Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200701145/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige schuur te verwijderen of deze zodanig aan te passen dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen 110 m² bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701145/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2020 van de rechtbank Zutphen van 10 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige schuur te verwijderen of deze zodanig aan te passen dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen 110 m² bedraagt.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het besluit van 13 april 2005 herroepen en appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel aanwezige schuur te verwijderen of deze zodanig aan te passen dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen 70 m² bedraagt.

Bij uitspraak van 10 januari 2007, verzonden op 17 januari 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 28 februari en 23 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 april 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door S.A. van der Spek en R. Meijer, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woonbebouwing".

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) mag er per woning een oppervlakte van 70 m² aan bijgebouwen gerealiseerd worden.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders, ingeval de totale bebouwde oppervlakte van bijgebouwen groter is dan 70 m², vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2 teneinde vervangende nieuwbouw van bijgebouwen toe te staan, mits de bebouwde oppervlakte van deze vervangende nieuwbouw niet meer gaat bedragen dan aanwezig was, tot een maximum van 100 m².

   Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestond, krachtens een voor dat tijdstip verleende bouwvergunning in uitvoering was of kon worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde bouwvergunning en dat afwijkt van dit plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, met dien verstande, dat het bouwwerk naar zijn aard (meer) in overeenstemming wordt gebracht met het plan, dan wel blijft binnen de categorie waartoe het behoort en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan.

2.3.    Uit de stukken blijkt dat in 1960 bouwvergunning is verleend voor een schuur met een oppervlakte van 186 m². Niet in geschil is dat deze schuur onder de werking van het overgangsrecht valt. De oppervlakte van de schuur bedraagt thans 176 m².                    

    Vaststaat dat appellant zonder de daartoe vereiste bouwvergunning de op het perceel aanwezige schuur heeft verbouwd.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aan de schuur aangebrachte aanpassingen bescherming toekomt op grond van het overgangsrecht als neergelegd in artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften, zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Op grond van het overgangsrecht mag de schuur gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, waarbij als voorwaarde geldt dat het bouwwerk naar zijn aard (meer) in overeenstemming wordt gebracht met het bestemmingsplan, dan wel blijft binnen de categorie waartoe het behoort en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan. Aan die voorwaarde wordt thans niet voldaan, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat na 27 februari 1995 aan de voorzijde van de schuur een groot gedeelte is verwijderd en aan de achterzijde daarvan een aanbouw is geplaatst met een oppervlakte van ongeveer 49,5 m². Dat de verbouwing aan de voorzijde vóór 27 februari 1995 heeft plaatsgevonden heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft hij dit ter zitting gesteld, maar uit de door appellant bij brief van 12 maart 2007 ingediende tekening blijkt dat die verbouwing in 1996 heeft plaatsgevonden.

   De Afdeling is met de rechtbank, gelet op de stukken, waaronder de brief van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Eibergen van 21 oktober 2004 waarbij het verzoek van appellant om plaatsing van de schuur op de gemeentelijke monumentenlijst is afgewezen onder beschrijving van de aan de schuur plaatsgevonden verbouwingen, en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval van nagenoeg gehele nieuwbouw sprake is. Dat, zoals appellant betoogt, de schuur meer in overeenstemming is gebracht met het bestemmingsplan, omdat de totale oppervlakte ervan is verkleind en daarnaast de houten constructie, de fundering en het dak van de schuur intact zijn gebleven, doet aan het voorgaande niet af.

   De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat sprake is van (nagenoeg) gehele nieuwbouw die niet kan worden gelegaliseerd op grond van het overgangsrecht.

2.4.2.    Het betoog van appellant dat het college pas na juli 2005 de handhavingsprocedure had mogen starten en dat het in strijd met het beginsel van reformatio in peuis heeft gehandeld, is niet in beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers          w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

328-552.