Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6322

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200603866/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg het bestemmingsplan "Vlietland noordoost 2005" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/310
JBO 2007/23
OGR-Updates.nl 1001525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603866/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de vereniging "Vereniging Vrienden Oostvlietpolder", gevestigd te Leiden,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    de vereniging "Vereniging Vrienden van Vlietland", gevestigd te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg het bestemmingsplan "Vlietland noordoost 2005" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 april 2006, kenmerk DRM/ARW/05/9646A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben de vereniging "Vereniging Vrienden Oostvlietpolder" (hierna: de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder) bij brief van 26 mei 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, [appellant sub 2] bij brief van 30 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2006, [appellant sub 3], bij brief van 2 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2006, en de vereniging "Vereniging Vrienden van Vlietland" (hierna: de Vereniging Vrienden van Vlietland) bij brief van 6 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2006, beroep ingesteld. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder heeft haar beroep aangevuld bij brief van 20 juni 2006.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Recreatiecentrum Vlietland B.V." en de vereniging "Roeivereniging Rijnland" zijn door de Afdeling in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders een exploitatieopzet met betrekking tot het plan ingezonden. Daarbij heeft het voor dit stuk verzocht om geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Bij beslissing van 7 maart 2007 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding ingewilligd en de overige partijen gevraagd om toestemming om mede op de grondslag van het geheim te houden stuk uitspraak te doen. Deze toestemming is verkregen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 januari 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2007, waar de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder, vertegenwoordigd door drs. A.M.F.M. Overdijk en bijgestaan door mr. J.J. Teeninga, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], in persoon,[appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. P.S. Kamminga, advocaat te Den Haag, de Vereniging Vrienden van Vlietland, vertegenwoordigd door ing. A.P. van Geijlswijk, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn daar als partij gehoord de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, ir. M.C. Kortekaas en drs. J.M. Legierse, allen ambtenaar van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Recreatiecentrum Vlietland B.V.", vertegenwoordigd door A.S. Carpentier Alting en bijgestaan door mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formele bezwaren

2.3.    [appellant sub 3] meent dat aan het plan van rechtswege goedkeuring is onthouden omdat het vastgestelde plan niet binnen vier weken na het besluit tot vaststelling ter goedkeuring aan verweerder is verzonden. Verder voert hij aan dat het plan niet binnen vier weken na dagtekening van het vaststellingsbesluit ter inzage is gelegd. Ook heeft het plan ten onrechte slechts gedurende vier weken ter inzage gelegen, aldus appellant.

2.3.1.    Ingevolge artikel 26 van de WRO wordt het bestemmingsplan zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van vier weken.

   Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de WRO wordt het plan zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit tot vaststelling, aan verweerder verzonden.

   Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO wordt, indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht, het besluit omtrent goedkeuring bekendgemaakt binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan.

   Ingevolge artikel 28, derde lid, van de WRO wordt aan het plan geacht goedkeuring te zijn onthouden, indien het plan niet binnen vier weken na de dagtekening van het vaststellingsbesluit aan verweerder is verzonden en verweerder niet tijdig een besluit omtrent goedkeuring bekend heeft gemaakt.

2.3.2.    Blijkens de stukken heeft het vastgestelde plan ter inzage gelegen van 23 september 2005 tot en met 20 oktober 2005. De termijn voor de bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van dit plan eindigde derhalve op 20 april 2006. Het besluit omtrent goedkeuring is op 11 april 2006 genomen en op 14 april 2006, derhalve tijdig, aan de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg bekendgemaakt. De in artikel 28, eerste lid, van de WRO gestelde termijn liep in het onderhavige geval af op 19 september 2005. Nu de brief waarbij het plan ter goedkeuring aan verweerder is aangeboden is gedateerd op 22 september 2005, is deze termijn overschreden. Het derde lid van artikel 28 van de WRO verbindt echter aan een te late inzending van het vastgestelde plan aan verweerder alleen een rechtsgevolg, indien verweerder de termijn waarbinnen het besluit omtrent goedkeuring als genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WRO dient te zijn genomen overschrijdt. Uit het voorgaande blijkt dat deze termijn niet is overschreden. Aan de te late verzending aan verweerder van het vastgestelde plan komt in dit geval derhalve geen betekenis toe.

   Nu het vastgestelde plan op 23 september 2005 ter inzage is gelegd is ook de in artikel 26 van de WRO gestelde termijn overschreden. De wetgever heeft echter niet beoogd aan overschrijding van deze termijn het gevolg te verbinden dat reeds om die reden goedkeuring aan het plan zou moeten worden onthouden. Gelet hierop treft het betoog van appellant ook in zoverre geen doel.

   Voorts overweegt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 2.1. dat nu het ontwerpplan op 14 januari 2005 ter inzage is gelegd het vastgestelde plan terecht vier weken ter inzage heeft gelegen.

2.3.3.    Wat betreft het bezwaar van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder dat het bestreden besluit in strijd met artikel 28, zesde lid, van de WRO niet binnen twee weken na de bekendmaking van dit besluit ter inzage is gelegd overweegt de Afdeling als volgt. Dit bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.3.4.    Voor zover [appellant sub 3] stelt dat hij door verweerder ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de brief van de gemeenteraad van 21 maart 2006, die volgens hem mede ten grondslag heeft gelegen aan het besluit, overweegt de Afdeling als volgt. De gemeenteraad heeft in deze brief de bouwmogelijkheden beschreven die appellant heeft op grond van het huidige en het vorige bestemmingsplan. Het standpunt dat in de brief is verwoord komt overeen met het standpunt dat de gemeenteraad op de hoorzitting op 7 maart 2006 bij verweerder heeft ingenomen. Appellant heeft hier op de hoorzitting op kunnen reageren. Gelet hierop is niet gebleken dat appellant onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om op het standpunt van de gemeenteraad te reageren. Nu appellant ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door deze handelwijze in zijn belangen is geschaad, treft zijn betoog in zoverre geen doel.

Het plan

2.4.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van het noordoostelijke deel van het recreatiegebied Vlietland. Het plangebied is ongeveer 1 bij 1,3 kilometer. In het noordelijke deel daarvan bevindt zich een landmassa (hierna: het centrale eiland) waaraan de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden (VR)" is toegekend. Het plan maakt hier onder meer de bouw mogelijk van 102 vrijstaande recreatiewoningen, twee horecabedrijven, centrale voorzieningen, één bedrijfswoning en langs de grote plas 120 gestapelde recreatieappartementen. Het plan voorziet verder op en rond het eiland in enkele doorgaande verkeersroutes en in de aanleg van een krekenstelsel.

2.4.1.    Op de overige gronden in het plangebied, waaraan overwegend de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" is toegekend, voorziet het plan onder meer in een gebouw voor indoorrecreatie, vergaderfaciliteiten en sanitaire voorzieningen. Ook maakt het plan de aanleg van een golfbaan, tennisbanen en een zogenoemd avonturenterrein met horecafaciliteiten mogelijk. Verder voorziet het plan in de aanleg van een aantal parkeerterreinen.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft, behoudens artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften en het met rood omlijnde gedeelte van de plankaart, geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

Het standpunt van [appellant sub 3]

2.6.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)", zoals met rode belijning op de plankaart aangegeven, slechts de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag heeft gelegd. Voorts stelt hij dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Water (WA)" en de nadere aanduiding "jachthaven (jh)", wat betreft de jachthaven aan de Vliet.

   Appellant stelt dat hij ten onrechte in zijn bouwmogelijkheden wordt beperkt, nu hij zijn bedrijfsbebouwing niet kan uitbreiden en geen nieuwe sanitaire voorzieningen kan bouwen op de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)" ten noordoosten en zuidoosten van de bestaande bedrijfsbebouwing. In dit verband voert hij aan dat verweerder bij het bepalen van de bouwmogelijkheden die hij op grond van het oude planologische regime had alleen het uitwerkings-/wijzigingsplan "Vlietland 1993" heeft betrokken. Hiermee miskent verweerder dat hij op grond van het bestemmingsplan "Recreatiegebied Vlietland (1986)" eveneens bouwmogelijkheden had, aldus appellant. Hij stelt dat hij door het strak om de bestaande bebouwing ingetekende bouwvlak geen gebruik kan maken van de bouwmogelijkheden die hij op grond van het plan in theorie heeft. Verder voert appellant aan dat hij ten onrechte in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, nu het plan niet in de door hem gewenste oppervlakte voor overkappingen van 2050 m² voor pleziervaartuigen voorziet.

