Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6345

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200604926/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Son en Breugel het bestemmingsplan "Bosgebied West, reparatieherziening Golfbaan" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Besluit luchtkwaliteit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/818
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604926/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rendac Son B.V." (hierna: Rendac Son), gevestigd te Son, gemeente Son en Breugel,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    Brabantse Milieufederatie (hierna: de BMF), gevestigd te Tilburg, en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Son en Breugel het bestemmingsplan "Bosgebied West, reparatieherziening Golfbaan" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 juni 2006, no. 1145675, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben Rendac Son, bij brief van 4 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2006, [appellant sub 2], bij brief van 7 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2006, [appellanten sub 3], bij brief van 8 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2006, en de BMF en anderen, bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, beroep ingesteld. Rendac Son heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 10 augustus 2006.

Verweerder heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 februari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2007, waar Rendac Son, vertegenwoordigd door mr. I. Grijpma, advocaat te Leeuwarden, en [hoofd] Laboratorium & Milieu bij Rendac Son, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door drs. R. Bergmans, [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.M. van der Laar, en de BMF en anderen, vertegenwoordigd door [medewerker] van de BMF, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de gemeenteraad van Son en Breugel, vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.2.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe betogen zij dat hun perceel dat niet openbaar toegankelijk is gesteld, gelet op een toename van de recreatiedruk ten gevolge van de voorziene horeca en om golfballen te zoeken, door derden zal worden betreden. In het plan is, volgens appellanten, onvoldoende door maatregelen verzekerd dat overlast zal worden voorkomen. Zij vrezen voor een stijging van het, mogelijk verontreinigde, grondwater ten gevolge van een waterinlaat nabij hun perceel en waterpartijen op de gronden van de voorziene golfbaan. Een dergelijke stijging zal tot schade aan het productiebos op de gronden van appellanten leiden. Voorts vrezen zij dat de recreatiedruk en loslopende honden zullen leiden tot een aantasting van de in het bos aanwezige fauna.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft, voor zover thans van belang, het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij acht de ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften, toegestane veiligheidsnetten en afrasteringen toereikend om overlast te voorkomen. Voorts wijst hij er op dat het clubhuis en de parkeerplaatsen op een afstand van ongeveer 100 meter van de grens met het perceel van appellanten zijn voorzien en het gebruik als golfterrein niet zodanig intensief is dat dit tot een onaanvaardbare verstoring zal leiden. Verweerder stelt dat de gevolgen voor de waterhuishouding, ook in relatie tot de omliggende percelen, voldoende in beeld zijn gebracht. Dit onderzoek toont volgens hem aan dat er geen onevenredig nadelige hydrologische gevolgen zijn. Ten slotte stelt verweerder dat uit onderzoek is gebleken dat de aanleg van de golfbaan geen nadelige gevolgen heeft voor de bestaande kwaliteiten van de flora en fauna. Hij verwacht dat de voor de aanleg noodzakelijke ontheffing zal worden verleend, nu aan de te stellen voorwaarden kan en zal worden voldaan.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    De gronden van appellanten liggen ten noordoosten van het plangebied en grenzen daar over een lengte van ongeveer 230 meter direct aan. Aan de gronden van appellanten is in het voor die gronden geldende bestemmingsplan "Bosgebied West" de bestemming "Multifunctioneel bos" met de nadere aanduiding "III" toegekend, op grond waarvan de gronden zijn bedoeld voor actieve dagrecreanten. Ter plaatse kunnen onder andere speelvoorzieningen en trimtoestellen worden opgericht. Appellanten gebruiken de gronden incidenteel voor bosproductie.

2.4.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Golfbaan" bestemd voor (a) de aanleg en instandhouding van een golfbaan; (b) het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden en (c) de instandhouding van de leiding en het daarbij behorende ruimtebeslag ter plaatse van de op de kaart aangegeven aanduiding.

   Ingevolge het derde lid, aanhef en onder f, van dit artikel zijn op de gronden in verband met de bestemming binnen de doeleinden passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder verlichtingsarmaturen, toegelaten.

   Ingevolge het vierde lid, onder f, van dit artikel mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 6 meter bedragen, met uitzondering van de hoogte van de steunpalen voor de veiligheidsnetten en de hoogte van de afrasteringen van het terrein, welke ten hoogste 12 meter mogen bedragen.

2.4.3.    In de plantoelichting is het advies van Waterschap De Dommel met betrekking tot de golfbaan weergegeven. Vermeld is dat als de natuurwaarden in het multifunctioneel bos met toegevoegde natuurwaarde, dat nabij het golfterrein gelegen is, worden hersteld, een stijging te verwachten is van de gemiddeld laagste grondwaterstand in de zomerperiode en van de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de winterperiode. Dit hoeft geen negatieve invloed te hebben voor de bruikbaarheid van de golfbaan.

