Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB6292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
200705869/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft verweerder nader eisen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (hierna: het Besluit) gesteld met betrekking tot de horeca-inrichting "Stella Maris" gelegen aan de Koningin Wilhelminastraat 14-14b te Katwijk. Dit besluit is op 13 juli 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705869/2.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft verweerder nader eisen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (hierna: het Besluit) gesteld met betrekking tot de horeca-inrichting "Stella Maris" gelegen aan de Koningin Wilhelminastraat 14-14b te Katwijk. Dit besluit is op 13 juli 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 15 augustus 2007, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 augustus 2007, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2007, waar verzoekster, in persoon en bijgestaan door mr. P.P. Otte, advocaat te Castricum, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Sangers en N.G. Haasnoot, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder vier nadere eisen gesteld in verband met het voldoen aan de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit gestelde geluidgrenswaarden.

   Blijkens het verhandelde ter zitting zijn de nadere eisen opgelegd naar aanleiding van een aantal klachten en naar aanleiding van een geluidonderzoek uitgevoerd door verweerder op 9 juni 2006. Tijdens dit onderzoek heeft verweerder een geluidniveau van 76 dB(A) binnen de inrichting gemeten hetgeen een overschrijding betekent van het volgens hem binnen de inrichting maximaal toegestane geluidniveau van 70 dB(A).

2.2.1.    Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bezwaren van verzoekster zich uitsluitend richten tegen de onder 1.4 gestelde nadere eis. Deze nadere eis houdt, kort weergegeven, in dat binnen vier weken na het onherroepelijk worden van de beschikking een akoestisch onderzoek dient te worden overgelegd aan verweerder. Door middel van dit onderzoek moet het maximaal toelaatbare geluidniveau worden vastgesteld. Indien niet binnen vier weken na het onherroepelijk worden van de beschikking een akoestisch onderzoeksrapport aan verweerder wordt overgelegd, dan dient binnen deze termijn op de eindversterker van de geluidinstallatie een geluidbegrenzer te worden geïnstalleerd. Deze geluidbegrenzer dient te worden afgesteld en te worden verzegeld op 70 dB(A).

2.2.2.    De Voorzitter merkt allereerst op dat niet duidelijk is waaraan verweerder de grenswaarde van 70 dB(A) van het binnen de inrichting maximaal toegestane geluidniveau heeft ontleend, waardoor volgens hem verzekerd is dat de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit gestelde geluidgrenswaarden niet worden overschreden.

   Nu, gelet op het gestelde in de nadere eis onder 1.4, het overleggen van een akoestisch onderzoeksrapport dan wel het installeren van een geluidbegrenzer dient te geschieden nadat op het beroep is beslist, overweegt de Voorzitter dat er met het verzoek van verzoekster om het treffen van een voorlopige voorziening evenwel geen spoedeisend belang is gemoeid.

2.3.    Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

373-541.