpskom 2000" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701582/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft de gemeenteraad van Castricum het bestemmingsplan "Dorpskom 2000" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 januari 2007, kenmerk 2006-69768, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij faxbericht van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellanten hebben het beroep aangevuld bij faxbericht van 30 maart 2007.

Bij brief van 25 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2007, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde], en vertegenwoordigd door mr. D. Elmhassani, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. E.D. van Zijll, advocaat te Amsterdam, en D. Bruin, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geschil betreft het plandeel dat voorziet in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden met bijbehorende erven" ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats]. Op dit perceel bevinden zich een stolpboerderij en een schuur. Op het perceel is [lampenkappenatelier] gevestigd.

2.2.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    Appellanten stellen dat het voorste gedeelte van het perceel buiten de bebouwingsgrens en het bebouwingsvlak ligt, waardoor ten onrechte de bouwmogelijkheden zijn beperkt, terwijl hun diverse malen is toegezegd dat zij een woning mochten bouwen op het voorste gedeelte van het perceel. Voor deze beperking in bouwmogelijkheden is geen goede ruimtelijke onderbouwing gegeven, aldus appellanten.

   Voorts stellen appellanten dat onduidelijk is of de bij besluit van 5 oktober 2005 vergunde bebouwing is opgenomen in het bestemmingsplan. Met een ruim bebouwingsvlak op het achterste gedeelte van het perceel is volgens hen niet tegemoetgekomen aan hun belangen. Volgens appellanten kunnen zij ten onrechte geen gebruik maken van de in artikel 11, lid B, onder I, sub b1, van de planvoorschriften opgenomen uitbreidingsmogelijkheid.

2.4.    Wat betreft het ontbreken van een mogelijkheid om op het voorste gedeelte van het perceel bebouwing te realiseren, overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.1.    Ingevolge artikel 11, lid B, onder I, sub a, van de planvoorschriften dient de hoofdbebouwing binnen het bebouwingsvlak te worden gebouwd, waarbij als uitgangspunt voor de maatvoering de goothoogte, bouwhoogte, kapvorm en nokinrichting geldt zoals deze bestond ten tijde van het ter inzage leggen van het plan.

   Ingevolge artikel 11, lid B, onder I, sub b, is erfbebouwing toegestaan, mits het grondoppervlak aan bestaande bebouwing op het bouwperceel met niet meer dan tien procent wordt uitgebreid en mogen gebouwen uitsluitend achter de voorgevelbouwgrens worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 1, onder b6, wordt onder bestaande bebouwing de bebouwing aanwezig ten tijde van de in artikel 23 van de WRO bedoelde terinzagelegging van het (ontwerp)bestemmingsplan verstaan.

   Ingevolge artikel 1, onder b3, is een bebouwingsvlak een door bebouwings- en/of bestemmingsgrenzen op de kaart aangegeven vlak, waarbinnen ingevolge de voorschriften bepaalde bebouwing is toegestaan.

   Ingevolge artikel 1, onder b12, is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.4.2.    Op de plankaart is op het achterste gedeelte van het perceel [locatie] een bebouwingsvlak aangeduid, waarbinnen de bestaande stolpboerderij en een gedeelte van de bestaande schuur zijn gelegen. De bebouwingsgrens en de zogenoemde voorgevelbouwgrens zijn ter plaatse van de voorgevel van het hoofdgebouw aangegeven. Dit betekent dat ingevolge de voornoemde bebouwingsbepalingen het door appellanten bedoelde voorste, tussen de boerderij en de Burgemeester Boreelweg gelegen, gedeelte van het perceel niet mag worden bebouwd. Op dit gedeelte van het perceel bevindt zich thans weliswaar een deel van een schuur maar tussen partijen is niet in geschil dat het in de bedoeling ligt dat deze zal worden gesloopt, omdat reeds een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een nieuwe schuur binnen het bebouwingsvlak.

