Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200607576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft de gemeenteraad van Vlaardingen het bestemmingsplan "Westwijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607576/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], K.N.N.V. Afdeling Waterweg Noord, gevestigd te Schiedam, en anderen,

2.    [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft de gemeenteraad van Vlaardingen het bestemmingsplan "Westwijk" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 augustus 2006, DRM/ARW/06/1131A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], K.N.N.V. Afdeling Waterweg Noord, en anderen bij faxbericht van 17 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2006, en [appellante sub 2] bij brief van 17 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 maart 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2007, waar [appellant sub 1], K.N.N.V. Afdeling Waterweg Noord, en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], [appellante sub 2], in persoon, en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M. Klazema, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad van de gemeente Vlaardingen, vertegenwoordigd door drs. B.C. Hendrikse en drs. H.C. Christerus, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De K.N.N.V. Afdeling Waterweg Noord heeft geen zienswijze tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de gemeenteraad.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

   Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een zienswijze in te brengen.

   Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover dat is ingediend door de K.N.N.V. Afdeling Waterweg Noord, niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Locatie Spirit II

2.4.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat verweerder en zij door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) onjuist zijn voorgelicht over het onderzoek naar ransuilen. Appellanten betogen voorts dat verweerder heeft miskend dat de aanwezigheid van ransuilen een volledige of gedeeltelijke belemmering zal zijn voor de bouw van woningen op de locatie Spirit II.

2.4.1.    De locatie Spirit II bevindt zich in de groene westrand van het plangebied, ten noorden van de Geert Grootelaan. Aan de gronden is de bestemming "Uit te werken woondoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder a, gelezen in samenhang met het vijfde lid, van de planvoorschriften, mogen ter plaatse na uitwerking door het college maximaal vijf woningen worden gebouwd.

2.4.2.    In de nabijheid van de locatie Spirit II, bij de woningen aan de Vossiusstraat 26/28/30, bevinden zich bomen die als roestplek voor ransuilen functioneren. In opdracht van de gemeente heeft Porzana onderzoek verricht naar het gemiddelde aantal ransuilen dat gebruik maakt van de roestplek, naar de gebruikte uitvliegroutes en naar de tijdstippen daarvan en de weersomstandigheden. Volgens het deskundigenbericht blijkt uit dit onderzoek dat vrijwel alle vliegbewegingen van de ransuilen vanuit de roestplek plaatsvinden in westelijke richting naar de zich daar bevindende haag of houtwal en vanaf daar naar de foerageergebieden buiten het plangebied.

2.4.3.    Verweerder heeft aan het noordelijke deel van het plandeel met de uit te werken bestemming, met een breedte van 40 meter, goedkeuring onthouden, om te verzekeren dat een uitvliegcorridor van in totaal 50 meter vrij blijft van bebouwing. Het overige gedeelte van de uit te werken bestemming heeft verweerder goedgekeurd, omdat daardoor volgens hem geen sprake zal zijn van verstoring van de roestplek van de ransuilen en hun huidige foerageer- en uitvlieggedrag ongehinderd kan worden voortgezet. Volgens hem is geen ontheffing nodig van de Flora- en faunawet. Door de onthouding van goedkeuring zullen op de locatie Spirit II naar verwachting voorts nog maar vier woningen worden gerealiseerd.

2.4.4.    Verweerder heeft zijn besluit in zoverre gebaseerd op een nader door het college gegeven toelichting van 7 juli 2006. In deze toelichting wijst het college, voor zover thans van belang, op twee aanbevelingen, die betrekking hebben op het beperken van de bouwactiviteiten tot buiten het broedseizoen en het vrijhouden van bebouwing van een strook met een breedte van 50 meter. Deze aanbevelingen vloeien volgens het college voort uit een brief met aandachtspunten voor de gemeente, die Porzana op verzoek van het college op 21 maart 2006 aan het college heeft gestuurd.

2.4.5.    Alhoewel deze brief eerst op de hoorzitting van 13 juli 2006 bij verweerder is overgelegd en het zorgvuldiger zou zijn geweest indien deze brief onverwijld met het onderzoeksrapport aan verweerder en appellanten was toegezonden, betekent dit niet dat verweerder of appellanten onvolledig zijn geïnformeerd. Anders dan appellanten betogen, is de Afdeling van oordeel dat de brief van 21 maart 2006 niet op wezenlijke onderdelen gekleurd, onjuist dan wel onvolledig is weergegeven, ook al is deze niet integraal overgenomen en zijn de aanbevelingen deels anders geformuleerd dan de in de brief genoemde aandachtspunten. Voorts is van belang dat in de toelichting van 7 juli 2006 is aangegeven dat het gemeentebestuur de twee aanbevelingen onverkort zal overnemen en dat de strekking van de aanbevelingen niet afwijkt van de aandachtspunten die zijn genoemd in de brief. Bovendien bevonden zich tussen de hoorzitting en het nemen van het bestreden besluit nog vijf weken, zodat nog genoeg tijd restte voor verweerder om de oorspronkelijke brief bij de besluitvorming te betrekken.

