Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200702308/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [wederpartij] een bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 1
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 18
Wet arbeid vreemdelingen 18a
Wet arbeid vreemdelingen 19a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 107
JV 2007/541
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702308/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1452 van de rechtbank Roermond van 23 februari 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [wederpartij] een bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd.

Bij besluit van 6 juli 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 mei 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.P.A. Fikken en mr. M. Grandiek, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.W.J.D. Ray-Engels, advocaat te Venlo, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

   Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

   Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

   Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

   Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000.

   Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

   Volgens beleidsregel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

   Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 gesteld.

2.2.    Vaststaat dat [wederpartij] in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft gehandeld door op 7 september 2005 vier vreemdelingen van Poolse nationaliteit arbeid te laten verrichten, terwijl hiervoor geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven.

2.3.    De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij de overeenkomstig de Tarieflijst opgelegde boete had moeten matigen. Daartoe betoogt de minister dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de geconstateerde overtredingen volledig aan [wederpartij] zijn te verwijten.

2.3.1.    In de uitspraak 11 juli 2007 in zaak no. 200700456/1 (AB 2007, 311) heeft de Afdeling overwogen dat een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid aanleiding kan geven de boete te matigen.

   Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak no. 200607461/1; JV 2007/385), bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

2.3.2.    Blijkens bijlage 5 van het op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 17 oktober 2006 heeft [wederpartij] verklaard dat hij wist dat de vreemdelingen geen arbeid mochten verrichten, omdat hiervoor geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. [wederpartij] heeft desondanks de desbetreffende vreemdelingen arbeid laten verrichten en derhalve willens en wetens in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav gehandeld. Het begaan van een beboetbaar feit kan echter niet worden aangemerkt als een redelijk alternatief voor de gestelde bedrijfsmatige problemen, bestaande uit het niet voorhanden zijn van voldoende personeel op het moment dat dit voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is.

   Voorts heeft [wederpartij] met de stelling dat het voor haar niet mogelijk was om met behulp van het Centrum voor Werk en Inkomen dan wel een andere dan de door haar ingeschakelde uitzendorganisatie de benodigde werknemers te vinden, doch zonder dit ook daadwerkelijk te hebben geprobeerd, niet aannemelijk gemaakt dat al het mogelijke is gedaan om uit het legale aanbod werknemers te vinden.

   Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat de minister de overeenkomstig de Tarieflijst opgelegde boete had moeten matigen.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep tegen het besluit van 6 juli 2006 alsnog ongegrond verklaren.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 februari 2007 in zaak no. AWB 06/1452;

III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Beerse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

382-487.