   Voor zover appellanten wijzen op het feit dat het vorige plan, te weten het uitbreidingsplan "Castricum 1936", ruimere bebouwingsmogelijkheden bood, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het voornoemde uitbreidingsplan meer dan 70 jaar oud is en dat de gemeenteraad zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plan niet geacht kan worden een weerslag te zijn van actuele planologische inzichten.

   In de beantwoording van de zienswijze en in de nadere memorie van 1 juni 2007 heeft de gemeenteraad uiteengezet dat er voor is gekozen de voorgevelrooilijn van de Hoogevoort zoals deze loopt aan de noordzijde van de Doctor Leenaersstraat door te trekken. Dit brengt met zich dat op het voorste gedeelte van het perceel geen bebouwing is toegestaan. In de plantoelichting is vermeld dat het gemeentelijk beleid is gericht op behoud en versterking van de karakteristieke bebouwing. Het beleid is er op gericht de architectonische verschijningsvorm en de stedenbouwkundige uitgangspunten van de oorspronkelijke bebouwing in het plangebied waar mogelijk te beschermen. In dit geval wordt belang gehecht aan de karakteristieke verschijningsvorm van de stolpboerderij. Op de plankaart heeft deze bebouwing daarom ook de aanduiding "karakteristieke bebouwing" gekregen. Verder heeft de gemeenteraad het behoud van de huidige open situatie, waarbij tussen de bebouwing en de Burgemeester Boreelweg een groenstrook is gelegen die bovendien aan de overzijde van de Doctor Leenaersstraat doorloopt, gelet op het zicht op bedoelde karakteristieke stolpboerderij, uit stedenbouwkundig oogpunt gewenst geacht. Niet in geschil is dat in verband met de bedrijfsvoering op het perceel een grotere schuur noodzakelijk is. Appellanten hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk is dat de bebouwing ook op het ten oosten van de voorgevelrooilijn gelegen gedeelte van het perceel moet kunnen worden gerealiseerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat op het achterste gedeelte van het perceel voldoende ruimte voor de realisering van een nieuwe grotere schuur aanwezig is. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in navolging van de gemeenteraad in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de karakteristieke bebouwing die met de in het plan neergelegde voorgevelrooilijn wordt gediend dan aan het belang van appellanten.

2.4.3.    Ten aanzien van het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in de mogelijkheid van een woning op het voorste gedeelte van het perceel zou voorzien. Uit de door appellanten genoemde brief van 18 november 1970, waarin wordt gesproken over de mogelijkheid van bewoning van een deel van het pand [locatie], kan naar het oordeel van de Afdeling een dergelijke toezegging niet worden afgeleid. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plandeel te onthouden.