2.4.6.    In het deskundigenbericht is gesteld dat de aanwezigheid van foerageergebieden veel sterker bepaalt of een boom kan functioneren als roestplek dan de aanwezigheid van enkele woningen in de nabijheid daarvan. Volgens het deskundigenbericht zal het feit dat op een afstand van minimaal 30 meter van de roestplekken, zoals in dit geval, vier of vijf woningen kunnen worden gebouwd, geen gevolgen hebben voor de functie van de desbetreffende bomen als roestplek voor ransuilen, die zich ook thans reeds bevinden in de nabijheid van woningen. Ook zullen volgens het deskundigenbericht de te bouwen woningen geen belemmering zijn voor de ransuilen om de foerageergebieden buiten het plangebied te bereiken, nog ervan afgezien dat volgens het rapport van Porzana de ransuilen slechts in beperkte mate over de desbetreffende gronden vliegen. Ook blijkt volgens het deskundigenbericht uit het onderzoek van Porzana dat de ransuilen de gronden waar de woningen zijn voorzien slechts in beperkte mate gebruiken om te jagen. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alleen bebouwing van het noordelijke deel van de locatie Spirit II kan leiden tot verstoring van de roestplekken van de ransuilen en belemmering van het huidige foerageer- en uitvlieggedrag. De Afdeling betrekt daarbij het feit dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij besluit van 15 mei 2007 de aanvraag van de gemeente Vlaardingen voor een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet voor verstoring van de ransuilen ten gevolge van het bouwrijp maken en de bouw van vier vrijstaande woningen op de resterende gronden heeft afgewezen, omdat deze niet nodig is. Naar zijn oordeel zullen de ransuilen niet of weinig verstoring ondervinden en blijft bovendien de ecologische functie van de roestplek gehandhaafd. Dit besluit is onherroepelijk. Gelet hierop kan dan ook niet worden volgehouden dat het college, door in de toelichtende brief van 7 juli 2006 te schrijven dat volgens hem geen ontheffing is vereist, verweerder op dit punt onjuist heeft geïnformeerd.

2.4.7.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de onthouding van goedkeuring voor zover het betreft de locatie Spirit II in redelijkheid kunnen beperken tot het noordelijke gedeelte daarvan en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plandeel met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden" voor zover dat is goedgekeurd. Niet is gebleken dat verweerder de belangen van de ransuilen niet in zijn belangenafweging heeft betrokken. De beroepsgrond faalt.

2.4.8.    [appellant sub 1] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Deze beroepsgronden falen derhalve.

Concentratie detailhandel

2.5.    [appellante sub 2] betoogt dat de levensvatbaarheid van de middenstand in de wijk niet is onderzocht en dat daarom niet vaststaat dat detailhandel moet worden geconcentreerd op één plek in de wijk.

2.5.1.    De gemeenteraad heeft er voor gekozen de detailhandel in de Westwijk te concentreren in het centrumgebied, omdat sprake is van een overcapaciteit en omdat wordt gestreefd naar een economisch levensvatbare middenstand. Met de concentratie gaat schaalvergroting gepaard, waardoor buurtwinkels zullen verdwijnen, aldus verweerder.

2.5.2.    In 1996 zijn de Structuurvisie annex Stedenbouwkundig Plan Westwijk 2005 opgesteld. Hierin is vastgesteld, op basis van het door het Koninklijk Nederlands Ondernemers Verbond opgestelde rapport "Toekomst van de voorzieningen Vlaardingen - Westwijk", dat het brutovloeroppervlak in de Westwijk zou moeten worden verminderd van 17.000 m2 naar ongeveer 11.000 m2 en dat moet worden gestreefd naar concentratie.

   In december 2000 is de "Structuurvisie Vlaardingen, detailhandel, horeca en vermaak" vastgesteld. In de onderzoeken die hieraan ten grondslag liggen, wordt geconcludeerd dat een van de zwakke punten van de Westwijk is dat het bestaande winkelaanbod verdeeld is over vier verspreid gelegen strips. Ook in deze Structuurvisie wordt ingezet op concentratie van het winkelgebied.

2.5.3.    Uit het vorenstaande volgt dat de levensvatbaarheid van de detailhandel in de Westwijk is onderzocht. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek onvoldoende is. Gelet op de conclusies van deze onderzoeken en mede gelet op de omstandigheid dat de winkels aan één van de winkelstrips in de jaren 1997-1998 al zijn komen leeg te staan en niet meer verhuurbaar bleken als winkelruimte, heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de gemeenteraad om de detailhandel in de Westwijk op één plek te concentreren. De beroepsgrond faalt.

