Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200702174/1
Rechtsgebieden
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen / art. 15 Richtlijn 2004/83 / art. 3 EVRM

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

1. Dient artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming, aldus te worden uitgelegd dat die bepaling uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarop ook artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, betrekking heeft, of biedt eerstgenoemde bepaling in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming?

2. Indien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming biedt, wat zijn in dat geval de criteria om te beoordelen of een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn?

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 105 met annotatie van H. Battjes
JV 2007/531 met annotatie van TS
RV20070017 met annotatie van Kok S.G. Stefan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702174/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Verwijzingsuitspraak in het kader van de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B],

2.    de Staatssecretaris van Justitie,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/9531 en 07/9527 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 21 maart 2007 in de gedingen tussen:

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

en

de Minister van Justitie.

1.    Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 20 december 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van [appellant sub 1A] (hierna: de vreemdeling) en [appellant sub 1B] (hierna tezamen met de vreemdeling: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de Minister van Justitie nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 maart 2007, en de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 april 2007 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger-beroepschrift van de vreemdelingen ingediend. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 april 2007 hebben de vreemdelingen een reactie op het hoger-beroepschrift van de staatssecretaris ingediend. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 september 2007 heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 september 2007 hebben de vreemdelingen een nader stuk ingediend. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen. De vreemdelingen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 22 maart 2007 (Stcrt. 2007, nr. 67, p. 14) heeft de Minister van Justitie, voor zover thans van belang, bepaald dat de staatssecretaris is belast met de aangelegenheden betreffende vreemdelingenzaken. Dit besluit werkt terug tot en met 22 februari 2007. Gelet hierop, is de staatssecretaris met ingang van die datum in de onderhavige procedure in de plaats getreden van de Minister van Justitie.

2.2.    Op 29 april 2004 heeft de Raad van de Europese Unie richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn) vastgesteld. Volgens artikel 38, eerste lid, eerste volzin, van de richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 10 oktober 2006 aan deze richtlijn te voldoen.

    Volgens overweging 6 van de considerans van de richtlijn is het hoofddoel van de richtlijn te verzekeren dat in alle lidstaten een minimum niveau aan bescherming wordt geboden aan personen die werkelijk bescherming behoeven omdat zij redelijkerwijze niet erop kunnen vertrouwen dat hun land van herkomst of het land van de gewone verblijfplaats deze bescherming verstrekt.

   Volgens overweging 9 vallen onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar, op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, niet onder de richtlijn.

    Volgens overweging 24 dienen minimumnormen te worden vastgesteld voor de omschrijving en inhoud van subsidiaire bescherming.

De subsidiaire beschermingsregeling moet de in het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 (Trb. 1954, 88) vastgelegde regeling ter bescherming van vluchtelingen aanvullen.

   Volgens overweging 25 dienen criteria te worden vastgesteld om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen.

Deze criteria dienen in overeenstemming te zijn met de internationale verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van instrumenten op het gebied van de mensenrechten en met de bestaande praktijken in de lidstaten.

    Volgens overweging 26 vormen gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging die als ernstige schade kan worden aangemerkt.

2.2.1.    Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

   Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

   Volgens artikel 18 verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.3.    Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.4.    Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

   Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

    Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.4.1.    In de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) zijn de door de staatssecretaris ter uitvoering van de Vw 2000, voor zover daarbij aan de staatssecretaris beleids- en/of beoordelingsruimte toekomt, vastgestelde beleidsregels opgenomen. Daarnaast bevat deze circulaire een toelichting op verschillende bepalingen van de Vw 2000 of bij of krachtens deze wet vastgestelde algemeen verbindende voorschriften alsmede tot de met de uitvoering van de wet belaste overheidsdiensten gerichte richtlijnen voor de uitvoeringspraktijk.

   Volgens paragraaf C1/4.3.1 van de Vc 2000, ten tijde van belang, is artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ontleend aan artikel 3 van het EVRM. De verwijdering naar een land waar iemand een reëel risico loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van laatstgenoemd artikel. Indien dit reëel risico aannemelijk is gemaakt of geworden, is dit in beginsel aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning asiel.