   Het drainagesysteem van de golfbaan zal in de zomer niet actief zijn en geen negatieve gevolgen hebben voor de omgeving. In de winterperiode zal door de drainage een grondwaterstandverlaging optreden in het multifunctioneel bos met toegevoegde natuurwaarde. De hoogte zal ongeveer 5 cm bedragen.

2.4.4.    In de plantoelichting is vermeld dat bij een intensieve inventarisatie van de fauna in het plangebied ter plaatse minder bijzondere beschermde (categorie 2 en 3) soorten zijn aangetroffen dan eerder verwacht. Door de wijziging van de Flora- en faunawet hoeft bij ruimtelijke ingrepen alleen nog ontheffing voor categorie 2 en 3 soorten te worden aangevraagd. Bij dit project wordt volgens de plantoelichting waarschijnlijk alleen artikel 10 (opzettelijk verstoren) in de aanlegfase overtreden. Wanneer hiermee rekening gehouden wordt door bijvoorbeeld de grondwerkzaamheden alleen in de winter uit te voeren en indien nodig mitigerende en compenserende maatregelen in het projectplan op te nemen, zal zonder probleem ontheffing worden verleend, aldus is vermeld in de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de mogelijke voorzieningen zoals vermeld in artikel 4, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften, niet in redelijkheid voldoende heeft kunnen achten om overlast op de gronden van appellanten te voorkomen dan wel te beperken. Overigens merkt de Afdeling ten aanzien van de stelling van appellanten dat hun gronden niet toegankelijk zijn voor het publiek, op dat vaststaat dat bedoelde gronden in het bestemmingsplan "Bosgebied West" mede zijn bestemd voor actieve dagrecreatie. Het voor de gronden van appellanten geldende planologische regime staat derhalve aan recreatief mede-gebruik van deze gronden door derden niet in de weg. Dat de gronden feitelijk niet toegankelijk zijn voor derden, maakt dat niet anders.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot de grondwaterstand, ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de effecten van het aanleggen van de golfbaan, met eventuele waterinlaat en -partijen, voldoende in beeld zijn gebracht en dat daarbij van onevenredige nadelige gevolgen niet is gebleken. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit de plantoelichting, zoals weergegeven in overweging 2.4.3., anders dan appellanten veronderstellen, volgt dat de stijging van de grondwaterstanden niet het gevolg is van de aanleg van de golfbaan, maar van het eventuele herstel van de natuurwaarden in het multifunctioneel bos met toegevoegde natuurwaarde, waarvan ook de gronden van appellanten deel uitmaken.

   Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich, op basis van hetgeen in overweging 2.4.4. is weergegeven, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de golfbaan geen nadelige gevolgen voor de bestaande kwaliteiten van de flora en fauna behoeft te hebben. De enkele vrees van appellant dat de fauna zal worden aangetast is daartoe onvoldoende.

   Gelet op het bovenstaande slagen de beroepsgronden van [appellanten sub 3] niet.

Het standpunt van [appellant sub 2], met uitzondering van de luchtkwaliteit, het provinciaal ruimtelijk beleid, de groenelementen en de stankcirkel

2.6.    Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe betoogt hij dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat de voorziene golfbaan de scheidslijn (de rijksweg A50) tussen het woongebied en de natuur overschrijdt. Voorts zorgt de aanleg van de golfbaan, volgens appellant, voor meer recreatieve druk op het natuurgebied "Oud Meer". Hij stelt dat geen sprake is van een adequate financiële onderbouwing van het plan. Ten onrechte ontbreekt de ontheffing inzake de Flora en faunawet. Het in de plantoelichting opgenomen baanontwerp overschrijdt, volgens appellant, de plangrens.

   Het plan voorziet, voor zover betreffende de te realiseren horecavoorziening, ten onrechte in het inrichten van ontvangstzalen. Voorts zijn in de planvoorschriften ten onrechte geen maximale afmetingen van de parkeervoorzieningen opgenomen en voorziet het plan, volgens appellant, ten onrechte niet in de bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle wegenstructuur. Artikel 4, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften is, voor zover daarbij een hek om de golfbaan mogelijk wordt gemaakt, in strijd met de toezeggingen van het gemeentebestuur over de publieke toegankelijkheid van het gebied. Ten slotte stelt appellant dat verweerder ten onrechte het plan inhoudelijk heeft gewijzigd door bij de onthouding van goedkeuring aan artikel 4, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften, ondergrondse bouwmogelijkheden toe te staan tot maximaal 250 m². Indien de wijziging mogelijk is, hadden de ondergrondse bouwmogelijkheden moeten worden beperkt tot één bouwlaag, aldus appellant.