Het standpunt van verweerder

2.7.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)", zoals met rode belijning op de plankaart is aangegeven. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de planregeling voor de bestaande botenkraan van [appellant sub 3] onvoldoende is. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad ten onrechte volstaan met het opnemen van een vrijstellingsbevoegdheid voor een mobiele botenkraan op deze gronden, terwijl de gemeenteraad kan instemmen met het als zodanig bestemmen van de bestaande botenkraan. Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel met de bestemming "Water (WA)" en de nadere aanduiding "jachthaven (jh)", wat betreft de jachthaven aan de Vliet in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke bouwmogelijkheden gelijk blijven en dat appellant niet onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.

De vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    In het noordwesten van het plangebied bevindt zich een jachthaven die aansluiting heeft op de Vliet. Aan de havenkom is de bestemming "Water (WA)" met de nadere aanduiding "jachthaven (jh)" toegekend en aan de daaromheen liggende gronden is de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)" toegekend. Het bedrijf van appellant ligt aan de zuidwestzijde van de jachthaven. Aan het perceel waarop de bedrijfsbebouwing staat (hierna: het bedrijfsperceel) is de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "2500 m² (maximaal bebouwd oppervlak voor gebouwen)" toegekend. Het bedrijfsperceel heeft een oppervlak van ongeveer 2750 m². Volgens het deskundigenbericht bedraagt het totale oppervlak van de bedrijfsbebouwing van appellant ongeveer 1760 m². De bebouwingscontour is vrijwel exact om de buitenste gevellijnen van het hoofdgebouw en de daarachter en daarnaast gelegen bijgebouwen gelegd.

Het perceel aan de noordoostzijde van het bedrijfsperceel is een onbebouwd verhard terrein dat overwegend dienst doet als botenopslag en waarop zich een botenkraan bevindt. Dit terrein wordt ontsloten door middel van een doorgang tussen de bestaande bedrijfsbebouwing. Voorts wordt ook het onbebouwde, deels verharde perceel aan de zuidoostzijde van de bedrijfsbebouwing gebruikt ten behoeve van botenopslag.

2.8.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Recreatieve doeleinden (R)" ter plaatste van de aanduiding "jachthaven (jh)" bestemd voor een jachthaven inclusief de daaraan gerelateerde voorzieningen.

   Ingevolge artikel 4, derde lid en onder a, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van gebouwen dat voor zover op de kaart een oppervlaktemaat is aangeduid, dit geldt voor het desbetreffende bestemmingsvlak als maximaal met gebouwen te bebouwen oppervlak.

   Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften mogen ter plaatse van de aanduiding "zonder gebouwen en overkappingen (z)" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 4, negende lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften voor een overkapping ten behoeve van ligplaatsen met een open constructie en een maximumoppervlakte van 250 m² op de gronden met de aanduiding (jh), voor zover dit noodzakelijk is voor het gebruik van de jachthaven.

   Ingevolge artikel 7, derde lid en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op de gronden met de bestemming "Water (WA)" ter plaatse van de aanduiding (jh) overkappingen worden gebouwd ten behoeve van herstel en onderhoud van pleziervaartuigen, waarvan de bouwhoogte ten hoogste drie meter bedraagt en het oppervlak onder de overkappingen in totaal ten hoogste 250 m² bedraagt.

2.8.3.    Op het grootste deel van de gronden van appellant gold vóór het onderhavige plan het vorige bestemmingsplan "Uitwerkings-/wijzigingsplan Vlietland 1993". Voor een zeer klein deel, ongeveer 150 m², van het plangebied gold het vorige bestemmingsplan "Recreatiegebied Vlietland 1986".

In het bestemmingsplan "Uitwerkings-/wijzigingsplan Vlietland 1993" was aan de gronden van appellant de bestemming "Recreatie A" met de nadere aanduiding "jachthaven (ja)" toegekend. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de planvoorschriften van dat plan, voor zover thans van belang, mocht op de gronden met de bestemming "Recreatie A" en de nadere aanduiding "jachthaven (ja)" het gezamenlijk grondoppervlak van alle bouwwerken, zoals een toiletgebouw, waterloods, een opslagruimte, een afdak voor bootonderdelen en overige materialen, een carport een werkplaats een watersportwinkel e.d. en één bedrijfswoning, maximaal 2500 m² bedragen.

Aan de gronden van appellant die binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Recreatiegebied Vlietland 1986" vallen was de bestemming "Recreatie (R)" met de subbestemming "Dagrecreatie (Rd)" met de nadere aanduiding "jachthaven (j)" toegekend. Ingevolge artikel 6, derde lid, onder b, van de planvoorschriften van dat plan mocht het gezamenlijk grondoppervlak van alle gebouwen op de gronden met de subbestemming "Dagrecreatie (Rd)" ten hoogste 2500 m² bedragen. Van deze 2500 m² kon maximaal 150 m² ten behoeve van het bedrijf van appellant bebouwd worden.

2.8.4.    In het in zoverre niet bestreden deskundigenbericht staat dat, gelet op de situering van de bestaande bebouwing en de getrokken bebouwingscontour, appellant alleen dan van de in het plan geboden bouwmogelijkheden gebruik kan maken als hij overgaat tot een vrijwel volledige sloop en nieuwbouw van de bestaande bedrijfsbebouwing. Volgens het deskundigenbericht is dit uit bedrijfseconomisch oogpunt geen reële optie. Verder staat daarin dat ook in dat geval appellant problemen zal ondervinden met de bereikbaarheid van het perceel aan de noordoostzijde van de bedrijfsbebouwing. Ook wordt in het deskundigenbericht vermeld dat appellant een bouwaanvraag heeft ingediend voor ongeveer 2050 m² overkappingen voor pleziervaartuigen. Tot op heden zijn in het gebied slechts enkele overkappingen boven ligplaatsen gerealiseerd, aldus het deskundigenbericht.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)", zoals met rode belijning op de plankaart aangegeven, waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellant onder meer zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

   De Afdeling vat het beroep van appellant, voor zover dit is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)", zoals met rode belijning op de plankaart aangegeven, daarom aldus op dat hij zich er tegen verzet dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

2.9.1.    Verweerder heeft miskend dat een klein deel van de gronden van appellant binnen de plangrenzen van het vorige bestemmingsplan "Recreatiegebied Vlietland 1986" valt. De Afdeling ziet in deze omissie geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen, reeds omdat het plan in ruimere bouwmogelijkheden voorziet dan die waarin de vorige plannen gezamenlijk voorzagen. Het plan maakt immers de bouw mogelijk van 2500 m² gebouwen, 250 m² overkappingen in de havenkom en, na een vrijstelling, 250 m² overkappingen op het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)". Op grond van de vorige plannen kon appellant maximaal 2650 m² gebouwen en overkappingen oprichten.

2.9.2.    Voorts acht de Afdeling het uitgangspunt van de gemeenteraad om het kleinschalige en groene karakter van het gebied te behouden door concentratie en beperking van de omvang en hoeveelheid van bebouwing langs de Vliet redelijk. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wens van appellant om ongeveer 2050 m² overkappingen voor pleziervaartuigen op te richten zich niet verhoudt met dit uitgangspunt. In hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in afwijking van dit uitgangspunt op de plandelen met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)" en het plandeel met de bestemming "Water (WA)" en de nadere aanduiding "jachthaven (jh)", wat betreft de jachthaven aan de Vliet dient te worden voorzien in de door appellant gewenste uitbreiding van overkappingen voor pleziervaartuigen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat door appellant niet aannemelijk is gemaakt dat de in het plan voorziene oppervlakte aan overkappingen voor pleziervaartuigen onvoldoende is voor een goede bedrijfsvoering. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat het vorige plan eveneens voorzag in de mogelijkheid om overkappingen voor pleziervaartuigen op te richten, maar dat van deze bouwmogelijkheid nauwelijks gebruik is gemaakt nu in het gebied slechts enkele overkappingen boven ligplaatsen zijn gerealiseerd.    

2.9.3.    Uit de stukken blijkt dat gelet op de bestaande bedrijfsbebouwing en de omvang van het bouwperceel de ruimte die thans kan worden bebouwd overwegend de doorgang betreft tussen de bestaande bedrijfsbebouwing naar het onbebouwde terrein aan de noordoostzijde van het bedrijfsperceel. Appellant heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze doorgang op last van de brandweer niet mag worden bebouwd en het bovendien de toegangsweg is tot het perceel waarop de botenkraan staat.