    Volgens paragraaf C1/4.5.1 van de Vc 2000, ten tijde van belang, wordt, bij de beoordeling of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, moet worden verleend, niet in de eerste plaats gekeken of de verklaringen van de asielzoeker die de inhoud van het asielrelaas betreffen geloofwaardig zijn. Het gaat hier in beginsel immers om de vraag of de asielzoeker behoort tot een categorie die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op deze grond.

    Volgens paragraaf C1/4.5.2 van de Vc 2000, ten tijde van belang, bestaat er geen internationale norm op basis waarvan personen enkel en alleen op grond van de algehele situatie in hun land van herkomst niet zouden kunnen worden uitgezet. De Vw 2000 biedt de mogelijkheid een persoon verblijf toe te staan, zonder dat het internationale recht daartoe noopt.

2.5.    In de besluiten van 20 december 2006 heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het ontbreken van reis-, identiteits- en nationaliteitsdocumenten op de voet van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdelingen kan worden tegengeworpen. Voorts heeft de minister de door de vreemdelingen gestelde vrees bij terugkeer naar het land van herkomst te worden bedreigd, omdat zij, naar gesteld, reeds eerder zijn bedreigd vanwege door de vreemdeling voor een Brits beveiligingsbedrijf verrichte werkzaamheden, niet geloofwaardig geacht. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat niet geloofwaardig is dat de vreemdeling voor dit bedrijf werkzaamheden heeft verricht, aangezien hij het adres noch de achternamen van de drie directeuren van dit bedrijf kon noemen. Bij de beoordeling van het betoog van de vreemdelingen dat zij in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming op de voet van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn is de minister uitgegaan van de door hen gestelde afkomst uit Irak. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, mede in het licht van overweging 26 van de considerans, aannemelijk dienen te maken dat ook in hun geval sprake is van een ernstige en individuele bedreiging, hetgeen overeenkomt met de toetsing die thans wordt en in dit geval ook is verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aangezien de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun individuele geval sprake is van een reëel risico op ernstige individuele schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, komen zij, volgens de minister, niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 valt, gelet op overweging 9 van de considerans, buiten de reikwijdte van de richtlijn. Bovendien is artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een categoriale verleningsgrond en is artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 18 van de richtlijn, een individuele, aldus de minister.

2.6.    De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn slechts zelfstandige betekenis heeft wanneer daarmee bescherming wordt geboden aan personen die niet reeds op de voet van artikel 15, aanhef en onder a en b, bescherming genieten. Artikel 15, aanhef en onder c, dient, naar het oordeel van de rechtbank, derhalve zo te worden gelezen, dat de daarin genoemde bedreiging niet op eenzelfde geïndividualiseerde wijze aannemelijk behoeft te worden gemaakt als de behandeling, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b. De toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, komt daarom niet overeen met de toetsing die thans wordt en in dit geval ook is verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet kan worden ingezien dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet een grondslag zou kunnen bieden voor vergunningverlening die tegemoetkomt aan de aan artikel 15, aanhef en onder c, ontleende aanspraak en de daarbij behorende bewijslast.

Omdat niet is beoordeeld of aanleiding bestond de vreemdelingen ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen vanwege ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, heeft de rechtbank de besluiten van 20 december 2006 vernietigd.

2.7.    In zijn grieven, voor zover thans van belang, klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, gelet op de overwegingen 9 en 26 van de considerans van de richtlijn, geen relatie bestaat tussen artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Volgens de staatssecretaris valt artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn onder de reikwijdte van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daartoe voert hij aan dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn net als artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een invulling geeft aan het zogenoemde verbod van refoulement, zoals onder meer neergelegd in artikel 3 van het EVRM. Volgens de staatssecretaris dient het begrip "individuele bedreiging" in artikel 15, aanhef en onder c, te worden uitgelegd met inachtneming van het in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) inzake artikel 3 van het EVRM omschreven individualiseringsvereiste. In dit verband heeft de staatssecretaris ter zitting nader toegelicht dat de lidstaten met artikel 15, aanhef en onder c, tot uitdrukking hebben willen brengen dat ook de algemene situatie in een land van herkomst van belang is bij de beoordeling van een individueel relaas. Voorts heeft de staatssecretaris aangevoerd dat met artikel 15, aanhef en onder c, is beoogd de bestaande rechtspraak van het EHRM ten aanzien van artikel 3 van het EVRM te codificeren. Daartoe heeft hij verwezen naar een "Presidency note" van 25 september 2002 van het Deens voorzitterschap (doc. nr. 12148/02, ASILE 43; hierna: de Presidency note), waarin, voor zover thans van belang, het volgende is vermeld:

    "Article 15, sub-paragraph (b): Sub-paragraph (b), which is generally supported by Member States, is based on the obligations of Member States laid down in Article 3 of the ECHR and the jurisprudence of the ECtHR (…)

    Sub-paragraph (c) describes a situation where a civilian faces a serious and individual threat to his life or physical integrity in a country involved in an armed conflict, be it international or internal.

