Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200609039/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Vuurwerkknaller B.V." een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk, gelegen aan de Rietstraat 290 te Almelo. Dit besluit is op 8 november 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Vuurwerkbesluit
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/843
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609039/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Almelose Woningstichting Beter Wonen", gevestigd te Almelo,

2.    de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu", gevestigd te Hengelo, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Vuurwerkknaller B.V." een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk, gelegen aan de Rietstraat 290 te Almelo. Dit besluit is op 8 november 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 15 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 2 bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 januari 2007. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 januari 2007.

Bij brief van 7 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2007, waar [2 van appellanten sub 2], in persoon en bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door R.G.H.M. Marsman, P. Klooster en G.H.M. ten Berge, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door H.E. Huzink en A.M.W.A.M. van der Linden

2.    Overwegingen

2.1.    Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

   Appellanten sub 2 hebben zienswijzen naar voren gebracht over brandveiligheid. De beroepsgrond inhoudende dat de deur van de bewaarplaats zich in een ruimte bevindt die deel uitmaakt van de vluchtroute, heeft eveneens betrekking op brandveiligheid. Anders dan verweerder stelt, bestaat dan ook geen grond om het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

   De Afdeling overweegt verder dat de bevoegdheid om het besluit te nemen ambtshalve door haar moet worden beoordeeld. Anders dan verweerder betoogt is er dan ook geen plaats voor niet-ontvankelijkverklaring van de hierop betrekking hebbende beroepsgrond van appellanten sub 2.

2.2.    Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor de opslag van ten hoogste 9.783 kilogram consumentenvuurwerk.

2.3.    Appellanten sub 2 betogen dat nu een opslag van 10.033 kilogram consumentenvuurwerk is aangevraagd, niet verweerder maar het college van gedeputeerde staten van Overijssel bevoegd is om voor de inrichting een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen.

2.3.1.    Ingevolge categorie 3.5, aanhef en onder a, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, waar meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen.

2.3.2.    Uit de bij het bestreden besluit behorende aanvraag volgt dat de capaciteit voor de opslag 9.783 kilogram bedraagt. De maximale hoeveelheid opgeslagen vuurwerk in de verkoopruimte bedraagt 250 kilogram en is afkomstig uit de bufferbewaarplaats. Dit vuurwerk wordt na sluitingstijd weer in de bufferbewaarplaats opgeslagen, waardoor de drempelwaarde van 10.000 kilogram niet wordt overschreden. Het betoog van appellanten dat het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag is, treft dan ook geen doel.

2.4.    Appellanten sub 2 betogen dat de aanvraag om vergunning onvoldoende informatie bevat. Zo zou bijvoorbeeld uit de bij de aanvraag behorende tekening niet blijken wat de breedte van het gangpad in de bewaarplaatsen is, waar de leidingen voor elektra en gas lopen en waar de meterkast is gesitueerd.

2.4.1.    Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vereist slechts dat de door appellanten genoemde gegevens in de aanvraag worden vermeld voor zover deze gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu. Verweerder staat op het standpunt dat de aanvraag voldoende informatie bevat. Dit wordt in het deskundigenbericht onderschreven. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5.    Appellante sub 1 betoogt dat de parkeerhinder onvoldoende wordt beperkt of voorkomen.

   Verweerder staat op het standpunt dat in de omgeving voldoende parkeergelegenheid is, en dat bovendien geen sprake zal zijn van een grote verkeersaantrekkende werking. Verweerder heeft zich met deze motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat parkeerhinder niet zodanig zal zijn dat de vergunning moet worden geweigerd of dat daaraan nadere voorschriften moeten worden verbonden.

2.6.    Appellanten sub 1 en 2 betogen dat de in bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit genoemde veiligheidsafstanden niet in acht zijn genomen. Volgens alle appellanten is de afstand van de vuurwerkbewaarplaatsen tot een boven de inrichting gelegen woning te klein. Verder is volgens appellanten sub 2 de afstand tussen de vuurwerkbewaarplaatsen en de verkoopruimte te klein.

2.6.1.    Ingevolge artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vuurwerkbesluit moet verweerder de in bijlage 3 bij dat besluit gestelde afstanden in acht nemen bij het verlenen of wijzigen van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer.