Gelet hierop en mede gelet op het deskundigenbericht heeft appellant terecht gesteld dat hij feitelijk geen gebruik kan maken van de bebouwingsmogelijkheden op het bedrijfsperceel tenzij hij de bestaande bebouwing (vrijwel) geheel verwijdert. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit heeft onderkend en bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

   In dit verband neemt de Afdeling tevens het volgende in aanmerking. Appellant heeft ter zitting onweersproken gesteld dat, gelet op de huidige staat van de bestaande sanitaire voorzieningen en de vereisten die daaraan vanuit hygiënisch oogpunt worden gesteld, deze voorzieningen moeten worden vervangen door nieuwbouw. Voldoende aannemelijk is dat de aanwezigheid van sanitaire voorzieningen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van appellant. De bestaande sanitaire voorzieningen liggen buiten het aan appellant toegekende bouwperceel. Gelet op het hiervoor overwogene kan appellant slechts dan nieuwe sanitaire voorzieningen bouwen als hij tegelijkertijd de overige bedrijfsbebouwing vervangt door nieuwbouw. Ook dit heeft verweerder ten onrechte niet bij zijn belangenafweging betrokken.

   Voorts blijkt uit het bestreden besluit niet of verweerder heeft onderzocht in hoeverre het belang dat de gemeenteraad beoogt te beschermen wordt geraakt door een verruiming van het bouwperceel van appellant en hoe die mogelijke aantasting zich verhoudt tot het belang dat appellant heeft bij uitbreiding van zijn bouwperceel.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende onderzocht wat de gevolgen van het plan zijn voor de bedrijfsvoering van appellant en heeft hij ten onrechte in zoverre geen belangenafweging verricht. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.9.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)", zoals met rode belijning op de plankaart aangegeven, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

   Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.9.1. geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Water (WA)" en de nadere aanduiding "jachthaven (jh)", wat betreft de jachthaven aan de Vliet. Mitsdien is het beroep van appellant in zoverre ongegrond.

Het standpunt van [appellant sub 2], de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.10.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe voeren appellanten verschillende argumenten aan.

Plangrens

Het standpunt van de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.11.    Volgens de Vereniging Vrienden van Vlietland heeft verweerder ten onrechte goedkeuring verleend aan de begrenzing van het bestemmingsplan. Zij is van mening dat het plan ten onrechte slechts op een gedeelte van het recreatiegebied Vlietland betrekking heeft. Volgens haar moet het recreatiegebied Vlietland als één geheel worden gezien dat niet kan worden gesplitst. In dit verband wijst zij op het voorontwerp-bestemmingsplan waarin het gehele recreatiegebied Vlietland was opgenomen.

Het standpunt van verweerder

2.12.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien de plangrens in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.13.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.13.1.    Het recreatiegebied Vlietland ligt ingeklemd tussen de Rijksweg A4 en de ten noordwesten daarvan lopende Vliet. Ten zuidwesten ligt de Starrevaartplas en de Starrevaartpolder en aan de noordoostzijde ligt de Oostvlietpolder. Het gebied heeft een breedte van bijna één kilometer en een lengte van ongeveer drie kilometer. De totale oppervlakte van het recreatiegebied bedraagt ongeveer 280 hectare.

2.13.2.    In maart 2002 is het ontwerp bestemmingsplan "Vlietland-Leidschendammerhout" ter inzage gelegd. Het plangebied omvatte zowel het voor intensieve recreatie aangewezen noordoostelijke deel, waar naast dagrecreatieve voorzieningen ook verblijfsrecreatie is toegestaan, als het voor extensieve recreatie aangewezen zuidwestelijke deel, waar de nadruk ligt op conservering en versterking van de aanwezige recreatieve- en natuurwaarden. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen en verrichte (aanvullende) onderzoeken is het ontwerpplan aangepast. Gelet hierop en omdat het voor intensieve recreatie bestemde deel van Vlietland-Leidschendammerhout een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan en het zuidwestelijke deel een conserverend bestemmingsplan vroeg, heeft de gemeenteraad besloten het ontwerpplan "Vlietland-Leidschendammerhout" in te trekken, het plangebied te splitsen en het onderhavige plan voor het noordoostelijke deel in procedure te brengen. Voor het resterende deel van Vlietland-Leidschendammerhout is een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.    Gelet op de systematiek van de WRO komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat voor het noordoostelijke deel van het recreatiegebied een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan en voor het gebied voor het overige een conserverend plan is aangewezen, nu voor eerstgenoemd gebied in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorzien terwijl dat voor het gebied voor het overige niet het geval is. Niet is gebleken van een zodanige samenhang tussen beide delen van het recreatiegebied dat zowel het noordoostelijke deel als de rest van het reactiegebied in één en hetzelfde plan hadden moeten worden opgenomen. Verweerder heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd daarom geen reden hoeven zien om de vastgestelde plangrens in strijd is met een goede ruimtelijke ordening te achten.

Aanleiding en financiële uitvoerbaarheid

Het standpunt van [appellant sub 2], de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.15.    [appellant sub 2], de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland stellen dat oneigenlijke motieven aan het plan ten grondslag liggen. In dit verband voeren zij aan dat de noodzaak van verbreding van het aanbod van dagrecreatieve voorzieningen en de behoefte aan verblijfsrecreatie onvoldoende is aangetoond en dat ten onrechte economische motieven doorslaggevend zijn geweest. Ook betwijfelen appellanten of het plan financieel uitvoerbaar is.

Het standpunt van verweerder

2.16.    Verweerder acht de behoefte aan uitbreiding van de recreatieve voorzieningen en verblijfsrecreatie voldoende aangetoond. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat onderzoek is verricht naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan en daaruit geen aanleiding blijkt om hieraan te twijfelen.

De vaststelling van de feiten

2.17.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.17.1.    In de plantoelichting staat dat het recreatiegebied alleen in de zomerperiode druk wordt bezocht en het gebruik daarvan zich met name beperkt tot warme, zomerse dagen in de weekeinden en vakanties. Dit is enerzijds een gevolg van de wijze waarop het gebied is ingericht en anderzijds het gevolg van de actuele recreatiebehoefte. Er is meer behoefte aan een grote verscheidenheid aan recreatiemogelijkheden ter plaatse van zowel openlucht als overdekte accommodatie. Die behoefte gaat verder dan alleen liggen, spelen, picknicken, wandelen, fietsen en varen. Volgens de plantoelichting is geen sprake van verlies aan recreatieruimte, maar van uitbreiding van recreatiemogelijkheden binnen hetzelfde gebied. Naast de behoefte aan dagrecreatieve mogelijkheden bij de stad is er ook behoefte aan verblijfsmogelijkheden. Door kwaliteitsverbetering van de inrichting en toevoeging van nieuwe sport-, recreatie- en verblijfsvoorzieningen zullen recreanten het gebied ook bezoeken op de tijden dat het nu stil is waardoor een verlenging van het seizoen en daarmee verhoging van het maatschappelijk rendement zou kunnen worden bewerkstelligd, aldus de plantoelichting.

Verder staat daarin dat dankzij het toevoegen van verblijfsrecreatieve voorzieningen opbrengsten gegenereerd worden die onder meer ten goede zullen komen aan de openbare dagrecreatie in de vorm van beter beheer en onderhoud en het realiseren van meer en betere sanitaire voorzieningen dan nu aanwezig zijn in het gebied.

2.17.2.    Ingevolge artikel 9 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) verricht het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied van de gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan heeft dit onderzoek van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek voor zover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft.