Het bestreden besluit

2.7.    Verweerder heeft, voor zover thans van belang, goedkeuring onthouden aan artikel 4, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften voor wat betreft het rood omlijnde plandeel op de plankaart met dien verstande dat de onthouding van goedkeuring geldt voor de ondergrondse bouwmogelijkheden en met uitzondering van bouwmogelijkheden tot ten hoogste 250 m².

   Voorts acht verweerder het streven van het gemeentebestuur om de recreatiedruk rond het natuurgebied "Oud Meer" te verminderen en te verleggen naar de voorziene golfbaan haalbaar, nu de horecagelegenheid en de bijbehorende parkeerplaats ruimer zijn voorzien dan alleen voor de golfbaan noodzakelijk is. Hij acht voorts de bebouwingsmogelijkheden en bijbehorende parkeervoorzieningen in overeenstemming met de gewenste functies.

   Indien het zandpad met cultuurhistorische waarde verwijderd gaat worden dient voor de daarvoor benodigde werkzaamheden een aanlegvergunning te worden verleend. Gelet daarop en op de omstandigheid dat bij de beoordeling omtrent de aanlegvergunning de cultuurhistorische waarden betrokken moeten worden, acht verweerder het zandpad voldoende beschermd.

   De uitvoerbaarheid van het plan was, volgens verweerder, reeds opgenomen in het bestemmingsplan "Bosgebied West". Bij de beoordeling van dat plan is de uitvoerbaarheid voldoende verzekerd geacht. Dit oordeel is, mede gelet op het gestelde in het besluit van 27 februari 2003 van de gemeenteraad van Son en Breugel, nog steeds voldoende actueel.

   Verweerder constateert dat de toegestane vloeroppervlakte van maximaal 850 m2, ingevolge artikel 2, onder 9, van de planvoorschriften, enkel geldt voor bovengrondse bouwlagen. Ondergrondse bouwmogelijkheden zijn, volgens hem, niet gemaximeerd. Verweerder acht deze regeling te ruim, maar wil ook rekening houden met de naar zijn mening redelijke wens ondergrondse bouw mogelijk te maken en heeft gelet daarop goedkeuring onthouden aan artikel 4, vierde lid, onder a, met dien verstande dat de onthouding van goedkeuring geldt voor de ondergrondse bouwmogelijkheden en met uitzondering van bouwmogelijkheden tot ten hoogste 250 m2.

Toepasselijke voorschriften

2.8.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in 'Tabel strijdig gebruik/aanlegvergunningen' weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de werken en/of werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid slechts toelaatbaar indien:

   a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende (mede)bestemming zijn toegekend;

   b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

   In voornoemde tabel is ten aanzien van de gronden met de bestemming "Golfbaan" vermeld dat een aanlegvergunning is vereist voor het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem ter plaatse.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Ten aanzien van de beroepsgronden van appellant betreffende de ruimtelijke grens, de recreatieve druk, de Flora- en faunawet en het baanontwerp, overweegt de Afdeling het volgende.

   De enkele omstandigheid dat de rijksweg A50 wordt overschreden kan, zelfs indien sprake zou zijn van een ruimtelijke grens tussen natuur en woongebied, niet zonder meer leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

   Niet is gebleken dat verweerder zich, in navolging van het gemeentebestuur, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de te realiseren recreatieve voorzieningen het natuurgebied "Oud Meer" zullen ontlasten. De niet nader onderbouwde stelling van appellant dat de golfbaan zorgt voor meer recreatieve druk, is daartoe onvoldoende.

   Anders dan appellant stelt, is voor de goedkeuring van een bestemmingsplan niet vereist dat de benodigde ontheffingen in het kader van de Flora en faunawet reeds zijn verleend. Verweerder heeft kunnen volstaan met het standpunt dat de benodigde ontheffing kan worden verleend. Niet is gebleken dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

   De beroepsgrond van appellant dat het baanontwerp in de plantoelichting de plangrens overschrijdt, slaagt niet, nu deze beroepsgrond niet is gericht tegen enig onderdeel van het plan.

2.10.    Ten aanzien van de beroepsgronden van appellant betreffende artikel 4 van de planvoorschriften, overweegt de Afdeling het volgende.

   Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omvang van de parkeervoorzieningen voldoende gedetailleerd in de planvoorschriften is bepaald nu in artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften is opgenomen dat de parkeervoorzieningen binnen het op de plankaart weergegeven bouwvlak moeten worden gerealiseerd en in het derde lid, onder h, van dat artikel is opgenomen dat er maximaal 118 parkeerplaatsen mogen worden gerealiseerd.

   Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de in artikel 1, achtste lid, van de planvoorschriften opgenomen begripsomschrijving voor de aanduiding "horecavoorziening" en de voorwaarden betreffende bebouwing op de gronden met de bestemming "Golfbaan" die in artikel 4 van de planvoorschriften zijn opgenomen, onvoldoende zijn om het door appellant gevreesde gebruik van het voorziene clubgebouw te voorkomen dan wel te beperken.

   Appellant heeft eveneens niet aannemelijk gemaakt dat ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften de openbare toegankelijkheid van het gebied zal worden beperkt, nu de mogelijke afrasteringen enkel zijn toegelaten indien zij binnen de doeleinden van de bestemming "Golfbaan" passen en het gemeentebestuur van Son en Breugel heeft toegezegd dat de openbare toegankelijkheid van het gebied zal worden gewaarborgd.

   Deze beroepsgronden treffen geen doel.

2.11.    De beroepsgrond van appellant betreffende de cultuurhistorische wegenstructuur op de gronden waar de golfbaan is voorzien, slaagt niet.

   Niet aannemelijk is gemaakt dat aan die waarde ter plaatse een zodanig bijzondere betekenis toekomt dat verweerder aan het belang van het behoud daarvan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Daarbij is mede van belang dat voor de aanleg van de golfbaan een aanlegvergunning is vereist en dat in dat kader een nadere afweging van onder meer de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden ter plaatse moet worden gemaakt. Verweerder heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cultuurhistorische wegenstructuur op de gronden waar de golfbaan is voorzien, voldoende zijn beschermd in het plan.

2.12.    In hetgeen appellant heeft aangevoerd betreffende de financiële uitvoerbaarheid van het plan ziet de Afdeling, gelet op de actualisatie van de exploitatie-opzet waaruit blijkt dat sprake is van een sluitende begroting met een overschot, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bedoelde uitvoerbaarheid voldoende is verzekerd. Dit bezwaar van appellant slaagt dan ook niet.

2.13.    Ten aanzien van de beroepsgronden van appellant betreffende de onthouding van goedkeuring aan het op de plankaart roodomlijnde bouwvlak overweegt de Afdeling het volgende.

   Uit het dictum van het bestreden besluit blijkt dat verweerder goedkeuring heeft onthouden aan artikel 4, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften voor wat betreft het rood omlijnde plandeel met dien verstande dat de onthouding van goedkeuring geldt voor de ondergrondse bouwmogelijkheden en met uitzondering van bouwmogelijkheden tot ten hoogste 250 m². Het vierde lid, onder a, van voornoemd artikel bevat echter geen bepaling met betrekking tot de omvang van de bouwmogelijkheden, maar daarin is enkel bepaald dat gebouwen slechts zijn toegestaan binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Nu de door verweerder in het dictum aangehaalde zinsnede is opgenomen in het vierde lid, onder b, van voornoemd artikel gaat de Afdeling ervan uit dat de vermelding van het artikellid bij bedoelde onthouding van goedkeuring op een kennelijke verschrijving berust.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder de ondergrondse bouwmogelijkheden te uitgebreid acht en deze heeft willen beperken tot een oppervlakte van ten hoogste 250 m². De formulering van de onthouding van goedkeuring zoals deze in het dictum van het bestreden besluit is opgenomen, heeft echter tot gevolg dat ondergronds bouwen in het op de plankaart aangeduide bouwvlak niet meer mogelijk is en dat de bovengrondse bouwmogelijkheden ter plaatse worden beperkt tot een oppervlakte van ten hoogste 250 m².

   Overigens heeft verweerder goedkeuring verleend aan de zinsnede "op alle bovengrondse bouwlagen" in artikel 2, negende lid, van de planvoorschriften, waarin is bepaald hoe de vloeroppervlakte van een gebouw moet worden berekend. Nu aan bedoelde zinsnede goedkeuring is verleend, is voornoemd artikel niet van toepassing op ondergrondse bouwlagen en is in het bestemmingsplan dan ook niet bepaald hoe de vloeroppervlakte van ondergrondse bouwlagen moet worden berekend.

   Deze beroepsgronden van appellant slagen, omdat verweerder heeft miskend dat hij de bouwmogelijkheden door de in het dictum opgenomen onthouding van goedkeuring veel verder heeft beperkt dan was beoogd. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden en het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het standpunt van de BMF en anderen, met uitzondering van het provinciaal ruimtelijk beleid, de Groene Hoofdstructuur (hierna: de GHS) en de in het plangebied aanwezige beplanting

2.14.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe stellen zij dat een waardevol zandpad en daardoor de recreatieve toegankelijkheid van het plangebied ten onrechte verloren gaan. Het agrarisch kavelpatroon en een bolle akker worden ten onrechte aangetast door de verwezenlijking van de golfbaan. Appellanten stellen dat het toestaan van drainage in het plangebied in strijd is met de regeling betreffende verdroging zoals onder andere neergelegd in de Keur van Waterschap de Dommel.

