Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6331

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200701440/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 29 augustus 2005 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester), voor zover thans van belang, geweigerd de door appellante gevraagde exploitatievergunning en ontheffing van de sluitingstijd, de zogenoemde nachtontheffing, voor de inrichting "Sam-Sam" aan de Atjehstraat 79a-b te Rotterdam te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/2136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701440/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Sam Sam", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nos. HOREC 07/154 en 07/155 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 augustus 2005 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester), voor zover thans van belang, geweigerd de door appellante gevraagde exploitatievergunning en ontheffing van de sluitingstijd, de zogenoemde nachtontheffing, voor de inrichting "Sam-Sam" aan de Atjehstraat 79a-b te Rotterdam te verlenen.

Bij besluit van 22 december 2006 heeft de burgemeester, opnieuw beslissend op het bezwaar van appellante, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2007, verzonden op 13 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 augustus 2007 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, E.R. Barelds en C. Struijs, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A. Bos, ambtenaar in dienst bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.     Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam (hierna: de APV) is het, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden zonder voorlopige vergunning of vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning).

   Ingevolge artikel 2.3.2, tweede lid, kan, indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat of wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2.3.6, tweede lid of in artikel 2.3.8, door de burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste een jaar (proefvergunning).

   Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid, kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

   Ingevolge artikel 2.3.6, derde lid, houdt de burgemeester bij de toepassing van het tweede lid van dit artikel rekening met:

a.  het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

b.  de aard van de inrichting;

c.  de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

d.  (..);

e.  (..).

   Artikel 2.3.9. van de APV luidt als volgt:

1.  Het is de exploitant of beheerder verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan van 07.00 tot 01.00 uur.

2.  In het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) wordt het in het vorige lid genoemde nachtelijk tijdstip met één uur verlengd.

3.  De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden:

a.  (..);

b.  voor een inrichting, waarvan de exploitant ten genoegen van de burgemeester heeft aangetoond, dat exploitatie van die inrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare orde of op de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving van de inrichting (nachtontheffing);

c.  (..).

2.2.    Appellante heeft, voor zover thans van belang, een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van een café/bar in het pand aan de Atjehstraat 79a-b te Rotterdam. Tevens heeft zij verzocht om een ontheffing van de in artikel 2.3.9, eerste en tweede lid, van de APV neergelegde sluitingstijden. De vergunning en de ontheffing zijn haar op de gronden neergelegd in artikel 2.3.6, tweede lid en derde lid onder a tot en met c, van de APV geweigerd.

2.3.    Nadat de voorzieningenrechter bij uitspraak van 11 september 2006 met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de beslissing op bezwaar wegens schending van artikel 7:12 van de Awb had vernietigd, heeft de Algemene Bezwaarschriftencommissie Kamer I (hierna: de commissie) opnieuw advies uitgebracht over de bezwaren van appellante. Partijen zijn daartoe in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Appellante heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

    Bij haar hernieuwde advisering heeft de commissie betrokken een advies van de deelgemeente Feijenoord en een advies van de Politie Rotterdam-Rijnmond, District Feijenoord-Ridderster/Wijkpolitie Horecataken. Beide adviezen zijn door de burgemeester tijdens de hoorzitting overgelegd. Alvorens haar advies uit te brengen heeft de commissie appellante daarom alsnog in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op genoemde adviezen te geven. Bij schrijven van 19 december 2006 heeft appellante van die gelegenheid gebruik gemaakt.

    Overeenkomstig het advies van de commissie heeft de burgemeester de bezwaren van appellante wederom ongegrond verklaard.

   In zijn besluit heeft de burgemeester op het standpunt gesteld dat de gewenste inrichting zou worden gevestigd in een woongebied en dat binnen een straal van 100 meter rond de beoogde vestigingsplaats al drie horecagelegenheden gevestigd zijn, waarvan één reeds een nachtontheffing bezit. Blijkens de informatie afkomstig van de politie trekken deze bestaande inrichtingen vooral bezoekers van Antilliaanse en Dominicaanse origine. Met name de inrichting met een nachtontheffing veroorzaakt voor de omwonenden veel overlast en legt een zware druk op de woonomgeving.

    Ten aanzien van de Atjehstraat en de omliggende straten zijn de afgelopen jaren veel maatregelen genomen ter verbetering van de woonfunctie. Voorts geldt ingevolge de horecanota in dit woongebied een zogenoemd verminderingsbeleid. In de Atjehstraat zelf is al jaren geen horeca-inrichting gevestigd, hetgeen een goede invloed heeft op de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Aangezien appellante heeft aangegeven zich te willen richten op een publiek van Antilliaanse en Dominicaanse origine zal de beoogde inrichting in de Atjehstraat een aanzuigende werking op deze doelgroep hebben en is te verwachten dat de woon- en leefsituatie en de openbare orde hierdoor nadelig zullen worden beïnvloed.

    Verder heeft de burgemeester onder verwijzing naar de toelichting bij de APV de verlening van een proefvergunning niet reëel geacht. In die toelichting is gesteld dat "bij ernstige twijfel" of een exploitatievergunning moet worden verleend ervoor wordt gekozen de vergunning te weigeren. Omdat volgens de burgemeester in dit geval overtuigende gronden zijn aan te voeren om de vergunning te weigeren is hier van zodanige twijfel zijns inziens geen sprake.