   In bijlage 3 zijn, kort weergegeven, veiligheidsafstanden genoemd die tussen een (buffer)bewaarplaats en buiten de inrichting gelegen objecten moeten bestaan. Bij een inrichting als thans aan de orde moet een veiligheidsafstand van ten minste acht meter in acht worden genomen. Deze afstand wordt in zowel horizontale als in verticale richting gemeten in bolvorm vanaf het middelpunt van de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Een kwetsbaar object mag binnen deze afstand aanwezig zijn indien tussen de deuropening van de (buffer)bewaarplaats en dat object een scheidingsconstructie aanwezig is waarvan de brandwerendheid niet lager is dan zestig minuten, waarin zich geen opening, raam of deur bevindt en die, voor zover het een verticale scheidingsconstructie betreft, vervaardigd is van metselwerk, beton of cellenbeton. Daarnaast mag een kwetsbaar object zich niet in het vrijwaringsgebied bevinden. Dit gebied wordt in horizontale richtingen begrensd door de veiligheidsafstand in voorwaartse richting en de breedte van ruimte waarin consumentenvuurwerk aanwezig is en in verticale richtingen door de vloer en het plafond van deze besloten ruimte.

2.6.2.    Voor zover appellanten sub 2 wijzen op de afstand tot de verkoopruimte, overweegt de Afdeling dat de verkoopruimte een onderdeel is van de inrichting. Bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit heeft uitsluitend betrekking op afstanden die moeten worden aangehouden tot buiten de inrichting gelegen objecten.

   Voor zover alle appellanten wijzen op de boven de inrichting gelegen woning, overweegt de Afdeling dat deze zich niet in het vrijwaringsgebied bevindt, omdat het vrijwaringsgebied in verticale richting wordt begrensd door het plafond van de (buffer)bewaarplaatsen. Verder hoeft tot deze woning geen veiligheidsafstand van acht meter in acht te worden genomen, nu - zoals uit het deskundigenbericht blijkt - het plafond tussen de woning en de bewaarplaatsen meer dan 60 minuten brandwerend is en geen openingen bevat.

   Gelet hierop is verweerder er terecht van uitgegaan dat de in bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit gestelde veiligheidsafstanden in acht zijn genomen.

2.7.    Appellante sub 1 betoogt dat de toegangsdeur van de verkoopruimte vanuit de deuropeningen van de bewaarplaatsen visueel kan worden waargenomen, terwijl niet wordt voldaan aan de afstanden die in een dergelijk geval op grond van de voorschriften 6.1 en 6.2 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit moeten worden aangehouden. Mocht waarneembaarheid in de zin van deze voorschriften zich niet voordoen, dan wordt volgens alle appellanten niet voldaan aan voorschrift 6.3.

2.7.1.    Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer draagt, voor zover hier van belang, het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet.

   In artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel 8.9.

   Artikel 2.2.2 van het Vuurwerkbesluit is gebaseerd op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer.

   In artikel 2.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit is, voor zover van belang, bepaald dat degene die - zoals hier - een inrichting drijft waar meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen onder meer moet voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1, onder A, B en D.

2.7.2.    In de voorschriften 6.1 en 6.2 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit zijn minimaal aan te houden afstanden opgenomen voor het geval vanuit de deuropening van een bewaarplaats de toegangsdeur van een andere bewaarplaats of de verkoopruimte visueel kan worden waargenomen.

   Nu uit het deskundigenbericht blijkt dat een dergelijke visuele waarneembaarheid zich niet voordoet, zijn deze voorschriften niet van toepassing.

   In voorschrift 6.3 is bepaald dat wanneer de in de voorschriften 6.1 en 6.2 bedoelde toegangsdeur niet visueel kan worden waargenomen en niet aan de in die voorschriften genoemde afstand wordt voldaan, tussen de deuropeningen van de (buffer)bewaarplaatsen en de toegangsdeur voldoende bouwkundige voorzieningen moeten zijn aangebracht om brandoverslag te voorkomen.

   In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat aan voorschrift 6.3 wordt voldaan. Er is geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.

   De desbetreffende beroepsgronden slagen niet.

2.8.    Appellante sub 1 betoogt dat niet wordt voldaan aan voorschrift 1.11 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit. In dit voorschrift is, kort weergegeven, bepaald dat opdat een brand binnen redelijke tijd kan worden geblust één of meer brandslanghaspels aanwezig moeten zijn, waarbij aan de in het voorschrift genoemde voorwaarden wordt voldaan.