Het bestreden besluit

2.15.    Verweerder acht het noodzakelijk dat ook voor de aanleg van de golfbaan een aanlegvergunning is vereist en onthoudt daarom goedkeuring aan artikel 10, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, waarin de aanleg van de golfbaan van een dergelijk vereiste was uitgesloten. Voorts stelt hij dat de handhaving van het onverharde toegangspad, dat op de Cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid als "element met enige cultuurhistorische waarde", niet opweegt tegen het recreatieve belang. Ten slotte constateert hij dat het Waterschap De Dommel heeft ingestemd met de waterparagraaf.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan de zogenoemde bolle akker, waarvan appellanten stellen dat deze aanwezig is op de gronden waar de golfbaan is voorzien, een zodanig bijzondere betekenis toekomt dat verweerder aan het belang van het behoud daarvan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Daarbij is mede van belang dat voor de aanleg van de golfbaan een aanlegvergunning is vereist en dat in dat kader een nadere afweging van onder meer de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden ter plaatse moet worden gemaakt. Tevens heeft verweerder in redelijkheid belang kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de door appellant genoemde waarden niet als zodanig zijn erkend in provinciaal ruimtelijk beleid, zoals de Cultuurhistorische waardenkaart en aan de omstandigheid dat door het gemeentebestuur is benadrukt dat de voorziene golfbaan geomorfologisch zal worden ingepast. Verweerder heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zogenoemde bolle akker voldoende is beschermd in het plan.

   Ook de stelling van appellanten dat het toestaan van drainage in het plangebied in strijd is met onder meer de Keur van Waterschap de Dommel, is niet aannemelijk gemaakt. Daarbij acht de Afdeling van belang dat dit Waterschap heeft ingestemd met de waterparagraaf zoals die in het plan is opgenomen.

   Voor zover appellanten stellen dat een in het plangebied aanwezig waardevol zandpad onvoldoende wordt beschermd en dat de recreatieve toegankelijkheid van het plangebied ten onrechte verloren gaat, verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen in overweging 2.10. en 2.11., ten aanzien van een gelijkluidende beroepsgrond van [appellant sub 2].

   Deze beroepsgronden van de BMF en anderen slagen niet.

Het standpunt van [appellant sub 2] met betrekking tot de luchtkwaliteit

2.17.     Volgens appellant is sprake van strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005), nu er ten onrechte van wordt uitgegaan dat het plan een te verwaarlozen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. Het aantal verkeersbewegingen is, volgens appellant, onderschat en andere stoffen dan NO2 en Pm10 zijn ten onrechte niet in het onderzoek naar de luchtkwaliteit betrokken.

Het bestreden besluit

2.18.    De luchtkwaliteit is, volgens verweerder, voldoende in beeld gebracht en door middel van het door TNO verrichte onderzoek "Luchtkwaliteit in de omgeving van het knooppunt A50-A58 (2010, 2020)", van 27 juni 2005, waaruit volgens verweerder kan worden afgeleid dat de aanleg van de golfbaan met voorzieningen geen negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit ter plaatse.

Het oordeel van de Afdeling

2.19.    De Afdeling stelt vast dat voornoemd rapport van TNO van 27 juni 2005 is opgesteld in het kader van de aanleg van het knooppunt A50-A58 en geen betrekking heeft op de aanleg van de in dit plan voorziene golfbaan. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dit rapport geen inzicht geeft in de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de verwezenlijking van de in het plan voorziene bestemmingen. Gelet daarop biedt dit rapport onvoldoende grondslag voor de conclusie dat bij de verwezenlijking van de bestemmingen in het plan aan de eisen van het Blk 2005 kan worden voldaan. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

   De Afdeling ziet aanleiding om na te gaan of toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb, naar aanleiding van het aanvullend in opdracht van het gemeentebestuur van Son en Breugel door de Milieudienst Regio Eindhoven opgestelde rapport "Bestemmingsplan Bosgebied West/Golfbaan", van 20 februari 2007. Nu verweerder ter zitting heeft gesteld dat hij dit rapport niet heeft bezien en dat de uitkomsten daarvan dan ook geheel voor rekening van het gemeentebestuur van Son en Breugel moeten blijven, ziet de Afdeling geen grond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten.

   Gelet op het vorenstaande slaagt de beroepsgrond van appellant betreffende de luchtkwaliteit.