2.4.    Appellante betoogt allereerst dat zij in strijd met het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb niet opnieuw in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, nadat de burgemeester tijdens de hoorzitting voor de commissie de hiervoor genoemde adviezen had overgelegd. Appellante had weliswaar te kennen gegeven niet op de hoorzitting voor de commissie te zullen verschijnen, doch nu genoemde adviezen eerst tijdens de hoorzitting zijn geproduceerd had haar alsnog de gelegenheid moeten worden geboden omtrent de inhoud van deze stukken te worden gehoord. Hoewel zij wel in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk op de adviezen te reageren, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt, kan haar schriftelijke reactie, zo stelt appellante, niet op één lijn worden gesteld met een nadere mondelinge toelichting.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet. In haar brief van 19 december 2006 geeft appellante te kennen ervan op de hoogte te zijn dat vermelde adviezen ter hoorzitting zijn overgelegd, maar dat zij, naar de burgemeester bekend is, ervoor heeft gekozen schriftelijk te reageren. Vervolgens deelt zij mede dat zij van de haar geboden gelegenheid gebruik wenst te maken om op de ter hoorzitting ingekomen adviezen schriftelijk te reageren. In het vervolg van deze brief reageert appellante inhoudelijk op genoemde adviezen.  

   Nu de adviezen ter hoorzitting zijn overgelegd, moet met de voorzieningenrechter worden geoordeeld dat een situatie als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb zich hier niet voordoet. Appellante heeft er zelf voor gekozen niet bij de hoorzitting aanwezig te zijn. Uit de brief van 19 december 2006 blijkt niet dat appellante ter zake van de adviezen ook mondeling wenst te worden gehoord. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de wijze waarop appellante in de gelegenheid is gesteld op de adviezen te reageren getuigt van onzorgvuldige besluitvorming.

   Appellante heeft evenals in beroep nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006, zaak no. 200506015/1. De Afdeling deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de omstandigheden in de onderhavige zaak anders zijn, aangezien appellante in het bezit is gesteld van de nieuwe adviezen teneinde daarop te kunnen reageren.

2.5.    Appellante voert voorts aan dat uit de eerder genoemde onherroepelijke uitspraak van de voorzieningenrechter valt op te maken dat uitsluitend overlast die de normaliter te verwachten overlast die uitgaat van een in het geldende bestemmingsplan als zodanig bestemde horeca-inrichting in een woonwijk te boven gaat, redengevend zou mogen zijn om de door appellante gevraagde vergunning en ontheffing te weigeren en dat de mate van overlast louter kan worden bepaald door haar een proefvergunning te geven. De burgemeester heeft evenwel, zich baserend op ervaringsgegevens, geweigerd een proefvergunning af te geven. Daarmee is de burgemeester voorbij gegaan aan de eerdere onherroepelijke uitspraak, aldus appellante. De voorzieningenrechter heeft dit, naar haar stellen, miskend.

2.5.1.    Evenmin als de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 12 februari 2007 onderschrijft de Afdeling de door appellante aan de uitspraak van 11 september 2006 gegeven uitleg. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 11 september 2006 nog geen oordeel gegeven of de te verwachten overlast van de beoogde inrichting de algemeen te verwachten overlast te boven zal gaan. Derhalve heeft de voorzieningenrechter in die uitspraak niet geoordeeld en ook niet kunnen oordelen dat een proefvergunning moest worden afgegeven.

   Terecht heeft de voorzieningenrechter in de thans bestreden uitspraak beoordeeld of de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de nadelige gevolgen die de inrichting zal hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de beoogde vestigingsplaats van dien aard is, dat geen sprake is van ernstige twijfel dat de vergunning moet worden geweigerd. Met de voorzieningenrechter hecht de Afdeling bij deze beoordeling doorslaggevende betekenis aan de omstandigheid dat het bij de beoogde inrichting gaat om een café/bar met nachtontheffing, gelegen in een woongebied waar binnen een straal van 100 meter al drie horecagelegenheden gevestigd zijn, waarvan één reeds een nachtontheffing bezit. Blijkens de informatie afkomstig van de politie trekken de drie gevestigde inrichtingen vooral bezoekers van Antilliaanse en Dominicaanse origine. Er zijn ernstig te nemen klachten door bewoners ingediend ter zake van geluidsoverlast, alcoholgebruik op de openbare weg, vervuiling, vechtpartijen en overlast van door het komen en gaan van motorvoertuigen en het slaan van portieren gedurende vooral de avond en nachtelijke uren. Voldoende aannemelijk is geworden dat thans reeds sprake is van een zwaar belaste woonomgeving. Om die reden zijn de afgelopen jaren ten aanzien van de Atjehstraat en de omliggende straten maatregelen genomen ter verbetering van de woonfunctie en geldt volgens de horecanota in dit woongebied een zogenoemd verminderingsbeleid. Dienovereenkomstig is in de Atjehstraat zelf al jaren geen horeca-inrichting gevestigd. Gebleken is dat van dit beleid een goede invloed is uitgegaan op de openbare orde en het woon- en leefklimaat.

De voorzieningenrechter is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om onder de gegeven omstandigheden de gevraagde exploitatievergunning te weigeren zonder eerst een proefvergunning af te geven.

2.5.2.    Het betoog van appellante dat het door de burgemeester gevoerde consolidatiebeleid niet op een juiste wijze is vastgesteld, kan niet leiden tot het oordeel dat is besloten in strijd met het bepaalde in artikel 4:82 van de Awb. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, heeft de burgemeester zijn besluit niet uitsluitend of overwegend gebaseerd op een verwijzing naar dat beleid, doch in hoofdzaak op vaststelling en weging van de van belang zijnde feiten en omstandigheden. Derhalve heeft hij een op het concrete geval toegespitste motivering gegeven, die het besluit, blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, kan dragen.

2.6.    Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter,

en mr. W. van den Brink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Den Broeder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

187-384.