2.17.3.    In de plantoelichting staat dat de kosten voor de ontwikkeling van het plan worden gedragen door de projectontwikkelaar of door de investeerders waaraan de grond in erfpacht wordt uitgegeven en dat voor de gemeente voor de uitvoering van het plan geen kosten zijn verbonden. Verder staat daarin vermeld dat de financiële uitvoerbaarheid in een vertrouwelijke exploitatieopzet is aangetoond. In die exploitatieopzet zijn volgens de plantoelichting onder meer de kosten betrokken voor de herinrichting van het gebied met betrekking tot het bouw- en woonrijp maken, inclusief de kosten voor aanplant van vervangend groen. Tevens is een kostenpost opgenomen voor de voorbereidingskosten en plankosten en is uitgegaan van een post onvoorzien ter hoogte van 10 procent. De kosten voor de inrichting van het adventure-terrein, de golfbaan en andere voorzieningen zullen worden gedragen door de partijen die deze faciliteiten gaan exploiteren. Daarnaast is rekening gehouden met de opbrengst uit de uitgifte van gronden en recreatiewoningen in erfpacht aan investeerders en particulieren, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.18.    De Afdeling acht het streven om het gebruik van het recreatiegebied gedurende een langere periode per jaar te intensiveren om aldus het maatschappelijk rendement te vergroten niet onredelijk. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit kan worden bereikt door verbreding van het aanbod van dagrecreatieve voorzieningen en verbetering van de bestaande voorzieningen, als ook door het toevoegen van een verblijfsrecreatieve functie. Hij heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat verblijfsrecreatieve voorzieningen kunnen fungeren als kostendrager voor de dagrecreatieve voorzieningen, zodat laatstgenoemde voorzieningen op een hoger niveau kunnen worden gebracht en gehouden. Verweerder heeft zich aldus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan verbetering en verbreding van de dagrecreatieve voorzieningen en aan een verblijfsrecreatieve functie in het onderhavige gebied bestaat. Dat uit het door enkele appellanten overgelegde onderzoek, wat daar verder ook van zij, naar voren komt dat bij de huidige recreanten in Vlietland geen draagvlak bestaat voor de in het plan voorziene ontwikkelingen, leidt niet tot een ander oordeel. Met het plan wordt immers beoogd recreanten aan te trekken die het huidige aanbod van voorzieningen in Vlietland kennelijk niet toereikend achten. Verweerder hoefde hierin dan ook geen aanleiding te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

Gelet op het vorenstaande kan het betoog van appellanten dat enkel economische motieven ten grondslag hebben gelegen aan het plan niet slagen.

2.18.1.    De Afdeling stelt voorop dat onderzoek is gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Gelet op hetgeen is weergegeven onder 2.17.3. geeft de plantoelichting voldoende inzicht in de uitkomsten van het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan en de elementen die in dat onderzoek zijn betrokken. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de in de artikelen 9 en 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 gestelde vereisten.

   Ter zitting is voorts van de zijde van de gemeenteraad bevestigd dat het plan zoals is vastgesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Recreatie centrum Vlietland B.V." (hierna: Recreatie centrum Vlietland B.V.) zal worden uitgevoerd. Niet is gebleken dat Recreatie centrum Vlietland B.V. over onvoldoende middelen daartoe beschikt. Gelet op het vorenstaande en bezien in het licht van de exploitatieopzet, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld.

   

Rijksbeleid

Het standpunt van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.19.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland voeren aan dat de in het plan voorziene ontwikkelingen, in strijd met de planologische kernbeslissing Nota Ruimte, Ruimte voor ontwikkeling, deel 4, tekst na parlementaire instemming, (hierna: de Nota Ruimte) en in het bijzonder het rijksbufferzonebeleid, leiden tot verstedelijking van het plangebied. Volgens de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder verwijst verweerder in dit verband ten onrechte naar de motie Verbugt, nu deze niet is verdisconteerd in de Nota Ruimte en derhalve niet langer kan worden beschouwd als vigerend rijksbeleid. Volgens de Vereniging Vrienden van Vlietland leiden de voorziene ontwikkelingen tot verstedelijking en is de voorziene bebouwing zo omvangrijk dat de openheid van het gebied wordt aangetast. Het plan is volgens de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder bovendien in strijd met de Nota Ruimte omdat het plan leidt tot beperking van de dagrecreatieve functie van het gebied.

Het standpunt van verweerder

2.20.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het rijksbeleid. Volgens hem is geen sprake van verstedelijking. Verder is het verlies aan dagrecreatieve voorzieningen door de bouw van de recreatiewoningen beperkt en biedt het plan juist mogelijkheden voor nieuwe dagrecreatieve voorzieningen.

De vaststelling van de feiten

2.21.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.21.1.    In de planologische kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid behorende bij de Actualisering van de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra (VINAC) (hierna: de VINAC) is het gebied gelegen tussen Den Haag-Leiden-Zoetermeer aangewezen als bufferzone. Het recreatiegebied Vlietland maakt deel uit van deze bufferzone. Volgens de VINAC is het rijksbeleid ten aanzien van bufferzones gericht op het vrijwaren van het gebied van verstedelijking. Volgens dit beleid is niet-substantiële bebouwing die gekoppeld is aan het gebruik van landelijke gebiedsfuncties toegestaan.

   In de Nota Ruimte staat dat in het verleden door het rijk bufferzones zijn aangewezen. Volgens de Nota Ruimte moet de dagrecreatieve functie van die rijksbufferzones verder worden versterkt. De bufferzones transformeren daarmee tot relatief grootschalige, groene gebieden met diverse mogelijkheden voor ontspanning en dagrecreatie. Provincies stellen voor de rijksbufferzones een planologisch regime vast, gericht op het vrijwaren van de gebieden van verdere verstedelijking, aldus de Nota Ruimte.

2.21.2.    In het deskundigenbericht staat dat het plan voorziet in een toename van het bebouwde oppervlak met ongeveer 2600 m² aan dagrecreatieve- en sportvoorzieningen en ruim 1,5 hectare verblijfsrecreatieve voorzieningen. Dit komt op een totaal van ongeveer 1,8 hectare nieuwe bebouwing. Het merendeel van de bebouwing zal worden opgericht op het nu nog onbebouwde centrale eiland. Dit zal ten koste gaan van de aanwezige ligweiden en bosschages en een deel van de bestaande langzaamverkeersroutes, aldus het deskundigenbericht.

   In het deskundigenbericht staat voorts dat de bebouwingsomvang van de voorziene recreatieve voorzieningen op de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" dusdanig gering is dat er nauwelijks sprake is van een aantasting van de openheid van het recreatieterrein.

Het oordeel van de Afdeling

2.22.    Ten tijde van het bestreden besluit was de Nota Ruimte in werking getreden. Deze nota bevat geen concrete beleidsbeslissingen als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de WRO. Met het in de Nota opgenomen rijksbeleid diende verweerder echter wel rekening te houden. Voor zover de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder zich beroept op de motie Verbugt, overweegt de Afdeling dat aan die motie voor het bestreden besluit geen zelfstandige betekenis toekomt. De motie is door de ministerraad verwerkt bij de vaststelling van de VINAC, waarvoor de Nota Ruimte in de plaats is getreden. Gelet hierop was verweerder niet gehouden deze motie bij zijn beoordeling te betrekken. Nu verweerder slechts rekening behoefde te houden met de Nota Ruimte, kunnen de argumenten van appellanten over de onjuiste toepassing van de motie Verbugt, wat daar ook van zij, geen doel treffen.

2.22.1.    Wat betreft het betoog van de Vereniging Vrienden van Vlietland dat de in het plan voorziene bebouwingsmogelijkheden in strijd met het beleid neergelegd in de Nota Ruimte leiden tot verstedelijking van het gebied en tot een aantasting van de openheid van het gebied, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat sprake is van een substantiële toevoeging van bebouwing op het centrale eiland. De openheid van het recreatiegebied wordt met name bepaald door de waterpartij, die door het plan niet wordt aangetast. Voor het overige is het recreatiegebied als besloten bosgebied gerealiseerd en behoudens de ligweiden is het gebied zeer dicht beplant. Hierdoor zal de bebouwing op het centrale eiland aan de west- en noord- en oostzijde grotendeels worden afgeschermd. De bebouwing zal met name vanaf het water aan de zuid- en westzijde van het eiland zichtbaar zijn. Gelet op het vorenstaande kan niet worden uitgesloten dat sprake zal zijn van enige aantasting van de openheid van het gebied. Verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van de bebouwing mede gelet op de aard daarvan en de verhouding tot het overige deel van het recreatiegebied niet zodanig omvangrijk is dat sprake is van verstedelijking van het gebied. Hierbij kon verweerder in aanmerking nemen dat de toevoeging van recreatieappartementen en recreatiewoningen op het centrale eiland weliswaar tot toename van verstening van het centrale eiland leidt, maar dat de opzet en functie van de voorziene bebouwing wezenlijk verschillen met die van een woonwijk.    

2.22.2.    Door de bouw van de recreatiewoningen zal een deel van de gronden die thans in gebruik zijn voor dagrecreatieve doeleinden niet langer voor dat doel beschikbaar zijn. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat de recreatiewoningen zijn gesitueerd in een gebied dat thans niet intensief wordt gebruikt. Het centrale eiland blijft bovendien voor dagrecreanten toegankelijk. Verder wordt naast het toevoegen van de verblijfsrecreatieve functie met het plan tevens het aanbod van dagrecreatieve voorzieningen in zijn geheel vergroot. In dit verband heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat de verblijfsrecreatieve voorzieningen als kostendrager kunnen fungeren voor de dagrecreatieve voorzieningen, waardoor de kwaliteit van de bestaande dagrecreatieve voorzieningen op een hoger niveau kunnen worden gebracht. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toevoegen van de verblijfsrecreatieve functie geen afbreuk doet aan de dagrecreatieve functie van het gebied.