Het standpunt van [appellant sub 2] en de BMF en anderen met betrekking tot het provinciaal ruimtelijk beleid en de natuurwaarden

2.20.    Appellanten stellen dat het plan in strijd is met het streekplan Brabant in Balans (hierna: het streekplan), omdat de uitbreiding van de 9-holes baan niet fysiek uitgesloten is en omdat de voorziene golfbaan niet is beoordeeld aan de hand van een met een milieueffectrapport vergelijkbaar onderzoeksrapport, zoals vereist in het streekplan. Het plan is, volgens appellanten, voorts in strijd met het Regionaal Structuurplan Regio Eindhoven en de streekplanuitwerking "Zuidoost-Brabant" waarin aan het plangebied de bestemming "landschapsbeheer" is toegekend.

Het bestreden besluit

2.21.    Verweerder stelt zich, voor zover thans van belang, op het standpunt dat een 9-holes golfbaan ter plaatse, in de stedelijke regio, aanvaardbaar is en dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de natuur. De voorziene golfbaan ligt ingeklemd tussen de rijksweg A50, het Wilhelminakanaal en de GHS-natuur. Het streekplan sluit uitbreiding in de GHS-natuur absoluut uit. Vanwege dat absolute verbod acht verweerder uitbreidingsmogelijkheden in de toekomst niet meer aan de orde. Gelet daarop is, volgens verweerder, het plan in zoverre in overeenstemming met het streekplan.

   Ook overigens is het plan, volgens verweerder, in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid. Hoewel de gronden in het plangebied in het Uitwerkingsplan Zuidoost Brabant en het Regionaal Structuurplan zijn aangemerkt als gronden bestemd voor "landschapsbeheer", geldt voor de vraag wat in dat gebied is toegestaan het beleid zoals neergelegd in het streekplan en het Reconstructieplan De Meierij, waarin het gebied is aangemerkt als "intensief recreatief gebied". Golfbanen zijn overeenkomstig het streekplan en voornoemd reconstructieplan toegestaan.

   De Commissie voor de Milieueffectrapportage heeft geconcludeerd dat voor deze golfbaan geen milieueffectrapportage noodzakelijk is en dat het plan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Volgens verweerder zijn alle relevante aspecten bij de planvorming betrokken en meegewogen. Naar zijn mening past het bestemmingsplan ook in het provinciaal beleid betreffende het uitvoeren van een met een milieueffectrapportage vergelijkbaar onderzoek voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van een golfbaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.22.    Niet in geschil is dat de bestemming die in het streekplan en het reconstructieplan aan het plangebied is toegekend niet in de weg staat aan de vestiging van een golfbaan ter plaatse. Voorts is niet gebleken dat het Uitwerkingsplan Zuidoost Brabant en het Regionaal Structuurplan in de weg staan aan de golfbaan, nu het plangebied deel uitmaakt van het landschappelijk raamwerk, op grond waarvan golfbanen zijn toegestaan.

   In het streekplan is vermeld dat golfbanen ruimtelijk worden beoordeeld als een baan met achttien holes, ook als de initiatiefnemer een baan van slechts negen holes wil verwezenlijken. Enkel indien een uitbreiding van een baan van negen holes tot een baan van achttien holes fysiek uitgesloten is, kan een voorziene golfbaan als een baan van negen holes worden beoordeeld. In het streekplan is vermeld dat een dergelijke uitbreiding fysiek uitgesloten moet worden geacht door de aanwezigheid van bebouwing, infrastructuur of oppervlaktewater. Niet in geschil is dat uitbreiding van de voorziene golfbaan aan twee zijden fysiek uitgesloten moet worden geacht doordat deze aan de zuidzijde grenst aan het Wilhelminakanaal en in de oostzijde aan de rijksweg A50. Aan de westelijke en noordelijke zijde grenst de voorziene golfbaan aan een bosgebied dat in het streekplan is aangeduid als GHS-natuur. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uitbreiding van de golfbaan ook in westelijke en noordelijke richting uitgesloten is, nu in het streekplan is vermeld dat uitbreiding van een golfbaan in de GHS-natuur niet is toegestaan. Voorts heeft verweerder, zowel in zijn besluit als ter zitting, ook toegezegd dat dan ook geen toestemming zal worden verleend voor een uitbreiding van de in het geding zijnde golfbaan in het tot de GHS-natuur behorende bosgebied. Gelet op het provinciale beleid ten aanzien van de GHS-natuur en de toezegging van verweerder, heeft hij de voorziene golfbaan dan ook ruimtelijk kunnen beoordelen als een baan met maximaal negen holes en is er in zoverre van strijd met het streekplan geen sprake.

