Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
200705176/1 en 200705176/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2006 heeft de gemeenteraad van Gouda het bestemmingsplan "Koningshof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705176/1 en 200705176/2.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de stichting "Stichting Platform Binnenstad West", gevestigd te Gouda,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2006 heeft de gemeenteraad van Gouda het bestemmingsplan "Koningshof" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 22 mei 2007, kenmerk DRM/ARW/07/35A, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, beroep ingesteld. Bij brief van 21 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. J. Breedveld en mr. D.F. Woudenberg, en verweerder, vertegenwoordigd ing. J.A. Looij, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A.A. de Bruijn en S. Davids, ambtenaren in dienst van de gemeente, en Koningsveste c.v., vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, als partijen gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    De gemeenteraad en Koningsveste c.v. stellen dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend en geen machtiging is overgelegd waaruit volgt dat [gemachtigde] bevoegd is om namens appellante beroep in te stellen dan wel om namens appellante zienswijzen en bedenkingen naar voren te brengen.

   De beroepstermijn eindigde op 21 juli 2007. Het beroepschrift is buiten deze termijn bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007. In de kennisgeving van het bestreden besluit in een vanwege de gemeente Gouda uitgegeven blad stond evenwel vermeld dat de beroepstermijn eindigde op 25 juli 2007. Nu het beroepschrift binnen deze in de kennisgeving vermelde termijn bij de Raad van State is ingekomen, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante op dit punt in verzuim is geweest. Gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht dient een niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de beroepstermijn derhalve in dit geval achterwege te blijven.

   Verder heeft appellante desgevraagd bij brief van 1 augustus 2007 aan de Raad van State een machtiging overgelegd waarin zij [gemachtigde] machtigt om namens haar beroep in te stellen.

   Ingevolge artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht konden de gemeenteraad en verweerder een schriftelijke machtiging verlangen toen [gemachtigde] namens appellante zienswijzen en bedenkingen naar voren bracht. Niet gebleken is dat de gemeenteraad en verweerder van deze bevoegdheid gebruik hebben gemaakt.

   Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4.    Appellante kan zich niet verenigen met de schaal en de hoogte van de bouwblokken B, E en J van woningbouwproject "De Koningshof". Volgens appellante is ten onrechte niet aangesloten bij de schaal en hoogte van de omliggende bebouwing dan wel de industriële gebouwen uit het verleden waardoor de (cultuurhistorische) waarden van de binnenstad van Gouda worden aangetast. Appellante acht het plan in zoverre in strijd met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht, de stedenbouwkundige visie en de nota hoogbouw. Verder voert appellante aan dat uitsluitend overwegingen van financiële aard een rol hebben gespeeld en dat het plan niet van toegevoegde waarde is voor de binnenstad van Gouda.

2.5.    Het plangebied bestaat uit een voormalig bedrijventerrein aan de rand van de binnenstad dat in verval is geraakt. De bouwblokken B, E en J liggen rondom een plein dat ongeveer in het midden van het plangebied is gesitueerd. De plankaart kent zowel aan bouwblok B als aan bouwblok J de aanduiding "maximale hoogte 23 en goothoogte 19 meter" toe. Op bouwblok E zijn volgens de plankaart de aanduidingen "maximale hoogte 22 en goothoogte 22 meter" en "maximale hoogte 18 en goothoogte 16 meter" van toepassing.

2.5.1.    De bouwblokken B, E en J liggen in zone C van het beschermd stadsgezicht. Voor zone C van het beschermd stadsgezicht geldt onder meer dat de schaal van de bebouwing beschermd dient te worden. Onder schaal wordt verstaan de maatverhouding tussen het (zichtbare deel van) het gebouw en de openbare ruimte concreet gevormd door

- goothoogte ten opzichte van straatbreedte;

- goothoogte ten opzichte van de breedte van het pand;

- onderverdeling van de gevel in de breedte en de hoogte.

   Blijkens de plantoelichting zijn de hiervoor genoemde elementen van het beschermd stadsgezicht bij de besluitvorming betrokken. Daarbij is er onder meer op gewezen dat aan de Turfsingel reeds grove bouwblokken van 4, 5 of 6 bouwlagen hoog aanwezig zijn en dat de hoge bebouwing in het midden van het plangebied wordt verdragen door de openheid aan de waterzijde van de Turfsingel. Aan de rand van het plangebied zorgen de kleinere blokken van eengezinswoningen van bouwblok D voor een overgang naar de bestaande bebouwing. Bij de bouwhoogten is verder rekening gehouden met de ligging van een aantal rijks- en gemeentelijke monumenten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitsluitend overwegingen van financiële aard een rol hebben gespeeld bij de schaal en de hoogte van de bouwblokken B, E en J.

2.5.2.    De bouwblokken B, E en J liggen blijkens de stukken niet in een gedeelte van Gouda waarvoor in de nota hoogbouw van mei 2005 maximale bouwhoogtes zijn opgenomen. De bouwblokken liggen evenmin in een gedeelte van Gouda waarvoor in deel 2 van de stedenbouwkundige visie voor de binnenstad en haar randen van 3 oktober 2005 een specifiek dwarsdoorsnede of profiel voor de openbare ruimte is opgenomen. Anders dan appellante heeft betoogd, kan verder niet staande worden gehouden dat de zogenaamde principeprofielen zich verzetten tegen de schaal en de hoogte van de bouwblokken B, E en J. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat de principeprofielen betrekking hebben op de rivierkade, haven, singels, symmetrische grachten, asymmetrische grachten, hoofdstraten, straten en stegen, en dat het plangebied - een voormalig bedrijventerrein - als zodanig niet valt onder de omschrijving van deze profielen in deel 2 van de stedenbouwkundige visie.

2.5.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beschermde stadsgezicht, de nota hoogbouw en de stedenbouwkundige visie niet in de weg staan aan de schaal en de hoogte van de bouwblokken B, E en J alsmede dat de (cultuurhistorische) waarden van de binnenstad niet zodanig worden aangetast dat dit in strijd moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

2.6.    De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.7.    Het beroep is ongegrond. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Jansen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

399.