Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200609389/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2006 heeft verweerder aan Hydron Midden-Nederland (thans: "Vitens Midden-Nederland N.V.") vergunning verleend voor het onttrekken van 3,4 Mm3 grondwater per jaar te Woudenberg ten behoeve van de drinkwatervoorziening, onder gelijktijdige intrekking van een bij besluit van 1 november 1971 verleende vergunning voor het onttrekken van 1,4 Mm3 grondwater per jaar.

Wetsverwijzingen
Grondwaterwet
Grondwaterwet 14
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 353 met annotatie van A. van Hall
JOM 2009/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609389/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellante sub 2], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2006 heeft verweerder aan Hydron Midden-Nederland (thans: "Vitens Midden-Nederland N.V.") vergunning verleend voor het onttrekken van 3,4 Mm3 grondwater per jaar te Woudenberg ten behoeve van de drinkwatervoorziening, onder gelijktijdige intrekking van een bij besluit van 1 november 1971 verleende vergunning voor het onttrekken van 1,4 Mm3 grondwater per jaar.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, en appellante sub 2 bij brief van 20 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar appellant sub 1, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Harskamp en drs. M.B. van der Meer, beiden ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door S.J.A. van Baalen en E.N.M. Westhuis-Brouwer.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet is het verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen.

2.3.    Appellant sub 1 en appellante sub 2 vrezen dat als gevolg van de vergunde onttrekking de op hun bedrijven aanwezige eigen waterbron, die wordt gebruikt als drinkwatervoorziening voor mens en dier, droog zal komen te staan, waardoor zij schade zullen lijden. Appellant sub 1 stelt voorts dat hij in de vergunning wil zien vastgelegd dat hij vergunninghoudster aansprakelijk stelt voor de schade die voortvloeit uit het droog komen te staan van de eigen bron.

2.3.1.    Verweerder stelt dat de putten voor de eigen drinkwatervoorziening zich bevinden in het bovenste deel van het tweede watervoerend pakket en dat de verlagingen van de stijghoogte als gevolg van de onttrekking in dit bovenste deel volgens de berekeningen bij de vergunningaanvraag maximaal 20 cm zullen bedragen. Volgens hem kunnen dergelijke verlagingen nauwelijks van invloed zijn op de opbrengsten van de putten.

2.3.2.    Uit de stukken blijkt dat de eigen bronnen van appellanten met behulp van een vacuümpomp water onttrekken aan het bovenste gedeelte van het tweede watervoerend pakket en dat de in dit gedeelte maximaal te verwachten daling in de stijghoogte als gevolg van de vergunde onttrekking 20 cm bedraagt. In het deskundigenbericht is vermeld dat niet wordt verwacht dat een dergelijke afname van de stijghoogte in dit opzicht een negatief effect zal hebben en dat zonodig door aanpassing van de bron, slang of pomp de capaciteit van de eigen bronnen kan worden verbeterd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder vanwege dit aspect de vergunning in redelijkheid niet had mogen verlenen of dit slechts onder het stellen van nadere voorschriften had mogen doen. De beroepen treffen in zoverre geen doel.

   De Afdeling overweegt voorts dat appellant sub 1 vergunninghoudster zelf aansprakelijk zal moeten stellen voor nog te lijden schade. Een dergelijke aansprakelijkheidsstelling hoort niet in de onttrekkingsvergunning thuis. Het beroep van appellant sub 1 kan ook in zoverre niet slagen.    

2.4.    Appellant sub 1 vreest dat de vergunde onttrekking zal leiden tot schade als gevolg van zettingen.

2.4.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is te verwachten dat stijghoogteveranderingen in de dieper gelegen watervoerende pakketten zettingen in de tussenliggende waterremmende lagen tot gevolg zullen hebben, nu die lagen door het gewicht van de bovenliggende pakketten reeds grotendeels zijn voorbelast. Voorts is volgens hem uit berekeningen gebleken dat de verlagingen van de freatische grondwaterstand zo gering zijn dat deze niet zullen leiden tot zettingen.

2.4.2.    In het deskundigenbericht is opgemerkt dat niet is te verwachten dat zettingen zullen optreden. Daarbij wordt gewezen op de omstandigheid dat de toplaag van de grond in het gebied uit zand bestaat. Voorts wordt opgemerkt dat de verandering van de grondwaterstand in het eerste watervoerend pakket gering is en dat de op diepte voorkomende klei- en veenlagen door het gewicht van de bovenliggende pakketten reeds grotendeels zijn voorbelast. Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de vergunning in redelijkheid niet of slechts onder het stellen van nadere voorschriften had mogen verlenen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.5.    Voor zover appellante sub 2 stelt bevreesd te zijn voor beperkingen die haar zullen worden opgelegd wegens de omstandigheid dat haar bedrijf in de nabijheid van een drinkwaterstation zal zijn gelegen, overweegt de Afdeling dat het beroep in zoverre geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dergelijke beperkingen zijn bij dat besluit immers niet opgelegd. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6.    Appellant sub 1 en appellante sub 2 stellen dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de droogteschade die zij met name in de vorm van verminderde gewassenopbrengst zullen lijden als gevolg van de vergunde onttrekking. Daarbij wijst appellant sub 1 erop dat de vermindering van de gewassenopbrengst is berekend over een zeer groot gebied, terwijl zijn percelen, die zich in de onmiddellijke nabijheid van het drinkwaterpompstation Woudenberg en het nieuwe puttenveld bevinden, zijn gelegen in het gebied waar de verlaging van de grondwaterstand het grootst is.

   Appellant sub 1 stelt in dit verband voorts dat in de vergunning niet is vastgelegd dat op zijn percelen peilbuizen zullen worden geplaatst.