2.22.3.    Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet voldoende rekening heeft gehouden met de Nota Ruimte.

Provinciaal beleid

Het standpunt van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.23.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland zijn van mening dat het plan in strijd is met het streekplan Zuid-Holland West van 19 februari 2003 (hierna: het Streekplan). Daartoe voert de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder aan dat het plan ten onrechte voorziet in grootschalige bebouwing buiten de in het Streekplan opgenomen rode contour. Verder zijn appellanten van mening dat het plan in strijd met het Streekplan onvoldoende rekening houdt met de archeologische waarden in het plangebied en met het in het Streekplan als cultuurhistorisch bebouwingslint aangeduide Vlietweg.

   De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder stelt dat het Streekplan innerlijk tegenstrijdig is, nu dit op de onderhavige locatie voorziet in zowel grootschalige campings/vakantiebungalowparken als kleinschalige natuurcampings. Volgens appellante had het Streekplan in zoverre buiten beschouwing moeten worden gelaten, zodat verweerder zich volgens haar niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Streekplan op deze locatie grootschalige verblijfsrecreatie toestaat.

Het standpunt van verweerder

2.24.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan past binnen de uitgangspunten van het provinciaal beleid.

De vaststelling van de feiten

2.25.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.25.1.    In kernpunt H.5 van het Regionaal Structuurplan ten aanzien van het stedelijk gebied en het Westland, dat in kernpunt K 69 van het Streekplan is ingelast als onderdeel van dat Streekplan, is Vlietland te Leidschendam-Voorburg aangemerkt als grootschalig (>drie hectare) camping/vakantiebungalowpark. Verder staat daarin dat kleinschalige campings, die gekwalificeerd zijn als natuurcamping, zijn toegestaan in de rijksbufferzone Den Haag-Leiden-Zoetermeer (onder meer Vlietland).

   Volgens het Streekplan hebben kernpunten vooral betrekking op de aard, omvang en/of locatie van functies.

2.25.2.    Op de Streekplankaart is het plangebied aangeduid als "Verblijfsrecreatiegebied". Volgens het Streekplan is dit een gebied met als hoofdfunctie verblijfsrecreatie.

2.25.3.    In het Streekplan is als concrete beleidsbeslissing 2 opgenomen dat de (…) rode contouren de grens aangeven van het stedelijk gebied, daarbuiten mag geen verdere verstedelijking plaatsvinden (…).

2.25.4.    Op streekplankaart 7 "Cultuurhistorie" is het gedeelte van het plangebied dat grenst aan de Vliet aangeduid als "zone met archeologische verwachting".

   Voor de archeologische waarden wordt volgens het Streekplan zoveel mogelijk gestreefd naar behoud in situ. De cultuurhistorische en archeologische waarden dienen richtinggevend te zijn voor de verdere ontwikkeling van het streekplangebied. Dit betekent geen bevriezing van de huidige situatie, maar de opgave om oude waarden samen met nieuwe ontwikkelingen een functie en plaats te geven, aldus het Streekplan.

2.25.5.    Volgens het deskundigenbericht is het recreatiegebied midden jaren tachtig ontstaan uit een zandafgraving. De archeologische en cultuurhistorische waarden in het gebied zijn volgens het deskundigenbericht in algemene zin beperkt, omdat het oorspronkelijke landschap ernstig is verstoord door de zandafgraving. Alleen het gebied dat grenst aan de Vliet is wellicht uit archeologisch oogpunt interessant, aldus het deskundigenbericht.

2.25.6.    Aan de gronden die grenzen aan de Vliet is de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" toegekend.

   Ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen als "Archeologisch waardevol gebied" mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.

   Ingevolge het zevende lid van dit artikel is het verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor vrijstelling, (…), is verleend;

b. het ophogen van gronden met meer dan 30 centimeter;

c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

d. het verlagen of verhogen van het waterpeil;

e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

f. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

2.25.7.    De Vlietweg ligt aan de noordzijde van de Oostvlietpolder. De Oostvlietpolder ligt ten oosten van het plangebied. Het oostelijke deel van de Vlietweg is op de Streekplankaart aangeduid als een "bebouwingslint met cultuurhistorische waarde".

Het oordeel van de Afdeling

2.26.    Niet in geschil is dat het Streekplan voor het plangebied in de mogelijkheid voorziet van zowel een grootschalig camping/vakantiebungalowpark, als een kleinschalige camping. Gelet op de omvang van het gebied kunnen beide functies in dit gebied worden gerealiseerd zonder dat zij elkaar in de weg staan. Het Streekplan is in zoverre niet innerlijk tegenstrijdig. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet aan dit beleid heeft mogen vasthouden. Verder treft ook het betoog van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder dat het plan in strijd met het Streekplan buiten de rode contour voorziet in recreatiewoningen geen doel. Onder verwijzing naar overweging 2.22.1. overweegt de Afdeling dat geen sprake is van verstedelijking, bovendien is dit gebied op de Streekplankaart expliciet aangeduid als verblijfsrecreatiegebied.

   Gelet op de ernstige verstoring van de bodem ten gevolge van de zandafgravingen in het verleden, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de archeologische betekenis van het plangebied overwegend gering is. Nu aan de gronden langs de Vliet, waar archeologische waarden te verwachten zijn, de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" is toegekend en het plan voor deze dubbelbestemming voorziet in een aanlegvergunningenstelsel, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende rekening is gehouden met de archeologische waarden in het plangebied.

   Gelet op de afstand van het plangebied tot aan het deel van de Vlietweg dat op de Streekplankaart is aangeduid als "bebouwingslint met cultuurhistorische waarde" heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen niet tot onevenredige aantasting van die waarden zullen leiden.

   Gelet op het vorenstaande, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het Streekplan.

2.26.1.    Wat betreft de stelling van de Vereniging Vrienden van Vlietland dat het plan in strijd is met het Ontwerpbeleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010, merkt de Afdeling op dat verweerder niet gehouden was het in dat plan opgenomen beleid bij zijn beoordeling te betrekken, nu dit beleid ten tijde van het bestreden besluit nog niet als zodanig was vastgesteld.

Golffaciliteiten

Het standpunt van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.27.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland stellen dat het plan, in afwijking van de plantoelichting, ten onrechte de aanleg van een volwaardige golfbaan mogelijk maakt. In dit verband voeren zij aan dat er voldoende andere golfmogelijkheden zijn in de omgeving en dat de toegankelijkheid van het gebied door de aanleg van een golfbaan ernstig zal worden beperkt. Volgens de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder gaat verweerder bovendien ten onrechte ervan uit dat de gemeente Leiden wil meewerken aan uitbreiding van de voorziene golfbaan in de Oostvlietpolder.

De vaststelling van de feiten

2.28.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.28.1.    Aan de gronden in het noordoosten van het plangebied is de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" toegekend. Aan een klein deel van deze gronden is tevens de nadere aanduiding "hekwerken en overkappingen (dh)", respectievelijk de aanduiding "hekwerken (hw)" toegekend.

2.28.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Recreatieve doeleinden (R)" bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen.

   Ingevolge artikel 1, onder 27, van de planvoorschriften moet onder dagrecreatieve voorzieningen worden verstaan een voorziening ten behoeve van ontspanning in de vorm van sport, spel en verblijf, zonder dat daarbij sprake is van overnachting.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid en onder i, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Recreatieve doeleinden (R)" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding (dh) bestemd voor sportrecreatieve voorzieningen, zijnde een overkapping ten behoeve van de golfsport (driving-range).

   Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag de ten hoogste toelaatbare bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen grenzend aan openbaar gebied ten hoogste één meter en van erf- en terreinafscheidingen elders ten hoogste twee meter bedragen.

   Ingevolge artikel 4, zevende lid, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften voor hekwerken tot ten hoogste 10 meter op de gronden met de aanduiding (dh) en (hw), voor zover dit noodzakelijk is voor het gebruik van de sportvoorzieningen op de gronden met de aanduiding (dh).