   Sub-paragraphs (a) en (b) would in all cases appear to cover applicants facing a serious threat to life or physical integrity. However, threats arising in situations of indiscriminate violence, would not be covered since such situations can not be described as treatment or punishment or suffering the death penalty.

   Hence a separate subparagraph has been drafted in order to include this situation. This would simultaneously be in line with the jurisprudence of the ECtHR relating to Article 3 of ECHR, namely as was indicated in V versus UK1 that an expulsion as such to a situation with a high level of danger and insecurity/indiscriminate violence could be considered an inhuman or degrading treatment.

        Vilvarajah versus UK 13164/87 of 30 October 1991. In this case the Court stated that it would not exclude the possibility of applying the principle of non-refoulement in a situation where a country would seek to expel an individual to a country where a high level of insecurity prevailed."

2.8.    Vast staat dat op 20 december 2006 nog geen implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving had plaatsgevonden. Gegeven de grieven van de staatssecretaris zal moeten worden beoordeeld of hij kan worden gevolgd in zijn standpunt dat implementatie ook niet nodig is, omdat de vreemdelingen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 reeds aanspraak op bescherming kunnen ontlenen tegen het lopen van een reëel risico op de in artikel 15, aanhef en onder c, omschreven ernstige schade.

2.8.1.    In artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn worden de criteria omschreven voor de erkenning van degene die om internationale bescherming verzoekt, als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. Het daarin genoemde criterium "ernstige schade" is in artikel 15 nader uitgewerkt. De in artikel 15, aanhef en onder b, omschreven ernstige schade sluit tekstueel aan bij hetgeen in artikel 3 van het EVRM is omschreven. De ernstige schade waartegen onderdeel c bescherming beoogt te bieden, is niet direct te herleiden tot de tekst van artikel 3 van het EVRM. Dit sluit echter niet uit dat deze ernstige schade ook door artikel 3 van het EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het EHRM, wordt bestreken. Gegeven het in overweging 6 van de considerans aangegeven hoofddoel van de richtlijn, te verzekeren dat in alle lidstaten een minimum niveau aan bescherming wordt geboden, alsmede in het licht van hetgeen in overweging 25 van de considerans is vermeld, zou kunnen worden betoogd dat met de in artikel 15, aanhef en onder c, omschreven ernstige schade geen nieuwe, los van artikel 3 van het EVRM staande, vorm van bescherming is beoogd. Ook de Presidency note lijkt in de richting te wijzen dat artikel 15, aanhef en onder c, tezamen met artikel 15, aanhef en onder b, uitsluitend beoogt bescherming te bieden in situaties, waarop ook artikel 3 van het EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het EHRM, betrekking heeft.

2.8.2.    Volgens onder meer voormeld arrest van 30 oktober 1991 in de zaak Vilvarajah; no. 13163/87 (www.echr.coe.int en RV 1991, 19), dient, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico ("real risk") loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

   Uit bijvoorbeeld de arresten van 6 maart 2001 in de zaak Hilal; no. 45276/99 (www.echr.coe.int en JV 2001/104), en 17 februari 2004 in de zaak Venkadajalasarma; no. 58510/00 (www.echr.coe.int en NJB 2004/17, no. 20), blijkt dat naast het aldus gestelde individualiseringsvereiste betekenis toekomt aan de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst waaraan het individuele asielrelaas wordt gerelateerd.

