Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200703000/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het exploiteren van het pand [locatie] te Den Haag (hierna: de woning) als onzelfstandige woonruimte te doen beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703000/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/1245 en 07/1246 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het exploiteren van het pand [locatie] te Den Haag (hierna: de woning) als onzelfstandige woonruimte te doen beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college, naar aanleiding van het door appellant daartegen gemaakte bezwaar, het besluit van 7 juli 2006 herroepen en appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast het exploiteren van de woning als onzelfstandige woonruimte te doen beëindigen en beëindigd te houden.

Bij uitspraak van 23 maart 2007, verzonden op 27 maart 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. drs. M.E.G. Horvers is verschenen. Voorts is het college gehoord, vertegenwoordigd door mr. L.F. Brandenburg en mr. J.J. Oonk, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet, voor zover thans van belang, is het verboden een woonruimte zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

   Ingevolge het tweede lid wordt onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de Regionale Huisvestingsverordening van het Stadsgewest Haaglanden 2005 (hierna: de verordening) moet onder een huishouden worden verstaan een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de verordening is het verbod als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet uitsluitend van toepassing op woonruimten die behoren tot de in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën woonruimten.

   Ingevolge bijlage III van de verordening zijn aangewezen alle woonruimten met uitzondering van: standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen, woningen van toegelaten instellingen die ten behoeve van herstructurering gesloopt zullen worden en samen te voegen woningen.

2.2.    Het college heeft bij de beslissing op bezwaar van 9 januari 2007 bestuursdwang aangezegd wegens onder meer een overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet in samenhang bezien met artikel 45, eerste lid, van de verordening. Bij een controle op 1 juni 2006 is gebleken dat de huurder van de woning - die een huurovereenkomst heeft met appellant, de eigenaar van de woning - de woning onderverhuurt aan twee andere bewoners.

2.3.    Appellant kan zich niet verenigen met de uitspraak van de voorzieningenrechter en betoogt dat de woning niet is omgezet in onzelfstandige woonruimte. In dit verband voert hij aan dat de woning door appellant aan één huurder is verhuurd als zelfstandige woonruimte. Dat deze huurder een deel van de woning verhuurt aan twee onderhuurders maakt niet dat de woning niet langer als zelfstandige woonruimte kan worden beschouwd, aldus appellant.

2.3.1.    De Afdeling stelt met de voorzieningenrechter vast dat de huurder en onderhuurders van de woning geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden overwogen dat sprake is van onzelfstandige bewoning. Voorts staat vast dat het college geen ontheffing heeft verleend die onzelfstandige bewoning mogelijk maakt.

2.3.2.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 30 van de Huisvestingswet in samenhang bezien met artikel 45, eerste lid, van de verordening, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Naar aanleiding van het betoog van appellant dat de huurder van een zelfstandige woonruimte, die daar zelf zijn hoofdverblijf heeft, ingevolge artikel 7:244 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd is een deel van de woning onder te verhuren, overweegt de Afdeling dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat voormeld wetsartikel een privaatrechtelijke bepaling is, die beperkt kan worden door bestuursrechtelijke verplichtingen tot handhaving van de wettelijke voorschriften.

   Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd, faalt eveneens. Met betrekking tot de woning aan de [locatie 1] te Den Haag, heeft de voorzieningenrechter met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van een gelijk geval nu in dat geval een vergunning voor kamerhuur was verleend en deze voor de woning van appellant niet is aangevraagd of verleend.

   Gelet hierop is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevolgen van handhavend optreden niet zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan had behoren af te zien.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

312.