Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200702158/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (hierna: het college) aan de stichting Stichting Wonen te Rijswijk (hierna: Rijswijk Wonen) vergunning verleend voor het oprichten van 118 appartementen, 10 stadswoningen, een voorzieningenlaag en een parkeergarage op het perceel Johan Braakensieklaan te Rijswijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/4518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702158/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/7927 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 februari 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (hierna: het college) aan de stichting Stichting Wonen te Rijswijk (hierna: Rijswijk Wonen) vergunning verleend voor het oprichten van 118 appartementen, 10 stadswoningen, een voorzieningenlaag en een parkeergarage op het perceel Johan Braakensieklaan te Rijswijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 september 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 24 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2007, waar [gemachtigde] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door G.H. Groeneveld en drs. P.J.W. van Straalen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Rijswijk Wonen, vertegenwoordigd door haar [projectmanager], bijgestaan door mr. M. van Hal-Scheffer, advocaat te Den Haag, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Te Werve West" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemmingen "Meergezinshuizen in vier lagen op onderbouw in één laag","Gemeenschappelijke tuin" en "Weg, autopad, parkeerterrein en/of parkeerstrook, rijwielpad, trottoir, voetpad en/of plein" en de daarbij behorende voorschriften. Het bouwplan strookt niet met deze bestemmingen en overschrijdt het maximaal toegestane aantal bouwlagen. Voorts is op de bestemming "Gemeenschappelijke tuin" geen bebouwing toegestaan en is op de bestemming "Weg, autopad, parkeerterrein en/of parkeerstrook, rijwielpad, trottoir, voetpad en/of plein" slechts het oprichten van gebouwen met een inhoud van ten hoogste 25 m³ toegestaan.

   Om realisatie ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2.    Ingevolge die bepaling kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge dat lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat aan de vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing en objectieve belangenafweging ten grondslag ligt, nu het bouwplan voorziet in veel massalere bebouwing dan de bestaande en door realisering ervan veel groen zal verdwijnen.

2.3.1.    Op 9 maart 2004 heeft het college het voorontwerp van het bestemmingsplan "Johan Braakensieklaan" vastgesteld. In dit plan is de ruimtelijke onderbouwing voor het bouwplan neergelegd. Dat de ruimtelijke onderbouwing in het voorontwerpbestemmingsplan, opgesteld ten behoeve van dit bouwplan, is vastgelegd, maakt niet dat hetgeen daarin is opgenomen niet als de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling mag dienen.

   In de ruimtelijke onderbouwing is onder meer ingegaan op de relatie van het bouwplan met het Streekplan Zuid-Holland West, waarin de omgeving ervan is aangeduid als Regionale knoop Rijswijk Station. Deze omgeving is volgens dat stuk vooral georiënteerd op aan openbaar vervoer gerelateerde functies met nadruk op maatschappelijke en zakelijke diensten. Voorts is daarin ingegaan op de Regionale Woonvisie Haaglanden, die ondermeer inhoudt dat het woningaanbod meer moet worden gedifferentieerd. Daarbij wordt volgens dat stuk voor het gebied rondom winkelcentrum In de Bogaard en het station Rijswijk kwaliteitsverbetering gezocht in stedelijk wonen met veelal ruime appartementen.

   Het bouwplan wordt in deze Woonvisie vermeld en omschreven als een project, waarbij centrumstedelijk wonen in diverse prijsklassen met sociaal-maatschappelijke voorzieningen in één gebouw is verenigd. Tevens is vermeld dat het bouwplan in overeenstemming is met de Wijkontwikkelingsvisie Te Werve dat de ter plaatse aanwezige portiekflats gesloopt zullen worden en seniorenappartementen gebouwd.

   In het voorontwerpbestemmingsplan is vermeld dat als centraal stedenbouwkundig uitgangspunt voor de locatie van het bouwplan geldt dat toekomstige ontwikkeling gericht moet zijn op het realiseren van een stedelijk dynamisch woonmilieu, gecombineerd met centrumvoorzieningen en kleinschalige vormen van bedrijvigheid. Tevens is in de paragraaf "stedenbouwkundige inpassing" ingegaan op de relatie van het bouwplan met de omgeving. Het college heeft voorts ter zitting nog uiteengezet dat, anders dan appellanten stellen, geen concrete bouwplannen voor de directe omgeving van de locatie van het bouwplan bestaan, waarmee in de ruimtelijke onderbouwing rekening had moeten worden gehouden. Appellanten hebben dat niet gemotiveerd weersproken.

   De rechtbank heeft onder deze omstandigheden in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de vrijstelling niet gebaseerd is op een toereikende ruimtelijke onderbouwing.

2.3.2.    Zij heeft terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat ten gevolge van het bouwplan zodanig groot verlies van groenvoorzieningen zal optreden, dat het college om die reden in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Dat de gemeente Rijswijk, naar gesteld, belang heeft bij het bouwplan, is voorts op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat geen objectieve belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.4.    De conclusie is dat het betoog faalt. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb     w.g. Wijers

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

444