2.28.3.    In de plantoelichting staat dat in het noordelijk deel van het plangebied is voorzien in golffaciliteiten. Het gaat daarbij volgens de plantoelichting om een oefenfaciliteit met een driving-range, een aantal holes en een golfclubhuis en niet om een volwaardige golfbaan. Gestreefd wordt naar realisatie van een volwaardige golfbaan ten noordoosten van het plangebied, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.29.    Onder verwijzing naar overweging 2.18. overweegt de Afdeling dat behoefte bestaat aan verbreding van het aanbod van dagrecreatieve voorzieningen. De gemeenteraad heeft gesteld dat met de voorziene golfvoorzieningen het aanbod van dagrecreatievoorzieningen wordt vergroot, nu met de aanleg van enkele oefenholes en een driving-range wordt beoogd een breder publiek te laten kennis maken met de golfsport. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met golfvoorzieningen in eerder genoemde behoefte wordt voorzien. Dat in de omgeving andere golfverenigingen actief zijn, zoals door appellanten wordt gesteld, maakt dat niet anders.

2.29.1.    De doeleindenomschrijving van artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften sluit niet uit dat op alle gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" golfvoorzieningen worden aangelegd. De ligging van deze plandelen in relatie tot de omvang daarvan maken het echter feitelijk onmogelijk om op die gronden een volwaardige (negen holes) golfbaan te realiseren. Bovendien is op deze gronden, behoudens het deel van deze gronden met de nadere aanduiding "hekwerken en overkappingen (dh)", respectievelijk de aanduiding "hekwerken (hw)", het plaatsen van hoge hekken niet toegestaan. Hierdoor is het ook om veiligheidsredenen niet mogelijk om een volwaardige golfbaan te realiseren. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat feitelijk slechts enkele oefenholes en een driving-range kunnen worden aangelegd.

2.29.2.    Voorts kan het betoog van appellanten dat de toegankelijkheid van het gebied waarop de holes zullen worden aangelegd met name vanwege de veiligheidsaspecten zal worden beperkt niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Uit hetgeen is overwogen onder overweging 2.29.1. volgt dat het slechts om de aanleg van een aantal oefenholes en een driving-range gaat. Het oppervlak dat de golfvoorzieningen zullen beslaan is derhalve relatief beperkt ten opzichte van de totale omvang van het recreatiegebied, dat voor het overige wel vrij toegankelijk is. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de golfvoorzieningen tot enige beperking van de toegankelijkheid van de gronden waarop de holes worden aangelegd zal leiden, maar dat deze beperking niet zodanig is dat hij daaraan een zwaar gewicht had moeten toekennen. In dit verband neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting door Recreatie centrum Vlietland B.V. is aangegeven dat bij de inrichting van het gebied zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de toegankelijkheid van het gebied en waar mogelijk zal worden voorzien in openbaar toegankelijke fiets- en voetpaden.

Tot slot is niet gebleken dat de realisatie van een volwaardige golfbaan ten noordoosten van het plangebied al zodanig concreet is dat het al dan niet verwezenlijken hiervan bij de beoordeling van dit plan een rol had dienen te spelen.

Natuurwaarden

Het standpunt van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.30.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland betogen dat het plan leidt tot aantasting van de ‘groene verbinding’ tussen polderpark Cronesteyn en het recreatiegebied Vlietland. Verder voeren appellanten aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de natuurwaarden in het gebied en dat niet is gebleken op welke wijze de natuurwaarden die verloren gaan worden gecompenseerd. Volgens appellanten is onvoldoende gebleken of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal worden verleend. Voorts is onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de natuurwaarden in de aangrenzende Oostvlietpolder, aldus appellanten.

Het standpunt van verweerder

2.31.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellanten genoemde ecologische verbindingszone met het bestemmingsplan niet wordt aangetast. Verder is volgens hem niet gebleken dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de natuurwaarden en de effecten van de planontwikkeling hierop. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat geen compensatie behoeft plaats te vinden omdat geen natuurwaarden verloren zullen gaan.

De vaststelling van de feiten

2.32.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.32.1.    Op de Streekplankaart staat een groene verbinding aangegeven van polderpark Cronesteyn door de Oostvlietpolder naar het recreatiegebied Vlietland.

   In zijn reactie op de zienswijze heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat de ecologische verbindingzone vanuit de Oostvlietpolder langs de noordzijde van de driving-range zal lopen en daarbij in het nieuwe water zal uitkomen zonder bebouwing te ontmoeten. Hiervoor is geen aparte aanduiding op de plankaart opgenomen omdat volgens de gemeenteraad de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" van het plandeel voldoende waarborgen biedt dat de verbindingszone vanaf de Oostvlietpolder kan doorlopen. Volgens de gemeenteraad behelst het plan een verbetering van de huidige situatie nu de verbindingszone thans eindigt in een bosperceel op honderden meters van het dichtstbijzijnde water, terwijl deze is bedoeld voor moerasorganismen.

2.32.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Recreatieve doeleinden (R)" bestemd voor groenvoorzieningen en water.

2.32.3.    Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten.

   Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

   Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Ffw, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

   Ingevolge artikel 75, derde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, kan onze Minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18.

   Ingevolge artikel 75, vierde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, wordt een vrijstelling of ontheffing slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

2.32.4.    In het kader van de planvaststelling is in opdracht van de gemeenteraad onderzoek gedaan naar de in het plangebied voorkomende flora- en faunasoorten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Leidschendam, Vlietland, flora- en faunaonderzoek" van 26 augustus 2003 (hierna: het flora- en faunarapport).

   In het flora- en faunarapport staat dat de natuurwaarden in het plangebied zijn beschreven op basis van beschikbare inventarisatiegegevens van de provincie Zuid-Holland, de Stichting Floristisch Onderzoek Nederland (FLORON), Reptielen, Amfibieën en Vissen onderzoek Nederland (RAVON) en de Vogelwerkgroep Vlietland. In aanvulling op het literatuuronderzoek is het recreatiegebied Vlietland tijdens het broedseizoen vijf maal integraal onderzocht op broedvogels. Tevens is veldonderzoek gedaan naar de leefgebieden van de verschillende soorten vleermuizen. In het flora- en faunarapport staat onder meer dat in het plangebied in totaal 27 soorten broedvogels zijn aangetroffen. Voorts zijn 34 vogelsoorten waargenomen die in het gebied foerageren en telt het gebied vier soorten amfibieën die op grond van de Ffw als te beschermen zijn aangemerkt. De te beschermen plantsoorten betreffen de dotterbloem en de zwanebloem. Verder staat daarin dat het plangebied overwegend beperkte betekenis heeft als foerageergebied voor vleermuizen en dat er geen vaste rust-, verblijf- of voortplantingsplaatsen van deze dieren zijn. Volgens het flora- en faunarapport is het plangebied van relatief geringe ecologische betekenis. Weliswaar is een groot deel van de aangetroffen plant- en diersoorten beschermd op grond van de Ffw, maar deze soorten zijn volgens het flora- en faunarapport niet zeldzaam of bedreigd. Het plan heeft geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de in het plangebied voorkomende beschermde plant- en diersoorten, aldus het flora- en faunarapport.

Het oordeel van de Afdeling

2.33.    De op de streekplankaart aangegeven ‘groene verbinding’ tussen polderpark Cronesteyn en het recreatiegebied Vlietland maakt geen onderdeel uit van de provinciale ecologische hoofdstructuur. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan deze ‘groene verbinding’ een ander beschermingsniveau toekomt dan aan ecologische verbindingszones die wel in de ecologische hoofdstructuur liggen. In verband hiermee heeft verweerder het standpunt kunnen innemen dat geen aanleiding bestaat voor deze groene verbinding in het bestemmingsplan een daarop gericht specifieke aanduiding op te nemen. Verweerder heeft in dit geval voldoende kunnen achten dat de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" niet in de weg staat aan het tot stand komen van een groene verbinding tussen het recreatiegebied Vlietland en polderpark Cronesteyn en voorts niet is gebleken dat op de gronden, waar blijkens de Streekplankaart de ‘groene verbinding’ is voorzien, zodanige sport- en spelvoorzieningen zullen worden gerealiseerd dat deze verbinding wordt gefrustreerd.

2.33.1.    Niet in geschil is dat de voorziene ontwikkelingen gevolgen zullen hebben voor de thans in het gebied aanwezige natuurwaarden. Verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen algemene compensatieplicht bestaat op grond waarvan iedere aantasting van natuurwaarden dient te worden gecompenseerd. Verder heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat ook de provinciale groencompensatie-regeling in het onderhavige geval niet van toepassing is.

