Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6790

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200706272/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft verweerder het verzoek van verzoekers sub 1 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van verzoekster sub 2 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/1262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706272/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoekers sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Delfluent Services B.V.", gevestigd te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft verweerder het verzoek van verzoekers sub 1 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van verzoekster sub 2 afgewezen.

Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft verweerder naar aanleiding van het door verzoekers sub 1 hiertegen gemaakte bezwaar verzoekster sub 2 lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 8.C.2.2.2 van de op 15 augustus 2000 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 bij brief van 29 augustus 2007, bij verweerder ingekomen op 3 september 2007, en verzoekster sub 2 bij brief van 29 september 2007, bij verweerder ingekomen op 29 september 2007, bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de bezwaarschriften van verzoekers sub 1 en 2 ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar de Raad van State, waar deze op respectievelijk 1 oktober 2007 en 5 oktober 2007 zijn ingekomen.

Bij brief van 29 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 29 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2007, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2007, waar verzoekers sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te 's-Hertogenbosch, drs. F.J.H. Vossen, E.A. Bach en P.P.M. Oostdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.F.C. Kisters, ing. R. Bontje en dr. Th.S.V. Buijs, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Ingevolge voorschrift 8.C.2.2.2 mag de geurimmissie vanwege de inrichting de waarde van 1 ge/m3, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op bepaalde referentiepunten niet meer dan 2 procent van de tijd (98 percentiel) overschrijden.

2.3.    Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 8.C.2.2.2, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

2.4.    Verzoekers sub 1 en 2 betogen dat de opgelegde lasten er niet toe leiden dat een herhaling van de overtreding van voorschrift 8.C.2.2.2 wordt voorkomen.

2.4.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster sub 2 gelast overtreding van voorschrift 8.C.2.2.2 achterwege te laten door:

"1. het uitvoeren van alle in uw plan van aanpak van juli 2007, kenmerk OTVR0715, beschreven maatregelen, met uitzondering van maatregelen die betrekking hebben op de vetproblematiek in de voorbezinktanks. Indien u niet aan deze last voldoet, bent u een dwangsom verschuldigd (…) per maand dat u niet aan de immissienorm voldoet. (…)

2. het instellen van een nader onderzoek naar de oorzaak en de oplossingen voor de vetproblematiek in de voorbezinktanks en dit in een rapport vast te (laten) leggen. (…) Indien u niet aan deze last voldoet, bent u een dwangsom verschuldigd (…) per week dat dit rapport niet in ons bezit is. (…)"

2.4.2.    Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

2.4.3.    Verzoekster sub 2 is op grond van de opgelegde lasten onder dwangsom niet gehouden maatregelen te treffen ten aanzien van de geuremissie vanwege de vetproblematiek in de voorbezinktanks. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Voorzitter op dat verweerder van oordeel is dat het treffen van dergelijke maatregelen wel noodzakelijk is om een herhaling van de overtreding van voorschrift 8.C.2.2.2 te voorkomen. Ook de Voorzitter acht het aannemelijk dat het treffen van dergelijke maatregelen in dit verband noodzakelijk is. Gelet hierop acht de Voorzitter het niet waarschijnlijk dat een herhaling van de overtreding van voorschrift 8.C.2.2.2 wordt voorkomen, zelfs indien verzoekster sub 2 alles heeft gedaan waartoe zij op grond van de opgelegde lasten is gehouden om een herhaling van de overtreding van dit voorschrift te voorkomen. Gelet hierop verdragen de opgelegde lasten zich naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter niet met artikel 5:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Reeds hierom moeten de verzoeken van verzoekers sub 1 en 2, voor zover deze zien op schorsing van de opgelegde lasten onder dwangsom, worden toegewezen.

2.5.    Voor zover verzoekers sub 1 voorts verzoeken om bij wijze van voorlopige voorziening onderhavige inrichting te laten stilleggen, omdat na ruim een jaar overlast nog geen definitieve oplossing voorhanden is, overweegt de Voorzitter als volgt. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat het water dat nu in onderhavige installatie wordt gezuiverd voorheen door de waterzuiveringsinstallatie Houtrust moest worden verwerkt. Omdat de zuiveringscapaciteit daar niet toereikend was om al het afvalwater te zuiveren werd een deel van het afvalwater ongezuiverd op zee geloosd. Stilleggen van onderhavige installatie zou tot gevolg hebben dat opnieuw ongezuiverd afvalwater op zee zou worden geloosd. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dit niet gewenst te achten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Voorzitter verder op dat verzoekster sub 2 inmiddels doende is om maatregelen te treffen teneinde de geuremissie terug te dringen. Daargelaten de vraag of het treffen van deze maatregelen er toe zal leiden dat een herhaling van de overtreding van de immissienorm wordt voorkomen, verwacht de Voorzitter dat dit er wel toe zal leiden dat de geuruitstoot wordt verminderd.

   Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter, de betrokken belangen in aanmerking nemend, aanleiding het verzoek van verzoekers sub 1 om stillegging van onderhavige inrichting af te wijzen.

2.6.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient ten aanzien van verzoekster sub 2 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten van verzoekers sub 1 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 24 augustus 2007, kenmerk PZH-2007-321091;

II.    wijst het verzoek van verzoekers sub 1 voor het overige af;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij verzoekster sub 2 in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan verzoekster sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor verzoekers sub 1 en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor verzoekster sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen     w.g. Van Hamond

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

446.