Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200701677/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde het wijzigingsplan "Wijziging bestemmingsplan Buitengebied Bellingwedde 1998" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/5
JOM 2008/74
JBO 2007/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701677/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Anjost B.V.", gevestigd te Bentelo, gemeente Hof van Twente en [appellant a], wonend te Bentelo, gemeente Hof van Twente

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde het wijzigingsplan "Wijziging bestemmingsplan Buitengebied Bellingwedde 1998" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 december 2006, kenmerk 2006-17.573/50, RP, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 maart 2007, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft [belanghebbende], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek heeft het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 18 september 2007, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, hebben appellanten te kennen gegeven geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid hun beroep ter zitting toe te lichten.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door F.W. Antoni, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde, vertegenwoordigd door R.D. de Voogd, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan heeft betrekking op een deel van het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], waarop een zogenoemde minicamping is voorzien. Het gaat volgens de initiatiefnemers om ten hoogste tien kampeermiddelen, eventueel uitgebreid tot vijftien gedurende een periode van ten hoogste zes weken per jaar.

2.2.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    Appellanten stellen dat het bestreden besluit, waarbij goedkeuring is verleend aan het onderhavige plan, in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu zij geen kennis hebben kunnen nemen van een door de gemeente gegeven aanvulling met betrekking tot de omgevingseffecten van het plan en niet in staat zijn gesteld hierop te reageren. Volgens appellanten zijn zij voorts ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld hun zienswijze mondeling toe te lichten. Verder is niet gebleken dat er geen aantasting plaats zal vinden van cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarden, aldus appellanten. Ten slotte stellen zij dat het bestreden besluit in strijd is met het gemeentelijk beleid, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, waarbij is gesteld dat in het geval van appellanten een uitbreiding van hun camping niet is toegestaan.

2.4.    Uit de stukken blijkt dat appellanten bij brief van 17 februari 2006 door het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid zijn gesteld de door hen schriftelijk ingediende zienswijze mondeling toe te lichten op een openbare hoorzitting. Bij brief van 23 februari 2006 hebben appellanten aangegeven dat zij van de geboden mogelijkheid geen gebruik wensen te maken. De stelling van appellanten dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze mondeling toe te lichten mist derhalve feitelijke grondslag.

2.5.    Voor zover appellanten stellen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de aanvulling van de stukken betreffende de effecten van het plan op de omgeving en zij niet in staat zijn gesteld op deze stukken te reageren overweegt de Afdeling als volgt.

   Uit de WRO noch enige andere bepaling volgt dat verweerder gehouden is de indieners van zienswijzen, door toezending dan wel terinzagelegging, in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het wijzigingsplan die na vaststelling nog aan hem worden toegezonden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding aanleiding bestaan de indieners van een zienswijze in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en hun de gelegenheid te bieden hierop te reageren. In dit geval bestond hiervoor naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellanten in hun zienswijze niets naar voren hebben gebracht met betrekking tot de omgevingseffecten en verweerder ambtshalve om de bedoelde aanvulling heeft verzocht. Voorts is ter zitting gebleken dat de aanvulling met betrekking tot de gevolgen van het plan voor de omgeving, met de daarbij behorende rapportages, met het goedgekeurde plan ter inzage is gelegd, zodat appellanten hierop in beroep inhoudelijk hebben kunnen ingaan. Gelet hierop zijn appellanten niet in hun belangen geschaad.

2.6.    De stelling van appellanten in beroep, dat niet is aangetoond dat geen aantasting plaatsvindt van de bestaande cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarde, is op geen enkele wijze nader onderbouwd.

   Bij de voorbereiding van het bestreden besluit heeft verweerder het college van burgemeester en wethouders verzocht om een aanvulling te geven op de toelichting van het wijzigingsplan met betrekking tot de effecten op de omgeving van de voorziene minicamping. In de aanvullende notitie van 8 december 2006 is het college ingegaan op de aspecten ecologie, archeologie, water en luchtkwaliteit. Overige aspecten zoals bodem, geluid en externe veiligheid zijn reeds in het wijzigingsplan besproken. De conclusie is dat de voorgenomen vestiging van een minicamping wat betreft de genoemde aspecten geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving. Als bijlage zijn nog opgenomen de "Ecologische beoordeling Camping Wedde" van 5 december 2006, uitgevoerd door onderzoeksbureau Altenburg en Wymenga, waarin is geconcludeerd dat de beoogde herinrichting van het plangebied niet in conflict is met de relevante natuurbeschermingsregelgeving, en een archeologisch rapport van 30 november 2006, opgesteld door het Libau steunpunt, waarin is geconcludeerd dat de voorgenomen inrichting van het plangebied als minicamping geen grootschalige bodemverstoringen met zich brengt en dat de kans op verstoring van eventueel aanwezige archeologische resten gering is.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de omgeving zeer beperkt of zelfs afwezig zijn. Hierbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat blijkens het inrichtingsplan de omvang en de voorzieningen van de minicamping beperkt zijn en dat het terrein aan de noord-, oost- en zuidzijde wordt omgeven door aarden wallen met beplanting.

2.7.    Appellanten exploiteren een camping met ongeveer 980 standplaatsen en uitgebreide voorzieningen op een locatie aan de [locatie] te [plaats]. Voor zover appellanten stellen dat hun verzoek om uitbreiding van een camping ten onrechte is afgewezen, stelt de Afdeling voorop dat hetgeen appellanten hieromtrent hebben aangevoerd, onder meer over een geweigerde bouwvergunning en een voorontwerpbestemmingsplan met betrekking tot de voor de uitbreiding van hun camping benodigde gronden, in deze procedure als zodanig niet aan de orde kan komen. Thans staat slechts de goedkeuring van de in het wijzigingsplan voorziene minicamping aan de Hoornderweg ter beoordeling.

   De mogelijkheid van een camping is reeds voorzien in artikel 5, lid B, sub 8, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Bellingwedde 1998". Met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder in redelijkheid van belang kunnen achten dat de camping van appellanten planologisch is geregeld in een ander bestemmingsplan, namelijk het bestemmingsplan "Wedderbergen", dat een eigen regeling kent met betrekking tot verblijfsrecreatieve voorzieningen. Voorts heeft verweerder bij zijn besluit kunnen betrekken dat de omvang en de uitstraling van de voorgenomen minicamping en de omvang van zowel de bestaande camping van appellanten als de gewenste uitbreiding zodanig van elkaar verschillen dat ook daarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit in strijd moet worden geacht met de rechtszekerheid.

2.8.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

357-535.