   Uit het, van na de vaststelling van de richtlijn daterende, arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh; no. 1948/04 (www.echr.coe.int en AB 2007, 76), kan niet worden afgeleid dat voormeld individualiseringsvereiste is verlaten. Wel valt, zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak no. 200701023/1 heeft overwogen, uit dit arrest af te leiden dat, indien een vreemdeling deel uitmaakt van een specifieke minderheidsgroep die doelwit is van ernstige mensenrechtenschendingen en sprake zou kunnen zijn van bijzondere omstandigheden als aan de orde waren in de zaak Salah Sheekh, informatie over de situatie van die groep en de mate waarin die bescherming kan bieden of vinden tegen zodanige mensenrechtenschendingen, uitdrukkelijk meegewogen moet worden bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en die informatie een groter gewicht moet krijgen naarmate bedoelde situatie ernstiger is gebleken.

2.8.3.    Indien artikel 3 van het EVRM ten grondslag ligt aan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, volgt uit de bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM dat de in die jurisprudentie ontwikkelde criteria, waaronder het individualiseringsvereiste, van toepassing zijn op de beoordeling of een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op een individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en

onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn. Uitgaande van de invulling die het EHRM aan dit individualiseringsvereiste geeft en aannemende dat aan het bestaan van een internationaal of binnenlands gewapend conflict inherent is dat sprake is van willekeurig geweld, moet worden aangenomen dat een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen en bij afwijzing van zijn asielaanvraag moet terugkeren naar een land dat in zodanig conflict verkeert, een reëel risico op een "individuele bedreiging" loopt, indien uit hetgeen door hem naar voren is gebracht en door de staatssecretaris geloofwaardig is geacht, blijkt van individuele kenmerken, zoals omschreven in de jurisprudentie van het EHRM, waaruit valt af te leiden dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt slachtoffer te worden van dat conflict.

2.8.4.    Uitgaande van bovenstaande uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, ontlenen de vreemdelingen de met deze bepaling beoogde bescherming naar nationaal recht reeds aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aangezien die bepaling, zoals hiervoor onder 2.4.1. is weergegeven, in elk geval beoogt dezelfde bescherming te bieden als artikel 3 van het EVRM.

2.8.5.    Het vorenstaande laat echter onverlet dat, zoals hiervoor onder 2.8.1. is overwogen, de ernstige schade waartegen artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bescherming beoogt te bieden niet direct is te herleiden tot de tekst van artikel 3 van het EVRM. Voorts is in de artikelen van de richtlijn noch in de considerans uitdrukkelijk vermeld dat artikel 3 van het EVRM ten grondslag ligt aan artikel 15, aanhef en onder c.

Behoudens de Presidency note, bieden de voorbereidende stukken ook geen aanknopingspunten dat laatstgenoemde bepaling geheel door artikel 3 van het EVRM wordt bestreken. Nu geen jurisprudentie van het EHRM inzake artikel 3 van het EVRM bekend is waarin de in artikel 15, aanhef en onder c, omschreven ernstige schade als zodanig in de beoordeling is betrokken, kan niet worden uitgesloten dat bij de beoordeling of een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op een individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, niet, dan wel niet uitsluitend, de in de jurisprudentie van het EHRM inzake artikel 3 van het EVRM ontwikkelde criteria van toepassing zijn. Derhalve is eveneens een uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn mogelijk, inhoudende dat die bepaling in vergelijking met artikel 3 van het EVRM een aanvullende of andere bescherming beoogt te bieden.

2.8.6.    Nu voor de beoordeling van de grieven de betekenis van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bepalend is en deze betekenis niet duidelijk is, ziet de Afdeling aanleiding tot het stellen van de volgende prejudiciële vragen:

   1. Dient artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming, aldus te worden uitgelegd dat die bepaling uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarop ook artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, betrekking heeft, of biedt eerstgenoemde bepaling in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming?

   2. Indien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming biedt, wat zijn in dat geval de criteria om te beoordelen of een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn?

2.9.    De behandeling van het hoger beroep van de staatssecretaris wordt geschorst, totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak heeft gedaan. Dit geldt evenzeer voor de behandeling van het hoger beroep van de vreemdelingen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

       1. Dient artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming, aldus te worden uitgelegd dat die bepaling uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarop ook artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, betrekking heeft, of biedt eerstgenoemde bepaling in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming?

       2. Indien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming biedt, wat zijn in dat geval de criteria om te beoordelen of een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn?

II.    schorst de behandeling van de hoger beroepen tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak heeft gedaan en houdt elke verdere beslissing aan.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink     w.g. Van Loo

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2007

284-418