2.6.1.    Verweerder stelt dat in het milieu-effectrapport de effecten van de uitbreiding van de onttrekking voor de gewasgroei zijn berekend met het zogenoemde Watersnood-instrumentarium. De aan de hand van het begrip "doelrealisatie" berekende opbrengstverandering bedraagt in het onderzochte gebied volgens hem 0,238%. De verschillen binnen het gebied zijn volgens verweerder beperkt, nu de onttrekking in het tweede watervoerend pakket plaatsvindt en de veranderingen van de freatische grondwaterstand door de dempende werking van de tussenliggende waterremmende laag sterk genivelleerd worden.

   Verweerder is voorts van oordeel dat een goed beeld kan worden verkregen van de samenhang tussen de verlagingen van de grondwaterstand en eventueel optredende opbrengstveranderingen, nu op grond van de vergunningvoorschriften een periodieke monitoring van de grondwaterstanden moet worden uitgevoerd.

2.6.2.    Ingevolge voorschrift 4.1 dienen de hydrologische effecten van de totale grondwateronttrekking op pompstation Woudenberg te worden gemonitord volgens een in overleg met de provinciale sector Vergunningen en Handhaving/branchegericht op te stellen monitoringsplan.

   Ingevolge voorschrift 4.2 dienen de in het monitoringsplan opgenomen waarnemingsputten in ieder geval te worden waargenomen op de 14e en 28e dag van iedere maand of, als deze dag niet op een werkdag valt, op de naastliggende werkdag.

   Ingevolge voorschrift 4.3 moeten de monitoringsgegevens worden aangeleverd bij TNO-NITG te Utrecht en op verzoek van de provinciale sector Vergunningen en Handhaving/branchegericht ter beschikking worden gesteld.

2.6.3.    Verweerder heeft zijn standpunt over de opbrengstverminderingen gebaseerd op de berekeningen die ter zake zijn verricht in het kader van het opstellen van het milieu-effectrapport. In deel 8 van het bij de aanvraag gevoegde "MER Vervangende Productie Capaciteit" van mei 2004 is met  behulp van het zogenoemde Watersnood-instrumentarium en de geactualiseerde HELP-tabellen de droogteschade berekend voor grasland en akkerbouw. De schade is berekend aan de hand van het begrip "doelrealisatie", hetgeen staat voor de mate, uitgedrukt in procenten, waarin de landbouw optimaal kan functioneren, gerelateerd aan de waterhuishouding in het gebied. Volgens het milieu-effectrapport zal de doelrealisatie door de vergunde uitbreiding van de onttrekking van 84% afnemen tot 83,80%. Deze afname van 0,2% betreft evenwel een gemiddelde dat is berekend over een gebied dat in het milieu-effectrapport wordt aangeduid met "landbouwgebied" en dat, zoals uit het verhandelde ter zitting is gebleken, groter is dan het invloedgebied van de onttrekking. Hierdoor kan niet met zekerheid worden gesteld hoe groot de droogteschade op de percelen van appellanten zal zijn. Dit klemt te meer nu zij percelen hebben die in de directe nabijheid van de putten zijn gelegen en de gevolgen van een onttrekking over het algemeen het grootst zijn in de directe nabijheid daarvan. Verweerder meent dit te hebben ondervangen door het stellen van monitoringsvoorschriften.

   Het is echter niet duidelijk of voorschrift 4.1 verplicht tot de vaststelling van de zogenoemde nulsituatie, die noodzakelijk is om de gevolgen van de vergunde onttrekking achteraf te kunnen beoordelen. Enerzijds dienen ingevolge dit voorschrift de hydrologische effecten van de totale grondwateronttrekking op pompstation Woudenberg te worden gemonitord, hetgeen er op lijkt te duiden dat, na het vaststellen van de nulsituatie, de vergunde onttrekking vanaf het begin moet worden gemonitord: slechts op die wijze kunnen immers de hydrologische effecten worden beoordeeld. Anderzijds is in het voorschrift bepaald dat dient te worden gemonitord volgens een in overleg met de provinciale sector Vergunningen en Handhaving/branchegericht op te stellen monitoringsplan. De woorden "in overleg op te stellen" veronderstellen een bepaald tijdsverloop, terwijl in het voorschrift niet duidelijk is gemaakt dat het overleg moet zijn afgerond en een monitoringsplan gereed moet zijn, voordat met de vergunde onttrekking een aanvang wordt gemaakt. Voorschrift 4.1 is in zoverre dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, dat met zich brengt dat uit een vergunning duidelijk de daaruit voortvloeiende rechten en plichten blijken.

   Voorts heeft verweerder, nu het in dit geval gaat om een aanzienlijke uitbreiding van de onttrekking ten aanzien van de bij het besluit van 1 november 1971 vergunde onttrekking en nu de gevolgen van de onttrekking voor de in de directe nabijheid van de putten gelegen percelen niet precies bekend zijn, onvoldoende gemotiveerd waarom voorschrift 4.1 niet de waarborg biedt dat de peilbuizen op zodanige locaties worden geplaatst dat een representatief beeld kan worden verkregen van de gevolgen van de onttrekking voor de in de directe nabijheid van de putten gelegen percelen. De locaties van de peilbuizen zijn immers niet bij dat voorschrift vastgesteld. Evenmin bepalen de voorschriften dat een op te stellen monitoringsplan met daarin de locaties van de peilbuizen door verweerder moet worden goedgekeurd. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

   De beroepen treffen doel.

2.7.    De beroepen van appellant sub 1 en appellante sub 2 zijn gegrond. Het bestreden besluit dient, gelet op het belang van monitoringsvoorschriften voor de vergunde onttrekking, in zijn geheel te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 7 november 2006, kenmerk 2006WEM004274i;

III.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 1 en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellante sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Lap

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

288.