Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6308

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200705441/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fokzeugenhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 juni 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/622
JOM 2009/623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705441/2.

Datum uitspraak: 18 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fokzeugenhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 juni 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 31 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2007, beroep ingesteld. Verzoekers hebben hun beroep aangevuld bij brief van 21 augustus 2007.

Bij eerstgenoemde brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2007, waar verzoekers, van wie [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijzen hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

   Verzoekers hebben zienswijzen naar voren gebracht over ammoniakschade, geur- en geluidhinder. De gronden met betrekking tot de toepassing van de beste beschikbare technieken ten aanzien van de ammoniakemissie, geur en geluid hebben eveneens betrekking op voornoemde aspecten. De grond inzake strijd met de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn) heeft eveneens betrekking op ammoniakschade. De Voorzitter gaat er dan ook vanuit dat, anders dan verweerder stelt, de Afdeling het beroep in zoverre ontvankelijk zal verklaren.

2.3.    Verzoekers betogen dat nu de aanvraag dateert van vóór 1 oktober 2005, op grond van het in artikel 60a, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) geregelde overgangsrecht, deze wet, anders dan verweerder stelt, in dit geval niet van toepassing is en daarom - voor het gebied "Deurnese Peel" - rechtstreeks aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn dient te worden getoetst. Volgens verzoekers verdraagt het besluit zich niet met het derde lid van voornoemde bepaling.

2.3.1.    De Voorzitter overweegt dat uit de uitspraak van 29 november 2006 in zaak no. 200601218/1 (M en R 2007/2, nr. 19) moet worden afgeleid dat het in artikel 60a, tweede lid, van de Nbw 1998 geregelde overgangsrecht geen betrekking heeft op vergunningaanvragen anders dan aanvragen om een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet (oud). Dit betekent dat bij de beslissing op de onderhavige aanvraag om een milieuvergunning, nu deze beslissing na 1 oktober 2005 is genomen, rekening moet worden gehouden met de van toepassing zijnde bepalingen van de Nbw 1998. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

2.4.    Verzoekers voeren - kort weergegeven - aan dat de vergunde stalsystemen waarin 294 gespeende biggen en 24 kraamzeugen worden gehuisvest niet kunnen worden aangemerkt als een in aanmerking komende beste beschikbare techniek. Daarnaast heeft verweerder volgens verzoekers bij zijn beoordeling alleen de ammoniakemissie in beschouwing genomen en ten onrechte niet andere milieuaspecten, zoals geur.

2.4.1.    In de niet nader onderbouwde stelling van verzoekers dat wat betreft geur niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

   De vraag of wat betreft ammoniak in de desbetreffende stal van de inrichting ten aanzien van de door verzoekers genoemde dieren de beste beschikbare technieken worden toegepast vergt nader onderzoek, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. In dit stadium ziet de Voorzitter evenwel, mede gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Verzoekers voeren aan dat de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten aanzien van woningen van derden, met uitzondering van de woning Leensel 15, ten onrechte hoger zijn dan de richtwaarden voor een landelijke omgeving zoals opgenomen in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Nu ten aanzien van deze woningen aan de richtwaarden voor een landelijke omgeving kan worden voldaan, is het besluit volgens hen in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Voorts is volgens verzoekers het referentieniveau van het omgevingsgeluid bij de woning Leensel 22 te hoog vastgesteld en zijn de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden ten aanzien van deze woning ten onrechte op een hoogte van 3,5 meter gesteld.

2.5.1.    Verweerder heeft voor de beoordeling van geluidhinder hoofdstuk 4 van de Handreiking als uitgangspunt gehanteerd. Hij heeft de Handreiking bij het vaststellen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aldus toegepast dat hij aansluiting heeft gezocht bij het gemeten referentieniveau van het omgevingsgeluid. De door verzoekers naar voren gebrachte punten hebben de Voorzitter er, mede gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet van overtuigd dat het bestreden besluit in zoverre geen stand kan houden. De Voorzitter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6.    Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink     w.g. Van Leeuwen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2007

373-541.