Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200608670/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2006 heeft de gemeenteraad van Marum het bestemmingsplan "De Wilp/Wilpstervaart II" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/2090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608670/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Marum,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2006 heeft de gemeenteraad van Marum het bestemmingsplan "De Wilp/Wilpstervaart II" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 oktober 2006, kenmerk

2006-09.108/40/B.6, RP, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar appellante, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Folmer, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Marum, vertegenwoordigd door A.B. Bergsma, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in de bouw van maximaal 41 woningen met daarbij behorende voorzieningen. Verweerder heeft goedkeuring aan het plan verleend. Appellante, die in de directe omgeving van het plangebied een zorgboerderij en een minicamping exploiteert, richt zich in beroep tegen dit goedkeuringsbesluit.

2.2.    Ter zitting heeft appellante haar beroep, voor zover het de economische uitvoerbaarheid betreft, ingetrokken.

2.3.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4.    Appellante voert als procedureel punt tegen het goedkeuringsbesluit aan dat verweerder ten onrechte niet op haar bedenking is ingegaan dat geen sprake is van een deugdelijke belangenafweging door de gemeenteraad.     De Afdeling stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar de afweging van belangen zoals die ten aanzien van appellante is weergegeven in de zienswijzennota. In de zienswijzennota is ter zake aangegeven dat de belangen die verband houden met de aanwezigheid van de zorgboerderij, niet zodanig zijn dat daarvoor het belang van de woningbouw moet wijken, dat de woningbouw en de zorgboerderij op voldoende afstand van elkaar zijn gelegen en dat milieutechnisch activiteiten ten behoeve van de zorgboerderij mogelijk zijn. In aanvulling hierop heeft verweerder in het bestreden besluit voorts zelf overwogen dat de realisering van de geprojecteerde woningen geen althans geen onevenredige aantasting van rust, stilte en natuurlijke duisternis zal veroorzaken. Uit het bestreden besluit blijkt aldus in voldoende mate welk standpunt verweerder ten aanzien van de door de gemeenteraad in het kader van de bestemmingsplanprocedure gemaakte belangenafweging heeft ingenomen. Derhalve kan niet met recht worden gesteld dat verweerder niet op de bedenking is ingegaan dat geen sprake is van een deugdelijke belangenafweging. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.    Appellante voert verder aan dat het plan in strijd is met de provinciale Nota Bouwen en Wonen 2005-2008 (hierna: de Nota Bouwen en Wonen), nu in de Nota Bouwen en Wonen is vermeld dat in de provincie de woningbehoefte achterblijft bij de eerdere verwachtingen en het vernieuwen van de bestaande woningvoorraad prioriteit heeft.

2.5.1.    Verweerder stelt dat indien vernieuwing van de bestaande voorraad wordt belemmerd door gebrek aan de mogelijkheid tot herhuisvesting, de Nota Bouwen en Wonen ruimte biedt om eerst nieuwe woningen te bouwen voorafgaand aan de vernieuwing en dat er vanwege de achtergebleven woningbouwproductie in 2002-2004 in voornoemde nota voor is gepleit over te gaan tot een versnelling van de woningbouw. Volgens verweerder past in dat kader ook nieuwbouw die doorstroming op gang brengt teneinde in de goedkopere prijscategorieën woningen beschikbaar te krijgen.

2.5.2.    In de Nota Bouwen en Wonen, vastgesteld op 12 juli 2005, wordt een onderscheid gemaakt tussen het "Regiovisiegebied" en "de provincie exclusief het Regiovisiegebied". Marum behoort tot "de provincie exclusief het Regiovisiegebied". Ten aanzien van dit gebied is in de Nota Bouwen en Wonen opgemerkt dat de woningbehoefte in dit deel achterblijft bij de verwachtingen van de Nota Bouwen en Wonen 2002-2006 omdat de buitenlandse migratie fors is gedaald. Voortzetting van de transformatie verdient hier de eerste prioriteit. In de Nota Bouwen en Wonen is voorts vermeld dat vanwege de grote consequenties voor de gemeenten ervan is afgezien is om voor "de provincie exclusief het Regiovisiegebied" de reeds toegekende uitbreidingsruimte in te trekken. Daarbij is vermeld dat bij de uitvoering van het nieuwbouw- en transformatieprogramma uit de Nota Bouwen en Wonen 2002-2006 aanzienlijke vertraging is opgetreden, zowel bij de nieuwbouw als ook in mindere mate bij de transformatie. Gemeenten hebben twee jaar extra de tijd gekregen, tot en met 2008, om hun woonplannen te realiseren. Blijkens de Nota Bouwen en Wonen zal goedkeuring worden verleend aan bestemmingsplannen en projectbesluiten die voorzien in woningbouw passend binnen de in Tabel 4 genoemde aantallen. Volgens Tabel 4 geldt voor de gemeente Marum een uitbreidingsruimte van 468 woningen, waarvan 171 woningen door middel van transformatie/vervangende nieuwbouw dienen te worden gerealiseerd. Volgens de Nota Bouwen en Wonen resteert in 2007 in de gemeente Marum nog 54% van deze uitbreidingsruimte. Voorts is vermeld dat de vernieuwing van de bestaande voorraad soms wordt belemmerd door het gebrek aan herhuisvesting. Daarom wordt gemeenten de ruimte geboden om eerst nieuwe woningen te bouwen voorafgaand aan de transformatie.