De gronden met de bestemming "Woondoeleinden, tuin" en "Woondoeleinden, erf" bij de woningen aan de Coppelstockstraat, de Ruychhaverstraat, de Ripperdastraat en de Kenau Hasselaarstraat

2.6.    [appellante sub 2] voert voorts aan dat verweerder ten onrechte alleen goedkeuring heeft onthouden aan de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan de noordzijde van de woningen aan de Coppelstockstraat, de Ruychhaverstraat, de Ripperdastraat en de Kenau Hasselaarstraat met de bestemming "Woondoeleinden, tuin", en niet ook aan de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan de zuidzijde met de bestemming "Woondoeleinden, erf", terwijl deze bebouwingsmogelijkheden nauw met elkaar samenhangen. Volgens haar had in deze straten de noordzijde van de woningen moeten worden aangemerkt als de, te bebouwen, achterzijde. Voorts had bebouwing moeten worden toegestaan in de op het westen georiënteerde zijtuinen, aldus appellante. Zij acht niet, althans niet deugdelijk gemotiveerd waarom de bebouwingsmogelijkheden van het vorige bestemmingsplan nu worden beperkt.

2.6.1.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de gronden met de bestemming "Woondoeleinden, tuin" aan de noordzijde van de woningen van de Coppelstockstraat, de Ruychhaverstraat, de Ripperdastraat en de Kenau Hasselaarstraat, omdat niet aannemelijk is dat het bestaande legale gebruik van de daar aanwezige en vergunde erfbebouwing binnen de planperiode zal worden beëindigd. Aan de gronden met de bestemming "Woondoeleinden, erf" aan de zuidzijde van de desbetreffende woningen heeft verweerder goedkeuring verleend. Voorts heeft hij goedkeuring verleend aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden, tuin" wat betreft de zijtuinen bij de desbetreffende woningen langs de Blois van Treslongstraat, omdat hij het uit stedenbouwkundig oogpunt niet onlogisch acht dat deze gronden, die zijn gelegen aan de openbare weg, van bebouwing vrij blijven.

2.6.2.    Op 7 april 2004 heeft de gemeenteraad de Regeling Erfbebouwing vastgesteld, die betrekking heeft op het oprichten van aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen bij woningen. Volgens de Regeling Erfbebouwing mag, voor zover thans van belang, voor de voorgevelrooilijn, aan de voorkant van de woningen, geen erfbebouwing worden opgericht. Op het onbebouwde deel dat zich daarachter bevindt, aan de achterkant van de woningen, mag wel erfbebouwing worden opgericht.

2.6.3.    In het bestemmingsplan is de Regeling Erfbebouwing neergelegd in artikel 12 van de planvoorschriften. Als algemeen uitgangspunt is er daarbij voor gekozen om de noordzijde waar zich de voordeur bevindt aan te merken als voorzijde van de woning als bedoeld in de Regeling Erfbebouwing. De Afdeling acht dit uitgangspunt redelijk.

   Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de bewoners van genoemde vier straten, door te handelen in overeenstemming met dit algemene uitgangspunt, gevolgen ondervinden die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dat de woningen geen achterom hebben en dat de bewoners daardoor met hun fiets alleen door hun woning naar achteren kunnen, is geen bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat aan de noordzijde al bouwwerken vergund en aanwezig zijn en dat verweerder in zoverre aan het plan goedkeuring heeft onthouden, betekent niet dat de zuidzijde in het kader van de Regeling Erfbebouwing moet worden aangemerkt als voorkant waar geen bebouwing mogelijk is. In het plan dat de gemeenteraad als gevolg van de onthouding van goedkeuring op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dient op te stellen, behoeft immers wat betreft de noordzijde in beginsel slechts de daar al aanwezige en vergunde erfbebouwing te worden opgenomen en niet meer. Het thans reeds bestaande aanzicht van de noordzijde van de woningen zal daardoor niet veranderen.

2.6.4.    Voor zover appellante betoogt dat de bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan in het plan hadden moeten worden overgenomen, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt niet gebleken.

   Bovendien acht de Afdeling het uitgangspunt dat erfbebouwing langs de openbare weg, en derhalve ook in de zijtuinen die zijn gelegen langs de Blois van Treslongstraat, ongewenst is, redelijk. Daarbij is van belang dat van concrete plannen om de zijtuinen te bebouwen niet is gebleken. De beroepsgrond faalt.

Trapveldje

2.7.    [appellante sub 2] voert ten slotte aan dat het trapveldje tegenover haar woning, aan de Blois van Treslongstraat, niet mag worden opgeofferd voor woningbouw. Het alternatief aan de noordzijde van het Fortunapad, op een afstand van, naar appellante stelt, 600 meter, is volgens haar ongeschikt omdat het ligt buiten het verblijfsgebied van de doelgroep.

2.7.1.    Anders dan appellante stelt, is het alternatieve trapveldje ten noorden van het Fortunapad gelegen op ongeveer 100 meter van het huidige trapveldje. Ook overigens geeft hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene trapveldje een geschikt alternatief is als ontmoetingsplaats voor de jeugd. De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.7.2.    De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, en van [appellante sub 2] zijn daarom ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door de K.N.N.V. Afdeling Waterweg Noord;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 1, voor zover ontvankelijk, en het beroep van appellante sub 2 geheel ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Bosnjakovic

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

410.