Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200701841/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) de bij besluit van 2 oktober 2002 ten behoeve van [wederpartij] vastgestelde subsidie ten bedrage van € 75.440,96 (ƒ 166.250,00) ingetrokken en de inmiddels betaalde bijdrage, vermeerderd met de wettelijke rente, van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701841/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/2126 van de rechtbank Arnhem van 2 februari 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats], gemeente Neerrijnen,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) de bij besluit van 2 oktober 2002 ten behoeve van [wederpartij] vastgestelde subsidie ten bedrage van € 75.440,96 (ƒ 166.250,00) ingetrokken en de inmiddels betaalde bijdrage, vermeerderd met de wettelijke rente, van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 14 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 april 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de minister. Dit is aan [wederpartij] toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door drs. J.J.M. Schipper, werkzaam bij het ministerie, en [wederpartij] in persoon en bijgestaan door mr. P.J.A. Nieuwland, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Regeling structuurverbetering glastuinbouw (hierna: de Regeling) is op 2 oktober 1997 in werking getreden. Zij dient ter uitvoering van de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1997 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, nr. 950/97 (Pb. EG L 142).

    Op 18 april 2002 is de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002 (hierna: de Regeling 2002) in werking getreden. Artikel 21 daarvan bepaalt dat de Regeling is ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidieaanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de Regeling 2002.

   Op 1 april 2007 is de Regeling LNV-subsidies in werking getreden. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder r, daarvan is de Regeling 2002 ingetrokken en ingevolge artikel 6:3 blijft het recht dat gold voorafgaand aan dat tijdstip van toepassing op een aanvraag om subsidieverlening die is ingediend voorafgaande aan dat tijdstip, op de aldus verleende subsidie en op de uit die subsidieverlening voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen.

   Aangezien de subsidieaanvraag van [wederpartij] dateert van 22 september 2000, is de Regeling op deze zaak van toepassing.

Ingevolge artikel 18 van de Regeling wordt geen subsidie verstrekt voor investeringen met de uitvoering waarvan een aanvang is gemaakt alvorens de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd. Onder het maken van een aanvang met de uitvoering van een investering wordt in elk geval verstaan het aangaan van verplichtingen.

Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.2.    [wederpartij] heeft bij brief van 22 september 2000 op grond van de Regeling subsidie aangevraagd voor de bouw van een nieuwe groenlabel kas. De teammanager van Laser heeft hem bij brief van 26 september 2000 bericht dat de aanvraag in behandeling zal worden genomen en dat met de uitvoering van het investeringsplan voor eigen risico mag worden begonnen. [wederpartij] heeft op 13 oktober 2000 de opdracht voor de bouw van de kas schriftelijk aan zijn [aannemer] bevestigd.

   De minister heeft bij besluit van 9 februari 2001 aan [wederpartij] ƒ 166.250,00 (€ 75.440,96) subsidie verleend ten behoeve van de nieuwbouw van een compleet ingerichte groenlabelkas met een oppervlakte van 3.276 m2. Hij heeft de subsidie bij besluit van 2 oktober 2002 overeenkomstig de verlening vastgesteld.

2.3.    De minister heeft aan de beslissing op bezwaar van 20 maart 2006, samengevat en voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens een controleverslag van de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) van 11 oktober 2004 heeft [aannemer] op 11 september 2000 per faxbericht aan [onderaannemer]) opdracht gegeven de fundering van de groenlabel kas van [wederpartij] te maken. Volgens de minister veronderstelt dit het bestaan van een opdracht van [wederpartij] aan [aannemer], omdat een kassenbouwer een dergelijke opdracht niet zomaar zal geven. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat [gemachtigde], van [aannemer], tegenover de AID heeft verklaard dat het binnen zijn bedrijf vaste praktijk is om te wachten met het plaatsen van bestellingen en het aangaan van verplichtingen bij onderaannemers totdat de opdracht voor de bouw van de opstand feitelijk is gegeven. Volgens de minister betekent het voorgaande dat [wederpartij] voor de bouw van de groenlabelkas verplichtingen is aangegaan voorafgaande aan de schriftelijke bevestiging van zijn subsidieaanvraag van 26 september 2000 en daardoor in strijd met artikel 18 van de Regeling heeft gehandeld.

2.4.    De minister betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte belang heeft gehecht aan de verklaringen van [gemachtigde] in een faxbericht van 9 maart 2006 aan [wederpartij] en ter zitting bij de rechtbank over de betekenis van het faxbericht van 11 september 2000. Hij stelt in de beslissing op bezwaar terecht geen bewijskracht te hebben toegekend aan de verklaring in het faxbericht van 9 maart 2006, omdat dit een enkele verklaring achteraf betreft van een persoon waarmee [wederpartij] een zakelijke relatie onderhoudt. Volgens de minister had de rechtbank moeten uitgaan van hetgeen [gemachtigde] tegenover de AID heeft verklaard.