2.33.2.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in de procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. In aanvulling op het literatuuronderzoek is meerdere malen veldonderzoek gedaan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat er beschermde flora- of faunasoorten in het plangebied voorkomen die niet in het rapport zijn vermeld. De enkele stelling van de Vrienden van Vlietland dat in de aangrenzende Oostvlietpolder vleermuizen voorkomen leidt niet tot een ander oordeel, nu daarmee niet aannemelijk is geworden dat ook in het onderhavige plangebied vleermuizen verblijven. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het flora- en faunarapport zodanige gebreken vertoont dat niet van de daarin opgenomen bevindingen zou mogen worden uitgegaan.

   Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen op voorhand geen grond bestaat voor de verwachting dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

2.33.3.    Wat betreft het betoog van appellanten over de gevolgen van het plan voor de natuurwaarden in de Oostvlietpolder overweegt de Afdeling dat appellanten dit argument niet hebben onderbouwd.

Milieueffectrapportage en strategische milieubeoordeling

Het standpunt van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.34.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland voeren aan dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt. In dit verband stellen appellanten dat de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: de mer-richtlijn) op onjuiste wijze is geïmplementeerd in de categorieën van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit m.e.r. 1994), nu de mer-richtlijn geen drempelwaarde noemt. Voorts voeren zij aan dat de beoordeling of een dergelijk rapport zou moeten worden gemaakt (hierna: m.e.r.-beoordelingsplicht) onjuist is uitgevoerd. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder betoogt verder dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (hierna: de smb-richtlijn).

Het bestreden besluit

2.35.    Verweerder heeft zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat ten behoeve van de in het plan opgenomen activiteiten geen MER hoeft te worden opgesteld.

De vaststelling van de feiten

2.36.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.36.1.    Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. 1994, beide zoals deze tot 28 september 2006 golden, worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet bepalen of een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

2.36.2.    Ingevolge onderdeel D, categorie 10.1, van het Besluit m.e.r. 1994, ten tijde hier van belang, is MER-beoordelingsplichtig de aanleg, wijziging of uitbreiding van een recreatieve of toeristische voorziening in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1° 250.000 bezoekers of meer per jaar, 2° een oppervlakte van 25 hectare of meer bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet […].

Ingevolge onderdeel D, categorie 10.2, van dit besluit, is m.e.r.-beoordelingsplichtig de aanleg, wijziging of uitbreiding van een golfbaan in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1° een oppervlakte van 25 hectare of meer, […] bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet […].

Ingevolge onderdeel D, categorie 10.3, van dit besluit is m.e.r.-beoordelingsplichtig de aanleg, wijziging of uitbreiding van een jachthaven in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 100 ligplaatsen of meer bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet.

2.36.3.    In artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ten tijde hier van belang, is bepaald dat, behoudens in het geval dat toepassing wordt gegeven aan artikel 7.8a, derde lid, het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst van een verzoek tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

2.36.4.    In artikel 7.8b, vierde lid, van Wet milieubeheer, ten tijde hier van belang, is bepaald dat onder bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben, gezien:

a. de kenmerken van de activiteit;

b. de plaats waar de activiteit wordt verricht;

c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse;

d. de kenmerken van die gevolgen.

2.36.5.    In opdracht van de gemeenteraad is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De beoordeling is uitgevoerd aan de hand van de in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wm, opgenomen criteria. Volgens het rapport zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake is van een m.e.r.-plicht voor het onderhavige plan. Bij besluit van 3 april 2000 heeft de gemeenteraad op basis van die beoordeling besloten dat geen MER behoeft te worden gemaakt.

2.36.6.    In het kader van de planvaststelling heeft de gemeenteraad een risicoanalyse op laten stellen met betrekking tot de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling alsmede met betrekking tot het onderzoek naar de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. De resultaten van deze analyse zijn neergelegd in het rapport "Risicoanalyse m.e.r. en flora- en faunaonderzoek" van 30 januari 2003 (hierna: de risicoanalyse).

In de risicoanalyse staat dat de m.e.r.-beoordeling gebrekkig is uitgevoerd, nu geen aandacht is besteed aan de volgens het bestemmingsplan mogelijke uitbreiding van de jachthavens en onvoldoende toetsing heeft plaatsgevonden met betrekking tot de in dit geval als meest relevant te beschouwen criteria.

2.36.7.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de smb-richtlijn wordt een milieubeoordeling uitgevoerd (…) voor de (…) bedoelde plannen en programma's die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de smb-richtlijn wordt de in artikel 3 bedoelde milieubeoordeling uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling of onderwerping aan de wetgevingsprocedure van een plan of programma.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de smb-richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen.

   Ingevolge artikel 13, derde lid, van de smb-richtlijn is de in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichting van toepassing op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in artikel 13, eerste lid, vermelde tijdstip. Plannen en programma's waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, vallen onder de verplichting van artikel 4, lid 1, tenzij de lidstaten per geval beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen.

Het oordeel van de Afdeling

2.37.    Voor zover de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder stelt dat een MER had moeten worden gemaakt omdat dit ten tijde van de aanleg van het recreatiegebied Vlietland niet is gebeurd, overweegt de Afdeling als volgt. De aanleg van het recreatiegebied Vlietland is reeds vele jaren geleden verwerkelijkt. Het onderhavige plan voorziet slechts in de herontwikkeling van een klein gedeelte van dit recreatiegebied en maakt derhalve geen deel uit van een groter, recent gerealiseerd dan wel nog te realiseren project. Voor de vraag of in het onderhavige geval de in het Besluit m.e.r. 1994 bepaalde drempelwaarden worden overschreden dient derhalve te worden gekeken naar de activiteiten waarin het onderhavige plan voorziet. De uitbreiding dan wel wijziging van de recreatieve of toeristische voorziening, de jachthavens en de golfvoorzieningen zijn niet, ook niet gezamenlijk, MER-plichtig.

2.37.1.    Wat betreft het beroep van appellanten op de onjuiste implementatie van de mer-richtlijn overweegt de Afdeling dat lidstaten ingevolge die mer-richtlijn drempelwaarden of criteria kunnen vaststellen ten aanzien van de vraag of de in bijlage II van de mer-richtlijn genoemde projecten aan een milieu-effectbeoordeling dienen te worden onderworpen. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 oktober 1996, zaak C-72/95, Kraaijeveld, (AB 1997, 133), dienen de lidstaten er daarbij voor te waken dat niet in de praktijk alle zodanige projecten bij voorbaat aan de verplichting tot milieu-effectbeoordeling worden onttrokken, aangezien daarmee de grenzen van de beoordelingsmarge waarover de lidstaten krachtens artikel 2, eerste lid, en artikel 4, tweede lid, van de mer-richtlijn beschikken, worden overschreden, behalve indien alle uitgesloten projecten op grond van een algemene beoordeling kunnen worden geacht niet een aanzienlijk milieu-effect te hebben.

   Ten aanzien van de thans aan de orde zijnde in het Besluit m.e.r. 1994 neergelegde drempelwaarden is de Afdeling niet gebleken dat deze zodanig zijn dat in de praktijk alle projecten die daaronder kunnen worden begrepen bij voorbaat aan de verplichting tot milieu-effectbeoordeling worden onttrokken. Mede in het licht van voormelde uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan niet geoordeeld worden dat de wetgever de in het geding zijnde drempelwaarden niet heeft kunnen stellen zonder afbreuk te doen aan de doelstelling van de mer-richtlijn.

2.37.2.    Onder verwijzing naar overweging 2.29.1. stelt de Afdeling vast dat de in het plan voorziene golffaciliteiten, zo de daarbij aan te leggen holes in dit geval al zijn aan te merken als holes in de zin van het Besluit, onder de in onderdeel D, categorie 10.2, van de te dezen van toepassing zijnde versie van het Besluit m.e.r. 1994 vermelde drempelwaarden blijven. Voor de in het plan voorziene golfvoorzieningen geldt aldus geen zelfstandige m.e.r.-beoordelingsplicht. Voorts stelt de Afdeling vast dat dit plan niet het eerste plan is dat in de aanleg van de in het plan opgenomen jachthavens voorziet. Evenmin is sprake van een wijziging dan wel uitbreiding van deze jachthavens, nu de ligging en omvang van beide jachthavens niet is gewijzigd ten opzichte van de planregeling in de vorige bestemmingsplannen. Derhalve bestond ook in zoverre voor de gemeenteraad geen zelfstandige m.e.r.-beoordelingsplicht.

