Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200700982/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellante om handhavend optreden tegen onder meer het zonder aanlegvergunning aanleggen van paden en leidingen door [vergunninghouder] in de grond op het natuurkampeerterrein "De Jarden" op de percelen, kadastraal bekend Roden, sectie […], nummers […] te Roden (hierna: de percelen).

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/546
JOM 2009/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700982/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Roden", gevestigd te Roden, gemeente Noordenveld

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 06/67 van de rechtbank Assen van 22 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellante om handhavend optreden tegen onder meer het zonder aanlegvergunning aanleggen van paden en leidingen door [vergunninghouder] in de grond op het natuurkampeerterrein "De Jarden" op de percelen, kadastraal bekend Roden, sectie […], nummers […] te Roden (hierna: de percelen).

Bij besluit van 8 april 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2005, verzonden op 27 juli 2005, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 28 november 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2003 beslist en dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2006, verzonden op 28 december 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 5 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 april 2007 heeft het college van antwoord gediend.

[vergunninghouder] is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen en heeft bij brief van 18 april 2007 een reactie ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stuken ontvangen van appellante. Deze zijn gezonden aan de andere partijen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door R.H. Hulst en H. van Zon, en het college, vertegenwoordigd door R. Attema en mr. M.W.A. Schoemaker, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord [vergunninghouder].

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is berokken.

   Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.1.    Blijkens artikel 3, onder f, van de statuten ter oprichting van appellante heeft zij als collectief belang het daadwerkelijk meewerken aan de bescherming van natuur, het landschap en het milieu. Gelet op artikel 1:2, derde lid van de Awb kan zij dan ook als belanghebbende worden aangemerkt en in haar hoger beroep worden ontvangen.

2.2.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied herziening A" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen de bestemming "Veenweidegebied I".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften), voor zover thans van belang, zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het "Veenweidegebied I".

   Ingevolge artikel 4, achtste lid, aanhef en onder a, 1 en 7, van de planvoorschriften is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders ondergrondse leidingen aan te brengen of te verwijderen en wegen en paden te verharden.

2.3.    Vaststaat dat zonder de daartoe vereiste aanlegvergunning op de percelen paden zijn aangelegd en leidingen in de grond zijn aangebracht. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar van 28 november 2005 concreet zicht op legalisatie bestond dan wel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is, zodat het college het verzoek om handhavend optreden heeft kunnen weigeren.

2.5.1.     Dit betoog slaagt. Uit de stukken blijkt dat ten tijde van het nemen van bovengenoemd besluit door [vergunninghouder] een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was ingediend en het college het voornemen had daaraan medewerking te verlenen. Er was evenwel geen aanvang gemaakt met de daarvoor vereiste procedure. Pas na het bestreden besluit is op 21 maart 2006, zo blijkt uit de stukken, het voornemen om vrijstelling te verlenen gepubliceerd en het college heeft niet eerder dan op 4 april 2007 een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar ingediend bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe. Bovengenoemde omstandigheden kunnen niet leiden tot het oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit van een concreet zicht op legalisatie sprake was. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5.2.     Volgens vaste jurisprudentie kunnen bijzondere omstandigheden slechts tot het oordeel leiden dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, indien sprake is van incidentele overtredingen en/of overtredingen van geringe ernst. Het aanleggen van paden en het aanbrengen van leidingen in de grond, zonder de daarvoor vereiste aanlegvergunning en in strijd met het ter plaatste geldende planologische regime, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Dat het gebruik van de percelen als kampeerterrein wordt beschermd door het in het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht doet daar niet aan af, evenmin als de omstandigheid dat de voormalige gemeente Roden reeds in 1997 bekend was met het gebruik van dat terrein als kampeerterrein. De omstandigheid dat in 1997 een voorbereidingsbesluit is genomen, kan ook niet leiden tot het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, omdat dit besluit, zo is ter zitting van de zijde van het college erkend, niet zag op het terrein waar thans de natuurcamping is gevestigd. De rechtbank is ten onrechte niet tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 november 2005 van het college alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt, gelet op het vorenoverwogene, eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 december 2006 in zaak no. 06/67;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 28 november 2005;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 56,20 (zegge: zesenvijftig euro en twintig centen); het dient door de gemeente Noordenveld aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Noordenveld aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdennegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers     w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

328-552.