   In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat aan dit voorschrift wordt voldaan. Hetgeen appellante sub 1 aanvoert geeft de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan deze conclusie.

2.9.    Appellanten sub 2 betogen dat niet wordt voldaan aan voorschrift 1.9 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit. In dit voorschrift is bepaald dat de afstand van ruimten waar consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, tot licht of zeer licht ontvlambare stoffen en drukhouders, ten minste 5 meter moet zijn.

   Deze grond slaagt niet, nu uit het deskundigenbericht blijkt dat in de inrichting dergelijke stoffen of drukhouders niet aanwezig zijn.

2.9.1.    Appellanten sub 2 stellen verder dat de draairichting van de buitendeur ten onrechte naar binnen is gericht, zodat geen sprake is van vrije drukontlasting. Bijlage 1 bij het Vuurwerkbesluit bevat geen bepalingen met betrekking tot de draairichting van een dergelijke deur. De stelling van appellanten leidt dan ook niet tot het oordeel dat strijd bestaat met de bepalingen van het Vuurwerkbesluit.

2.10.    Appellanten sub 2 stellen dat de deur van een bewaarplaats zich bevindt in een ruimte die deel uitmaakt van een vluchtroute.

   In voorschrift 2.5 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit is - voor zover hier van belang - bepaald dat de deur van een (buffer)bewaarplaats zich niet mag bevinden in een gang, open bordes of portaal dat deel uitmaakt van een vluchtroute, tenzij deze route langs meerdere onafhankelijke vluchtroutes is gewaarborgd en uitkomt op een veilige plaats.

   Uit het deskundigenbericht blijkt dat, ook als zou moeten worden aangenomen dat de deur van een bewaarplaats zich in een vluchtroute bevindt, in elk geval tevens een andere onafhankelijke vluchtroute is gewaarborgd. Er bestaat reeds daarom geen strijd met voorschrift 2.5 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit.

2.11.    Appellanten sub 2 stellen dat in de vergunningvoorschriften ten onrechte geen definitie van het begrip "besloten ruimte" is gegeven.

   De Afdeling overweegt dat het begrip "besloten ruimte" niet wordt gebruikt in de vergunningvoorschriften, zodat een definitie ervan in de vergunningvoorschriften zinledig zou zijn geweest.

2.12.    Appellanten sub 2 betogen dat de gevolgen van de aanwezigheid van magnesium in het vuurwerk onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Voor zover zij hiermee bedoelen aan te geven dat verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gegevens heeft vergaard, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder meer informatie over magnesium in vuurwerk nodig had om het bestreden besluit te kunnen nemen.

2.13.    De enkele stelling van appellanten sub 2 dat "het consumentenvuurwerk zwaarder is geworden" geeft de Afdeling, anders dan appellanten, geen aanleiding voor het oordeel dat het Vuurwerkbesluit onverbindend is of buiten toepassing moet blijven.

2.14.    Appellanten sub 2 voeren aan dat verweerder heeft nagelaten om te beoordelen of de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) als gesteld in het Besluit luchtkwaliteit 2005, in acht worden genomen. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder dit heeft beoordeeld. Voorts is niet aannemelijk geworden dat - zoals door appellanten ter zitting is betoogd - bij deze beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met emissiebronnen van zwevende deeltjes (PM10) in de omgeving.

2.15.    Appellanten sub 2 stellen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Zij hebben deze stelling niet geconcretiseerd. De Afdeling ziet in deze enkele stelling geen aanleiding om (de voorbereiding van) het bestreden besluit onrechtmatig te achten.

2.16.    Appellanten sub 2 voeren tot slot met betrekking tot geluid met name aan dat ten onrechte geen geluidgrenswaarde voor de nacht zijn gesteld en dat niet zeker is of door het stemgeluid, veroorzaakt door het winkelend publiek in de inrichting, aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

   Aangezien de inrichting in de nachtperiode niet in werking is, heeft verweerder ervan kunnen afzien om voor die periode een geluidgrenswaarde te stellen. Verder hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

2.17.    De beroepen zijn ongegrond.

2.18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat    

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

262-517.