   Verder is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van een recreatieve voorziening met een oppervlakte van meer dan 25 hectare. Uit artikel 7.2, eerste lid, van de Wm, gelezen in samenhang met onderdeel D, categorie 10.1, van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. 1994 volgt dat hiervoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat aan de in opdracht van de gemeente uitgevoerde m.e.r.-beoordeling zodanige gebreken kleven dat de gemeenteraad zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Voor zover appellanten ter onderbouwing van hun betoog verwijzen naar de conclusie in de risicoanalyse overweegt de Afdeling dat daarin ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat ook de jachthavens m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Verder bestaan geen aanknopingspunten om in dit geval bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wm aan te nemen. In dit verband is van belang dat het plangebied van relatief geringe ecologische betekenis is. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat de plannen voor de aanleg van de N11 ten tijde van de vaststelling van het plan niet zodanig concreet waren dat de gemeenteraad gehouden was daarmee rekening te houden. Verder is niet gebleken en ook overigens hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige samenhang tussen het onderhavige plangebied en ontwikkelingen in de Oostvlietpolder dat daarin een bijzondere omstandigheid kan worden gevonden.

   Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wm. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat het opstellen van een MER voorafgaande aan de vaststelling van het plan niet noodzakelijk was.

2.37.3.    Ten aanzien van de door de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder naar voren gebrachte stelling dat in strijd met de smb-richtlijn geen milieubeoordeling is gemaakt overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten de vraag of een rechtstreeks beroep op de smb-richtlijn kan worden gedaan, is de verplichting tot het uitvoeren van een milieubeoordeling op grond van artikel 13, derde lid, van de smb-richtlijn van toepassing op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004, dan wel plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan vierentwintig maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving.

Ter voldoening aan de gemeentelijke inspraakverordening heeft het voorontwerpbestemmingsplan "Vlietland en Leidschendammerhout" van 3 maart 2000 tot 30 maart 2000 ter inzage gelegen. Onder verwijzing naar overweging 2.13.2. overweegt de Afdeling dat dit voorontwerpplan en het daarop volgende ontwerpplan ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp van het onderhavige bestemmingsplan. Het ter inzage leggen van het voorontwerpplan van het bestemmingsplan "Vlietland en Leidschendammerhout" dient derhalve in dit geval te worden aangemerkt als de eerste formele voorbereidende handeling zoals bedoeld in artikel 13, derde lid van de smb-richtlijn. Nu het plan voorts is vastgesteld op 23 augustus 2005 is de smb-richtlijn niet van toepassing, zodat hieruit geen verplichting voortvloeit een milieubeoordeling uit te voeren.

Wegverkeerslawaai, verkeersintensiteit, verkeersafwikkeling en luchtkwaliteit

Het standpunt van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland

2.38.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder stelt dat bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor het wegverkeerslawaai ten onrechte geen rekening is gehouden met de komst van de N11.

   De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland stellen verder dat het plan niet in een toereikende verkeersafwikkeling voorziet. Daartoe voeren zij aan dat de bestaande wegen in en rond het plangebied de huidige verkeersstroom nauwelijks kunnen verwerken en dat van onjuiste verkeersintensiteiten is uitgegaan.

   Voorts voeren de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, nu niet wordt voldaan aan de normen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005).

Het standpunt van verweerder

2.39.    Verweerder stelt zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de planontwikkeling beperkt zal zijn bezien in het licht van de huidige verkeersintensiteit op de wegen. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat door het treffen van maatregelen, zoals het herinrichten van de Hofvlietweg, de capaciteit van de bestaande wegen voldoende kan worden vergroot om in een toereikende verkeersafwikkeling in en rond het plangebied te kunnen voorzien. Volgens verweerder blijkt uit onderzoek dat het Blk 2005 niet aan de realisering van het plan in de weg staat.

De vaststelling van de feiten

2.40.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.40.1.    In de plantoelichting staat dat de ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de Rietpolderweg, de Hofvlietweg, de Europaweg en de A4.

   In het kader van de planvaststelling is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De uitgangspunten en uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage vier van de plantoelichting (hierna: bijlage vier). In deze weergave staat dat het recreatiegebied Vlietland na realisatie van de verblijfsrecreatieve en dagrecreatieve voorzieningen ongeveer 180.000 extra bezoekers per jaar zal trekken. Er wordt uitgegaan van twee inzittenden per auto, waardoor op een gemiddelde dag vanwege het recreatiegebied ongeveer 317 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) zullen worden gegenereerd. Volgens de berekeningen worden wat betreft de recreatieappartementen en recreatiewoningen 129.000 bezoekers verwacht, waarvan de vervoersbewegingen zich zullen concentreren op twee wisseldagen. Op die wisseldagen zullen 620 auto's per dag het gebied aandoen, hetgeen volgens bijlage vier gemiddeld per weekdag 177 mvt/etmaal oplevert. De resterende 51.000 bezoekers van de overige voorzieningen genereren volgens de bijlage vier 140 mvt/etmaal.

2.40.2.    In artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen. In het tweede lid van dit artikel is onder meer het besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan aangewezen als bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Het oordeel van de Afdeling

2.41.    Wat betreft het betoog van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder dat bij de berekeningen over het wegverkeerslawaai ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanleg van de N11, overweegt de Afdeling dat ten tijde van de goedkeuring de plannen daarvoor niet in een zodanig concreet stadium verkeerden dat een representatief beeld kon worden gegeven van de gevolgen daarvan. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze mogelijke ontwikkeling niet zodanig concreet was dat de gevolgen daarvan bij de berekeningen van het verkeerslawaai hadden moeten worden betrokken.

2.41.1.    In de in bijlage vier weergegeven berekening van het aantal mvt/etmaal dat door de bezoekers van de recreatiewoningen en recreatieappartementen wordt gegenereerd is miskend dat niet alleen de vervoersbewegingen die betrekking hebben op de aankomst in aanmerking genomen moeten worden, maar dat ook rekening gehouden moet worden met de verkeersbewegingen die betrekking hebben op het vertrek daarvan. Uitgaande van een totaal aantal bezoekers per jaar van 129.000 voor de verblijfsrecreatieve voorzieningen en een gemiddeld aantal personen per auto van twee bedraagt de toename van het aantal vervoersbewegingen vanwege de verblijfsrecreatie verdeeld over het gehele jaar in dat geval 354 mvt/etmaal ((129.000/2/365)*2) in plaats van 177 mvt/etmaal. De Afdeling stelt voorts vast dat uit die berekeningen niet blijkt dat naast het arriveren en vertrekken van verblijfsrecreanten bij de recreatieappartementen en recreatiewoningen ook rekening is gehouden met mogelijke aanvullende verkeersbewegingen van die recreanten. Evenmin blijkt daaruit dat rekening is gehouden met overige vervoersbewegingen door ondermeer werknemers en leveranciers. Gelet op het vorenstaande is ten onrechte uitgegaan van een toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het plan met 317 mvt/etmaal. Hieruit volgt dat verweerder met de gemeenteraad is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.41.2.    Voorts overweegt de Afdeling dat verweerder bij zijn beoordeling dat het Blk 2005 niet in de weg staat aan de goedkeuring van het plan zich evenmin heeft kunnen baseren op de uitkomsten van het luchtkwaliteitsonderzoek, nu gelet op hetgeen is overwogen onder 2.41.1. twijfel bestaat over de juistheid van de daarin gehanteerde verkeersintensiteiten.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Eindconclusie

2.42.    Gelet op hetgeen in overweging 2.9.4. is overwogen is het beroep van [appellant sub 3] ten dele gegrond en dient het bestreden besluit voor zover goedkeuring is onthouden aan de daar genoemde plandelen te worden vernietigd.

   Gelet op hetgeen in overwegingen 2.41.1. en 2.41.2. is overwogen, zijn de beroepen van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland gegrond. Het bestreden besluit dient, nu dit gebrek het gehele plan raakt, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan.

   Gelet op hetgeen is overwogen onder overweging 2.18. en 2.18.1. is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Proceskosten

2.43.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 3] en de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien de Vereniging Vrienden van Vlietland niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Vrienden van Vlietland geheel en van [appellant sub 3] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 april 2006, kenmerk DRM/ARW/05/9646A,

a. voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de nadere aanduidingen "jachthaven (jh)" en "zonder gebouwen en overkappingen (z)", zoals met rode belijning op de plankaart aangegeven;

b. voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] geheel en het beroep van [appellant sub 3] voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1610,00 (zegge: zestienhonderdtien euro); dit bedrag dient door de provincie Zuid-Holland onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald aan:

a. [appellant sub 3] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor [appellant sub 3];

b. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder;

c. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de Vereniging Vrienden van Vlietland.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. Taal

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

325-432.