2.4.4.    Gelet op het vorenstaande heeft de gemeenteraad in redelijkheid kunnen afzien van honorering van de wens van appellanten om in het plan de mogelijkheid van bebouwing op het voorste gedeelte van het perceel op te nemen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.5.    Voor zover appellanten stellen dat onduidelijk is of de bij besluit van 5 oktober 2005 vergunde bebouwing is opgenomen in het bestemmingsplan en dat zij ten onrechte geen gebruik kunnen maken van de uitbreidingsmogelijkheid van tien procent die in artikel 11, lid B, onder I, sub b1, van de planvoorschriften is opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5.1.    Appellanten wensen de bestaande schuur te slopen en hiervoor in de plaats een nieuwe grotere schuur te bouwen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de in het plan opgenomen uitbreidingsregeling voor erfbebouwing in artikel 11, lid B, onder I, sub b1, van de planvoorschriften. Ingevolge deze bepaling mag erfbebouwing worden uitgebreid, mits het grondoppervlak aan bestaande bebouwing met niet meer dan tien procent wordt uitgebreid. Onder bestaande bebouwing wordt ingevolge artikel 1, onder b6, verstaan de bebouwing aanwezig op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan. Dit betekent dat appellanten een uitbreidingsmogelijkheid hebben van tien procent van de totale oppervlakte van de ten tijde van genoemde peildatum bestaande bebouwing op het perceel, te weten de stolpboerderij en de bestaande schuur. Niet valt in te zien dat appellanten geen gebruik kunnen maken van deze mogelijkheid. Het bebouwingsvlak is voor erfbebouwing niet bepalend. De omvang van het perceel achter de voorgevelbouwgrens biedt voldoende ruimte voor uitbreiding. Waar het appellanten echter kennelijk om gaat, is dat zij menen dat zij, naast de bestaande en de bij besluiten van 5 oktober 2005 en 15 maart 2006 met vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO vergunde bebouwing, ook nog aanspraak kunnen maken op een uitbreidingsmogelijkheid van tien procent van de bestaande èn vergunde bebouwing. De stelling van appellanten dat het plan hierin niet voorziet is juist. Voor zover appellanten nog wijzen op de omstandigheid dat in de toelichting is vermeld dat na de terinzagelegging van het ontwerpplan verleende bouwvergunningen wel worden betrokken bij de bestaande bebouwing, wordt overwogen dat de toelichting geen bindend onderdeel van het bestemmingsplan is. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gemeenteraad niet aan de wens van een ruimere uitbreidingsmogelijkheid, waarbij tevens de reeds vergunde bebouwing als uitgangspunt zou moeten gelden voor de uitbreidingsregeling, voorbij heeft kunnen gaan. Hierbij heeft de gemeenteraad in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat het een conserverend plan betreft waarin bedrijven in de huidige omvang positief worden bestemd, met een kleine uitbreidingsruimte voor ontwikkelingen. Dat hierop reeds is vooruitgelopen met de met vrijstelling verleende bouwvergunningen maakt dit niet anders. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat een ruimere uitbreidingsmogelijkheid voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

   Wat betreft de bouwvergunning eerste fase, met vrijstelling verleend bij besluit van 5 oktober 2005, en de bouwvergunning tweede fase, verleend bij besluit van 15 maart 2006, is ter zitting evenwel komen vast te staan dat hetgeen is vergund een uitbreiding van de bestaande bebouwing mogelijk maakt met meer dan tien procent. Gelet op de in artikel 11, lid B, onder I, sub b, van de planvoorschriften opgenomen uitbreidingsregeling met een maximum van tien procent, moet worden geoordeeld dat een gedeelte van de reeds vergunde bebouwing niet als zodanig is bestemd, terwijl de gemeenteraad wel heeft beoogd de in de bouwvergunningen voorziene schuur als zodanig in het plan mogelijk te maken. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad bevestigd dat er geen planologische bezwaren bestaan tegen het bouwen van een nieuwe schuur in de door appellanten gewenste en in de bouwvergunningen voorziene omvang. Bovendien is ter zitting gebleken dat ook de hoogte van de in de vergunningen opgenomen bebouwing aanzienlijk hoger is dan in het plan is toegestaan. Hoewel de eerstgenoemde vergunning nog niet onherroepelijk is, heeft de gemeenteraad ter zitting aangegeven zich nog steeds op het standpunt te stellen dat er geen planologische bezwaren zijn tegen de bouw van de vergunde schuur.

   Uit het vorenstaande volgt dat bij de vaststelling van het plan geen rekening is gehouden met de bebouwing, zoals deze bij de genoemde bouwvergunningen reeds was vergund. Gelet hierop is het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden met bijbehorende erven", voor zover gelegen achter de voorgevelbouwgrens, ter plaatse van de [locatie ] te [plaats] vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder in zoverre gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hiervoor genoemde plandeel, dat op de bijgevoegde kaart is aangegeven, dient te worden vernietigd. Hieruit volgt tevens dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het hiervoor genoemde plandeel.

2.6.    Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 9 januari 2007, kenmerk 2006-69768, voor zover het de goedkeuring betreft van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden met bijbehorende erven", voor zover gelegen achter de voorgevelbouwgrens, ter plaatse van de [locatie ] te [plaats], zoals op de bijgevoegde kaart is aangegeven;

III.    onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,33 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007

357-535.

plankaart