   Daarnaast is in het streekplan, voor zover thans van belang, vermeld dat een nieuwe golfbaan ruimtelijk beoordeeld moet worden aan de hand van een met een milieueffectrapport vergelijkbaar onderzoeksrapport. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij voor de hier vereiste beoordeling is afgegaan op het advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage van 29 november 2002 waarin, volgens verweerder, een m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft verweerder evenwel tevens opgemerkt dat hij alleen dit advies heeft bezien en de aan bedoeld advies ten grondslag liggende onderzoeksrapporten niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling kan het advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage niet worden aangemerkt als een 'met een milieueffectrapport vergelijkbaar onderzoeksrapport' zoals bedoeld in het streekplan. Voorts heeft bedoelde Commissie in haar advies vermeld dat de onderzoeksrapporten op grond waarvan de m.e.r.-beoordeling is gemaakt, niet volledig vergelijkbaar zijn met een milieueffectrapport. Verweerder heeft dit miskend.

   De beroepsgrond van appellanten slaagt nu, gelet op het bovenstaande, het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de bij het voorbereiden en het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Gelet op het bovenstaande blijven de beroepsgronden van [appellant sub 2] en de BMF en anderen betreffende de bijzondere groenelementen, de beplanting en de begrenzing van de GHS, buiten beschouwing.

Het standpunt van Rendac Son, [appellant sub 2] en de BMF en anderen met betrekking tot de stankcirkel

2.23.    Appellanten stellen dat het plangebied grotendeels is gelegen in de stankcirkel van het bedrijf Rendac Son. Volgens Rendac Son is verweerder ten onrechte niet uitgegaan van een hindercirkel van 1500 meter op grond van het beschermingsniveau van 1,9 g.e./m³ als 98-percentiel dat blijkens de aan haar verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor haar bedrijf geldt. Een groot deel van het plangebied valt in voornoemde stankcirkel, hetgeen, volgens Rendac Son, niet in overeenstemming is met het rijksbeleid als weergegeven in de brief Rijksbeleid Geur (juni 1995) en de Herziene Nota Stankbeleid (VROM 1994), waarin de voorkoming van blootstelling aan geurhinder voorop staat. Voorts vreest Rendac Son voor een beperking van haar bedrijfsactiviteiten ten gevolge van de voorziene activiteiten en bebouwing in de stankcirkel.

Het standpunt van verweerder

2.24.    Verweerder stelt zich, voor zover thans van belang, op het standpunt dat op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' voor het bedrijf van appellante, dat kan worden ondergebracht in milieucategorie V, een indicatieve afstand geldt van 700 meter tot een geurhindergevoelig object. In deze situatie gaat het om een bedrijf dat op grond van de milieuvergunning een cirkel bezit van 1000 meter, derhalve meer dan de indicatieve afstand op grond van de VNG-brochure.

   Verweerder maakt, conform de huidige vergunningenpraktijk, een onderscheid naar type gevoelig object. Hij merkt de voorziene activiteiten aan als een toeristisch-recreatieve functie die, wat betreft de hindergevoeligheid, door de aard van het spel niet als intensief kan worden aangemerkt. Daarnaast gaat het maximaal om een 9-holes baan, waardoor het verblijf op de golfbaan relatief kort is. Gelet daarop is verweerder van mening dat ten aanzien van het bedrijf van appellante kan worden volstaan met toepassing van een beschermingsniveau van 1,9 g.e./m³ als 95-percentiel. Voorts liggen de horeca-voorzieningen en het clubhuis op circa 1400 meter van het bedrijf en derhalve buiten de stankcirkel van 1000 meter, die overigens wel het westelijke deel van het plangebied beslaat. De aanleg van een golfbaan ter plaatse is volgens verweerder vanuit milieutechnisch oogpunt aanvaardbaar.

De vaststelling van de feiten

2.25.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.25.1.    Het bedrijf Rendac Son is een destructiebedrijf. Centraal in de bedrijfsactiviteiten staat de verwerking van slachtafval en kadavers. Het bedrijf is ten westen van het plangebied gevestigd. De kortste afstand tussen de grens van het bedrijfsterrein van Rendac Son en het plangebied is minder dan 700 meter. De bebouwing in het plangebied, zoals een clubhuis en horecavoorzieningen, is voorzien op een afstand van ongeveer 1400 meter van de grens van het bedrijfsterrein van Rendac Son.

2.25.2.    In § 3.1.1. behorend bij het besluit van verweerder inzake de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning van 9 maart 2004 is het volgende vergunningvoorschrift opgenomen:

"De geurimmisie vanwege de inrichting mag 1,9 geureenheden per kubieke meter, bepaald als jaargemiddelde concentratie op een grotere afstand dan de noordelijke randweg te Eindhoven en de daarmee corresponderende geurcontour, niet meer dan 2 procent van de tijd (98 percentiel) overschrijden."