2.5.3.    De Afdeling stelt vast dat alhoewel in de Nota Bouwen en Wonen voor onder meer Marum prioriteit wordt toegekend aan het vernieuwen van de bestaande woningvoorraad, er op grond van de Nota Bouwen en Wonen in Marum, mede gelet op de opgelopen vertraging in de uitvoering van het nieuwbouw- en transformatieprogramma, nog wel uitbreidingsruimte bestaat. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met de Nota Bouwen en Wonen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de Nota Bouwen en Wonen bovendien expliciet is vermeld dat indien vernieuwing van de bestaande voorraad wordt belemmerd door het gebrek aan herhuisvesting, gemeenten de ruimte wordt geboden om eerst nieuwe woningen te bouwen voorafgaand aan de transformatie. In dat kader komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat de nieuwbouw de doorstroming in het woningaanbod op gang brengt, niet onredelijk voor. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.    Appellante voert daarnaast aan dat het plan in strijd is met het woonplan Marum 2002-2010 (hierna: het woonplan) nu ook in het woonplan de nadruk ligt op transformatie in plaats van nieuwbouw.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat alhoewel in het woonplan de nadruk op vervanging van huurwoningen ligt, dit onverlet laat dat, indien zoals in het onderhavige geval, vervanging van de huurwoningen niet mogelijk is en een woningbehoefte wordt aangetoond, ook nieuwe uitbreidingsgebieden mogelijk zijn. Daarbij is opgemerkt dat reeds 39 personen zich als belangstellende voor de nieuwe woningen hebben gemeld en dat er in De Wilp thans geen herstructureringslocaties noch geschikte inbreidingslocaties aanwezig zijn die kunnen voorzien in het gemeentelijke woningbouwprogramma.

2.6.2.    In het woonplan, vastgesteld op 12 december 2001, is de gemeentelijke visie op het wonen voor 2002-2010 uiteengezet. Blijkens het woonplan behoren Marum en De Wilp tot de primaire kernen waar het grootste deel van de toekomstige woningbouw zal plaatsvinden. In het woonplan is voorts vermeld dat het accent wordt verlegd van dorpsuitleg naar woningbouw in transformatiegebieden. Verder is het woonplan gericht op het uit de markt nemen van overtollige gezinswoningen door verkoop en sloop en het benutten van de vrijkomende locaties voor de bouw van multifunctionele woningen en seniorenwoningen. Om ook in de aanhoudende vraag voor koopwoningen te voorzien wordt niettemin nieuwbouw onmisbaar geacht. Voorts is opgemerkt dat in het kader van de gewenste herstructurering eerst vervangende nieuwbouw gerealiseerd dient te worden. Volgens het woonplan mag 35% van deze uitbreiding van de woningvoorraad in uitleggebieden worden gerealiseerd.

2.6.3.    De Afdeling stelt vast dat alhoewel in het woonplan de nadruk ligt op transformatie en inbreiding in plaats van uitbreiding in uitleggebieden, het woonplan, anders dan appellante stelt, in nieuwbouw in uitleggebieden voorziet. Verweerder heeft voorts aannemelijk gemaakt dat geen herstructureringslocaties en ook geen geschikte inbreidingslocaties in De Wilp aanwezig zijn.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het woonplan. De omstandigheid dat het plan De Wilp/Wilpstervaart (II) in het woonplan niet wordt genoemd maakt dit niet anders, nu het woonplan primair een programmatisch karakter heeft en vermelding van het plan in het woonplan niet als een noodzakelijke voorwaarde kan worden aangemerkt om tot goedkeuring van het plan over te gaan. Daarbij betrekt de Afdeling, zoals ook door de gemeenteraad in de zienswijzennota is gesteld, dat deze locatie aansluit op de recente nieuwbouw in het plangebied Wilpstervaart I en daarom planologisch passend kan worden geacht.

2.6.4.    Voor zover appellante stelt dat de behoefte aan de in het plan voorziene woningen niet inzichtelijk zou zijn gemaakt, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat vermeld dat uit het uitgevoerde woningmarktonderzoek Westerkwartier 2003 weliswaar blijkt dat vooral vraag is naar goedkope koopwoningen, maar dat uit de afzet van de kavels in het recente uitbreidingsplan Wilpstervaart I vooral ook belangstelling voor vrijstaande woningen lijkt te bestaan. Het plan voorziet daarom in de nodige uitwisselbaarheid tussen halfvrijstaande woningen en vrijstaande woningen, waardoor het mogelijk is in te spelen op de verschillende vraag. In de zienswijzennota is voorts vermeld dat thans 39 belangstellenden bij de gemeente staan ingeschreven voor een bouwkavel in De Wilp. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de behoefte niet inzichtelijk zou zijn gemaakt.