2.4.1.    [aannemer] heeft op 11 september 2000 aan [onderaannemer] een faxbericht gezonden betreffende "Werk [wederpartij]" waarin het funderingswerk van een kas staat beschreven en waarin is vermeld "als kan maken in week 40".

   [gemachtigde] heeft in het faxbericht van 9 maart 2006 aan [wederpartij] vermeld dat, samengevat, het faxbericht van 11 september 2000 aan [onderaannemer] een vooraanmelding is waarbij wel de kans, maar nog niet de zekerheid bestaat dat dit werk doorgaat, dat vooral het najaar een drukke periode is en dat hij daarom tijdig melding moet maken van mogelijk aankomend werk in verband met de planning van de onderaannemer, dat [wederpartij] hem nog geen opdracht had gegeven en dat deze nimmer rechtstreeks contact heeft gehad met de onderaannemer.

   Ter zitting van de rechtbank heeft [gemachtigde] voorts verklaard dat een voormelding geen bindende opdracht is, maar een verzoek aan zijn onderaannemer om een bepaald werk te plannen. Volgens hem komt het met enige regelmaat voor dat een voorgemeld werk niet doorgaat en was [onderaannemer] er ook mee bekend dat een vooraanmelding geen binding heeft, maar te allen tijde nog kon worden ingetrokken. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat tussen hem en [onderaannemer] al ruim twintig jaar een nauwe werkrelatie bestaat.

   De heer Van de Akker, van [onderaannemer], heeft blijkens een door een controleur van de AID opgesteld proces-verbaal verklaard dat, samengevat en voor zover thans van belang, hij het verzoek een fundering bij [wederpartij] te maken per faxbericht heeft gekregen op 11 september 2000 van [aannemer], hij deze verzoeken meestal 1 of 2 maanden van te voren krijgt en het ook voorkomt dat hij later bericht krijgt dat het maken van de fundering wordt uitgesteld.

2.4.2.    De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de vraag hoe het faxbericht van 11 september 2000 moet worden gekwalificeerd, niet kan worden beantwoord op grond van alleen een taalkundige uitleg daarvan, maar dat het daarvoor aankomt op de betekenis die [aannemer] en [onderaannemer] in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dat faxbericht mochten toekennen en op hetgeen zij ten dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Zij heeft in dit licht bezien en gelet op de nauwe werkrelatie tussen [aannemer] en [onderaannemer] terecht niet onaannemelijk geacht dat [aannemer] met het faxbericht van 11 september 2000 geen opdracht zonder voorbehoud heeft verstrekt, maar daarmee slechts heeft willen bereiken dat [onderaannemer], voor het geval het werk bij [wederpartij] zou doorgaan en aan [aannemer] zou worden gegund, daarvoor tijd zou inplannen. De rechtbank heeft de verklaringen van betrokkenen op goede gronden met die uitleg niet conflicterend geacht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het proces-verbaal van 17 mei 2004 van een bezoek van de AID aan [gemachtigde] niet blijkt dat toen met [gemachtigde] over het faxbericht van 11 september 2000 is gesproken en dat de verklaringen van [gemachtigde] in de fax van 9 maart 2006 en bij de rechtbank niet in tegenspraak zijn met zijn verklaring tegen de AID tijdens dat bezoek die de minister bij het besluit van 20 maart 2006 mede in aanmerking heeft genomen.

2.4.3.    Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het faxbericht van 11 september 2000 niet kan leiden tot de conclusie dat [wederpartij] voorafgaande aan de verzending daarvan aan [aannemer] een definitieve opdracht voor de bouw van de groenlabel kas moet hebben verstrekt. Het betoog van de minister faalt.

2.5.    De minister betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat [aannemer] voorafgaande aan 26 september 2000 voor het investeringsproject van [wederpartij] ook al verplichtingen was aangegaan met toeleveringsbedrijven. Hij voert daartoe aan dat [aannemer] blijkens een factuur van 25 september 2000 voor dat project bij een toeleveringsbedrijf voor ƒ 7.218,47 (€ 3.275,60) aan goederen had besteld. Daaruit blijkt volgens de minister evenzeer dat voorafgaande aan eerst vermelde datum verplichtingen in de zin van artikel 18 van de Regeling zijn aangegaan.

2.6.    Ook dit betoog faalt. De minister heeft ter zitting bevestigd dat die factuur betrekking heeft op bestellingen die [aannemer] op 12 september 2000 heeft gedaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister die bestellingen in het besluit op bezwaar van 20 maart 2006 uitdrukkelijk als bewijs terzijde heeft geschoven. Reeds hierom kan het betoog niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    De minister dient op na te melden wijzen in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Poot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

85-507.