2.25.3.    De brief Rijksbeleid Geur (juni 1995) (hierna: de beleidsbrief) bevat informatie over het stankbeleid dat is geformuleerd in de Herziene Nota Stankbeleid (VROM 1994) in samenhang met de aanpassingen daarop en is een samenvatting van de belangrijkste onderdelen van het stankbeleid zoals afgesproken met de Tweede Kamer. Ingevolge de beleidsbrief geldt ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen het beleid dat nieuwe hinder dient te worden voorkomen. Uitgangspunt is dat een nieuwe woonlocatie, of een anderszins gevoelige bestemming, op een zodanige afstand wordt gepland van stankbronnen dat geen of hooguit een acceptabele mate van hinder te verwachten is. Indicaties voor aan te houden afstanden zijn onder andere te ontlenen aan de VNG-brochure en gegevens uit de milieu-vergunningprocedure met betrekking tot het desbetreffende bedrijf dat stank veroorzaakt.

Het oordeel van de Afdeling

2.26.    De Afdeling overweegt dat voor het bepalen van de geurhindercirkel van Rendac Son de geldende milieuvergunning van dat bedrijf als uitgangspunt moet worden genomen. In die milieuvergunning, zoals weergegeven in overweging 2.25.2., is een geurhindercirkel vergund die overeenkomt met een beschermingsniveau van 1,9 g.e./m3 als 98-percentiel (hierna: de P98-contour) op de noordelijke randweg te Eindhoven.

   Ter zitting is een tekening overgelegd waarop de P98-contour is weergegeven zoals die is vergund in de milieuvergunning van Rendac Son. Door verweerder is ter zitting niet weersproken dat dit een juiste weergave betreft. Uit deze tekening kan worden afgeleid dat nagenoeg het gehele plangebied, waaronder het op de plankaart weergegeven bouwvlak, is gelegen binnen de P98-contour en dat een deel van het plangebied is gelegen binnen de P95-contour.

   Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk gemaakt dat de stelling van verweerder in zijn besluit dat de geurhindercirkel op grond van de geldende milieuvergunning 1000 meter bedraagt, juist is. Nu verweerder bij het bestreden besluit wat betreft de ligging van de P98- en P95-contour klaarblijkelijk is uitgegaan van een andere kaart dan welke ter zitting is overgelegd, is het bestreden besluit in zoverre niet op een zorgvuldige wijze voorbereid of genomen.

   Voorts stelt verweerder dat voor de voorziene golfbaan, voor zover deze is gelegen binnen de P98-contour, een geurhinderbeschermingsniveau van 1,9 g.e./m³ als 95-percentiel voldoende is. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2007, in zaak no. 200604927/1, inzake het bestemmingsplan "Natuur- en recreatiegebied Ekkersweijer", waarin volgens verweerder sprake is van een vergelijkbare situatie. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet deze motivering niet als onderbouwing voor het standpunt dat de voorziene golfbaan vanuit milieutechnisch oogpunt aanvaardbaar is. Daartoe wordt overwogen dat niet is gebleken dat verweerder het uitgangspunt in het rijksbeleid ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen, dat nieuwe hinder - en een toename van het aantal geurgehinderden - dient te worden voorkomen, voldoende heeft onderkend. Voorts kan geen aansluiting worden gezocht bij de omstandigheden in voornoemde uitspraak waar een P95-contour aanvaardbaar is geacht, nu daar, in tegenstelling tot de in het geding zijnde plan, geen sprake was van een nieuwe situatie. Gelet daarop kan niet zonder meer staande worden gehouden dat ook in dit geval een geurhinderbeschermingsniveau van 1,9 g.e./m³ als 95-percentiel voldoet.

Conclusie

2.27.    Uit overweging 2.5 volgt dat het beroep van [appellanten sub 3] ongegrond is. Uit de overwegingen 2.13, 2.19, 2.22 en 2.26 volgt dat de beroepen van [appellant sub 2], de BMF en anderen, en Rendac Son gegrond zijn en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.28.    Ten aanzien van Rendac Son, [appellant sub 2] en de BMF en anderen dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

   Ten aanzien van [appellanten sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rendac Son B.V.", [appellant sub 2], en de BMF en anderen, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 juni 2006, no. 1145675;

III.    verklaart het beroep van [appellanten sub 3] ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rendac Son B.V." in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 34,73 (zegge: vierendertig euro en drieënzeventig cent); het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de BMF en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 27,93 (zegge: zevenentwintig euro en drieënnegentig cent); het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rendac Son B.V." en de BMF en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) ieder, en aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro), vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Vogel-Carprieaux

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

458