2.6.5.    De beroepsgrond dat het plan in strijd is met het woonplan faalt derhalve.

2.7.    Appellante voert verder aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een stankcirkel van 50 meter rond haar zorgboerderij. Appellante betoogt in dat kader, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2001, zaakno. E01.99.0029, dat een grotere cirkel moet worden aangehouden.

2.7.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu niet is gebleken dat appellante voornemens is haar beperkte agrarische activiteiten uit te breiden naar een bedrijf waarvoor een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist is, kan worden volstaan met een afstand van 50 meter tussen de zorgboerderij en de woningen.

2.7.2.    Het plangebied ligt in de nabijheid van de zorgboerderij, waar appellante probleemjongeren opvang biedt, en de minicamping van appellante die zijn gevestigd aan de [locatie]. De in het plan voorziene woningen liggen op een afstand van ongeveer 55 meter van het bouwvlak van de zorgboerderij van appellante.

   Uit de door appellante genoemde uitspraak van 30 maart 2001, zaakno. E01.99.0029 (zie BR 2001, 581), kan worden afgeleid dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het bepalen van de stankcirkel rekening moet worden gehouden met concrete uitbreidingsplannen van het agrarisch bedrijf.

2.7.3.    Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat van concrete uitbreidingsplannen die appellante bij de gemeente heeft ingediend, geen sprake is. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een afstand van 55 meter tussen de zorgboerderij en de woningen voldoende groot is. Daarbij overweegt de Afdeling dat geen sprake is van een agrarisch bedrijf en dat verweerder in de specifieke zorgactiviteiten op de boerderij van appellante geen aanleiding behoefde te zien een grotere afstand dan 55 meter aan te houden. De beroepsgrond met betrekking tot de stankcirkel faalt derhalve.

2.8.    Verder betoogt appellante dat het aan het plan ten grondslag liggende ecologisch onderzoek ondeugdelijk is. Appellante stelt in dat kader dat de conclusie in het ecologisch rapport dat de bomen in het plangebied ongeschikte verblijfsplaatsen voor de Watervleermuis zijn en dat daarom geen inspanningen zijn verricht om verblijfplaatsen te vinden, onzorgvuldig is. Voorts stelt appellante dat de conclusie in het ecologisch rapport dat de geplande groenvoorziening tussen de nieuwbouw en de Wilpstervaart lichtverstoring zal tegengaan, eveneens onzorgvuldig is.

2.8.1.    Ten behoeve van het plan is door Altenburg & Wymenga het rapport "Ecologische beoordeling van de locatie Wilpstervaart te Wilp" van 12 oktober 2005 (hierna: het rapport) opgesteld. In dit rapport is vermeld dat in het plangebied geen geschikte vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de vorm van bomen. Daarbij is opgemerkt dat de twee in het plangebied aanwezige bomen hiervoor ongeschikt zijn. Voor zover appellante stelt dat een enkele keer ook kolonies zijn gevonden in gebouwen, in bruggen en riooloverstorten, overweegt de Afdeling dat het plangebied thans bestaat uit intensief gebruikt grasland en in het plangebied geen gebouwen, bruggen dan wel riooloverstorten aanwezig zijn.

   Voorts is in het rapport vermeld dat de Watervleermuis een soort is die gevoelig is voor lichtverstoring. Het plan voorziet tussen de geplande nieuwbouw en de Wilpstervaart, het jachtgebied van de Watervleermuis, in een groenzone die lichtuitstraling vanuit de huizen zal tegengaan. In het rapport wordt geconcludeerd dat van lichtverstoring derhalve geen sprake is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport op dit punt zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

   Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder het onderzoek naar de flora en fauna ondeugdelijk heeft moeten achten. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het aanbrengen van een groenzone de mogelijk verstorende invloed van de woningen minimaal zal zijn. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.9.    Met betrekking tot het betoog van appellante dat haar woon- en leefklimaat zal worden aangetast en zij schade zal lijden nu de optimale omgevingsfactoren voor een zorgboerderij en een minicamping afnemen, overweegt de Afdeling als volgt.

   Gelet op de omstandigheid dat het plangebied thans in gebruik is als grasland, kan niet worden ontkend dat uitvoering van het plan voor appellante tot een verlies van uitzicht, rust en aantasting van de omgeving zal leiden. Gelet op de afstand van 55 meter tussen de boerderij van appellante en de in het plan voorziene woningen, is de Afdeling echter van oordeel dat de aantasting van het uitzicht en rust alsmede de aantasting van de omgeving voor appellante niet zodanig zal zijn dat verweerder aan dit belang meer gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plan aan de rand van het landelijk gebied voorziet in lage bebouwing en tussen de woningen en de zorgboerderij een brede groenstrook, een vaart en een weg is gesitueerd. Bovendien is de minicamping gelegen aan de achterzijde van de boerderij en vinden ook de activiteiten van de zorgboerderij aan de achterzijde van het hoofdgebouw plaats. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nadelige invloed op het bedrijf van appellante beperkt is. Deze beroepsgrond faalt.

2.10.    In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder goedkeuring aan het plan had moeten onthouden.

2.11.    De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakoviæ, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Bosnjakovic

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

410-525.